Explosief rapport over joden in Argentinië

Scheuring in de joodse gemeenschap

Binnenkort verschijnt in Israël een explosief rapport over joden in Argentinië die sinds de Videla-dictatuur (1976-1983) worden vermist. Argentijnse joden konden onder de junta met antisemitische inslag niet altijd rekenen op steun van Israël.

«Waar is de Israëlische Garzón?» In 1999 plaatsten ouders van joodse vermis ten een advertentie in een joodse krant in Argentinië. Ze wilden dat Israël zich voor de joodse slachtoffers van de militaire dic tatuur (1976-1983) zou gaan inzetten. De Spaanse onderzoeksrechter Baltasar Garzón ging hen voor, vermaard om zijn jacht op de voormalige dictators en beulen van Spaanse staatsburgers in Chili en Argentinië. De ouders vingen echter bot. Israël zou niet dezelfde juridische mogelijkheden hebben als Spanje. Bovendien weigerde de Argentijnse regering elk verzoek tot uitlevering en was het officiële standpunt dat dergelijke processen in eigen land moesten plaatsvinden.

Niettemin kwam er in 2000 een Israëlische waarheidscommissie met een beperkt mandaat: het opsporen van joodse vermisten met als doel hun lichamen in Israël te begraven, het lokaliseren van 21 in gevan genschap geboren joodse kinderen die door Argentijnse families werden geadop teerd en de publicatie van het onderzoek.

Later werden twee brandende kwesties toegevoegd: het vermeende antisemitische karakter van de Argentijnse junta, en de rol van de Israëlische ambassade in Buenos Aires bij het redden van joodse slachtoffers. Het laatste onderwerp kwam onder grote druk van de familieleden op de agenda. Een van de belangrijkste activiteiten van de commissie werd het horen van getuigen in Buenos Aires en Jeruzalem.

Een van de getuigen is Marciano Brodsky, de vader van de Argentijnse fotograaf Marcelo Brodsky die met zijn tentoonstelling Bueno Memoria de hele wereld rondtrekt. Onderdeel van de tentoonstelling is een fotoserie van Brodsky’s broer Fernando, die op 14 augustus 1979 in Buenos Aires werd gekidnapt en opgesloten in de marineschool voor werktuigbouw (Esma), destijds het belangrijkste foltercentrum van Argentinië. Groot is het contrast tussen de ontspannen familiekiekjes met Fernando en zijn laatste foto’s genomen in de Esma.

Marcelo Brodsky: «Tot februari 1980 belde Fernando vanuit de Esma af en toe naar mijn ouders. Daarna hebben we niets meer van hem gehoord. Die foto’s zijn gemaakt door een fotograaf die de gevangenen moest vastleggen. Zijn foto’s uit de Esma waren belangrijk bewijsmateriaal tegen de juntaleden tijdens de processen in 1985. Op grond hiervan werden ze veroordeeld, al kwamen ze later door amnestie weer op vrije voeten. Onlangs werd ook Fernando’s Esma-dossier gevonden. Daarin staat dat hij psychologie studeerde en joods was. Mijn broer zat in een studiegroep waar linkse schrijvers werden bestudeerd.» Volgens Brodsky is zijn broer niet opgepakt vanwege zijn joodse achtergrond, maar het was zeker geen aanbeveling. «In Argentinië zijn joden van oudsher sterk vertegenwoordigd in de intellectuele, progressieve milieus. Om die reden vormden ze een doelwit van de junta.»

Een opvallend groot aantal van de vermisten van de «vuile oorlog» was joods; tien procent van de naar schatting vijftien- à twintigduizend vermisten. Dat stelt politiciloog en onderzoeker voor de Israëlische waarheidscommissie Edy Kaufman, tevens directeur van het Truman Instituut van de Universiteit van Jeruzalem, vooruitlopend op de publicatie van het onderzoek. Een disproportioneel hoge score omdat de destijds 250.000 Argentijnse joden slechts een procent van de Argentijnse bevolking uitmaakten.

Kaufman heeft ook een verklaring voor het groot aantal joodse slachtoffers. De meeste joden woonden in de steden, de centra van de onderdrukking. Ze beoefenden in de ogen van de junta verdachte beroepen (de journalistiek, de kunsten, de psychologie en psychiatrie), en ze werden gezien als linkse «subversieven» die moesten worden geëlimineerd. Daarnaast zou ook het antisemitisch karakter van de junta een rol hebben gespeeld.

De generaals plaatsten in het kader van hun «reddingsoperatie» van de «westerse, christelijke beschaving» een aantal prominente joden boven aan de zwarte lijst. Karl Marx, omdat hij het christelijke kapitalisme had bestreden; Sigmund Freud, omdat hij de christelijke familie had ondermijnd en Albert Einstein, omdat hij de christelijke noties over ruimte en tijd had ondergraven. Bij hun kruistocht tegen de «antichrist» moesten joden het als vreemde elementen extra ontgelden.

Het antisemitische gedachtegoed van de junta vond zijn oorsprong in de massale komst van joden naar het katholieke Argentinië aan het eind van de negentiende eeuw. Maar het werd populair tijdens het nazi-regime in Duitsland en na de Tweede Wereldoorlog toen veel nazi’s onderdak in Argentinië vonden. En het werd nog eens versterkt met de oprichting van de staat Israël. Edy Kaufman: «De generaals geloofden in een internationale joodse samenzwering die vanuit Jeruzalem werd geleid. De joden zouden Wall Street en het Kremlin onder supervisie van Zion controleren. Men dacht dat Argentijnse joden met hulp van Israël in Patagonië, het zuidelijke deel van Argentinië, een tweede joodse staat wilden stichten. In het leger was de leuze ‹Help je vaderland, dood een jood› erg populair, evenals de nazi-ideologie en het symbool van de swastika. Op een militaire basis vond ik een flyer waarop de boom van subversie was afgebeeld. De kleine wortels van die boom waren omschreven als het marxisme en de vrijmetselarij, en de grootste, centrale wortel als het zionisme.»

In de militaire junta zaten voorstanders van een harde, openlijk antisemitische lijn en voorstanders van een meer heimelijke koers. Er bestond een controverse over de vrijlating van Jacobo Timerman, ’s lands beroemdste journalist en zionist. Onder internationale druk besloot president Videla, beducht voor de joodse lobby in Amerika en Amerikaanse repercussies, Timerman naar Israël te laten vertrekken.

Volgens Kaufman kwam hem dat op kritiek te staan van de voorstanders van de harde lijn. Hij had toegegeven aan joodse druk, vond een publieke antisemiet als generaal Menéndez. President Videla hanteerde ook geen officiële antisemitische politiek. Er waren geen anti-joodse wetten. De synagogen, de scholen en andere instituties van de joodse gemeenschap konden functioneren. Zelfs de zionistische activiteiten konden doorgaan. Er was wel sprake van intimidatie. Een aantal gebouwen van de joodse gemeenschap werd beklad met antisemitische leuzen. Kinderen van voorzitters van de joodse gemeenschap werden ontvoerd.

Kaufman: «Uit onze getuigenverklaringen blijkt dat joden in de gevangenissen extra slecht werden behandeld. Er werd gezegd: ‹In de morgen martelen we je omdat je een communist bent, in de middag omdat je een jood bent.› Er waren martelkamers met portretten van Hitler. Een medewerker van een Amerikaans-joodse commissie ontmoette op een receptie in Argentinië een generaal die geloofde dat zestig procent van de terroristen joden waren. Feitelijk was slechts een zeer kleine groep joden actief in de guerrillabewegingen van de Montoneros en het Revolutionair Volksleger. Maar een dergelijke opvatting was van grote invloed op het aantal joden dat werd gearresteerd en vermoord. Als militairen bij een huis kwamen om snel mensen te ontvoeren en er hingen bordjes met de familienamen Goldmann en García, dan pakten ze eerst Goldmann.»

De machiavellistische politiek van de junta leidde tot een scheuring in de joodse gemeenschap in Buenos Aires. Met aan de ene kant de linkse slachtoffers en hun familieleden, en aan de andere kant de Daia, het officiële vertegenwoordigende lichaam van de joodse gemeenschap in Argentinië.

Marcelo Brodsky: «Mijn vader was een bekende oogchirurg en directeur van een afdeling van het joodse ziekenhuis. Mijn ouders waren ook lid van de twee ashkenazische clubs in Buenos Aires. De Daia zette zich niet in voor mijn vermiste broer. Ze deden niets voor de joodse vermisten. Uit angst en opportunisme keken ze de andere kant op. Alleen de Israëlische organisatie voor immigratie hielp mensen naar Israël te ontkomen.»

Ook journalist Timerman kreeg geen enkele steun van de Daia. Hij laakte «de stilzwijgende medeplichtigheid van de joodse leiders» en noemde de Daia «de Argentijnse Judenrat». De Daia bewees de junta lippendienst door de zaak van de joodse vermisten voor de buitenwereld in de doofpot te stoppen. Het Joods Wereld Congres en de Amerikaanse regering kregen de boodschap dat het joodse leven in Argentinië «normaal» functioneerde en de antisemitische «incidenten» alsmede het aantal joodse vermisten niet moest worden overtrokken.

Tegenpool van de Daia was de Amerikaanse rabbijn Marshall Meyer, steun en toeverlaat van de joodse slachtoffers in Buenos Aires. Meyer bezocht gevangenen van alle gezindten en onderhield contact met de militairen. Toen hij in 1980 in São Paolo voor het Joods Wereld Congres een betoog wilde houden over de joodse vermisten, werd hij door de Daia verwijderd. Het ging de Daia om de Argentijnse joodse gemeenschap in zijn geheel, en niet om een kleine groep linkse «marginale» joden.

Anno 2003 is de kloof in de joodse gemeenschap in Buenos Aires allerminst gedicht. Brodsky heeft nauwe banden met de Grootmoeders van de Plaza de Mayo en werkt aan de voltooiing van het «Memoria» Park aan de Río de la Plata. De Daia is onder invloed van de Israëlische commissie aan een onderzoek naar de eigen rol tijdens de junta begonnen. Marcelo Brodsky: «Ze kunnen natuurlijk niet achterblijven. Helaas probeerde mijn vader tevergeefs lid te worden van het Daia-onderzoeksteam. Hij zou als slachtoffer geen onafhankelijk oordeel kunnen vellen.»

Professor Raanan Rein, directeur van het Latijns Amerika Instituut van de Universiteit van Tel Aviv en lid van de Argentijnse Nationale Academie van Historici, schreef het boek Argentina, Israel and the Jews: From the Partition of Palestine to the Eichmann Affair. Hierin blijkt dat de belangen van de Argentijnse joden en Israël niet altijd parallel liepen. Israël had in de jaren veertig en vroege jaren vijftig een uitstekende relatie met Juan Perón, terwijl de meeste Argentijnse joden tegen zijn regime waren. Toen Adolf Eichmann in 1960 tot woede van de Argentijnse regering door de Mossad werd ontvoerd, leidde dat tot een golf van antisemitisme.

Raanan Rein: «Tijdens de militaire dictatuur heeft Israël aan de wapenexport aan Argentinië veel geld verdiend, terwijl linkse joodse Argentijnen in nood verkeerden. Ik ben ervan overtuigd dat de invloed van de Israëlische wapenindustrie allesbepalend is geweest. Voor de Israëlische regeringspolitiek, voor de houding van de Israëlische diplomaten in Buenos Aires, voor de Israëlische opstelling inzake de schendingen van de mensenrechten in het algemeen en het lot van de linkse Argentijnse joden in het bijzonder.»

Daarnaast speelt volgens Rein nog een tweede essentiële kwestie: «Sinds de oprichting van de staat helpt Israël alleen joden die naar Israël willen immigreren. De linkse joodse Argentijnen waren overwegend niet religieus en niet zionistisch, steunden de staat Israël niet actief en hadden geen immigratieplannen. Waarom zou Israël zijn goede relatie met de junta voor deze mensen op het spel zetten?»

Historicus Efraim Zadoff vindt deze opvatting op grond van zijn onderzoek voor de Israëlische waarheidscommissie te simpel. «Argen tinië voerde een duidelijke anti-Israël-politiek. Ze ondersteunden de Arabische landen en de Palestijnse zaak. De Israëlische regering maakte zich zorgen over het Argentijnse antisemitisme. Toen de Israëlische ambassadeur in Buenos Aires de wapenexport als drukmiddel voor de joodse vermisten wilde gebruiken, was het ministerie van Buitenlandse Zaken daar mordicus tegen. De joodse gemeenschap kon daar wel eens de dupe van worden. Voor geen enkele politieke kwestie werd de wapenexport als chantagemiddel ingezet.»

Wel kreeg de Israëlische ambassadeur de instructie zoveel mogelijk Argentijnse joden te helpen. Zadoff: «Omdat de guerrillabeweging Montoneros in PLO-kampen in Libanon werd getraind, vreesde premier Begin dat er ook een aantal PLO-sympathisanten naar Israël zou komen. Maar hij wilde geen enkele restrictie op het toelatingsbeleid. Ook geen van de getuigen meldde dat hulp op ideologische gronden werd geweigerd. Om mensen te redden koos de Israëlische regering voor stille diplomatie. Minister van Buitenlandse Zaken Shamir verhinderde een debat in de Knesset over de schendingen van de mensenrechten en de vermisten omdat hij de junta niet in het openbaar wilde aanvallen. De familieleden meenden juist met luid protest invloed op de junta te kunnen uitoefenen. Ik weet niet welke benadering de beste was geweest. In elk geval heeft de Israëlische Ambassade zeventig mensen uit de gevangenis vrij gekregen en zijn er via de Jewish Agency vierhonderd mensen het land uit geholpen.»

Bij de Israëlische ambassade in Buenos Aires kwamen veel ouders langs voor hulp. Matilde Mellibovsky, een van de oprichters van de Dwaze Moeders van het Plaza de Mayo, kreeg van het ambassadepersoneel te horen dat de zaak van haar verdwenen dochter voor Israël niet relevant was. Op grond van de getuigenverklaringen onderschrijft Zadoff haar verhaal: «Helaas worden Israëlische diplomaten nog steeds opgeleid met de instructie alleen Israëlische staatsburgers in nood te helpen. Ik vind dat in contradictie met de ideologie van de staat Israël. Elke jood die als jood wordt bedreigd moet op de steun van Israël kunnen rekenen.»

Zadoff heeft ook kritiek op de voorzitter van de Israëlische commissie, die destijds consul op de Israëlische ambassade in Buenos Aires was. «Ook Pinchas Avivi heeft steken laten vallen. De Israëlische ambassade had veel meer moeten doen.»

Na de militaire dictatuur in Argentinië werden burgerpresidenten door het leger onder druk gezet amnestie af te kondigen. Onder president Alfonsín werden de amnestiewetten Punto Final (Eindpunt) en Obediencia Debida (Verplichte Gehoorzaamheid) van kracht, waarmee in de loop van de jaren tachtig alle processen tegen de beulen van de «vuile oorlog» kwamen stil te liggen. President Carlos Menem (1989-1999) liet per decreet alle junta kopstukken vrij die in 1985 reeds waren veroordeeld.

Inmiddels zijn ex-generaal Videla en een aantal andere militairen onder huisarrest geplaatst in afwachting van een nieuw proces op grond van kinderroof; een misdrijf dat niet in de amnestiewetten was opgenomen.

In 2001 verklaarde de federale rechter Gabriel Cavallo de amnestiewetten ongrondwettig; een doorbraak volgens mensenrechtenorganisaties. Voor een hervatting van de processen is echter een definitieve nietigverklaring van de omstreden wetten door het Hooggerechtshof noodzakelijk, hetgeen met de huidige rechters — die grotendeels door Menem zijn aangesteld — niet waarschijnlijk is. Naar verwachting doet het Hooggerechtshof hierover op korte termijn uitspraak.

In dit kader werd de keuze voor Néstor Kirchner of Carlos Menem als nieuwe president van Argentinië als doorslaggevend beschouwd. Met Menem had het Hooggerechtshof in zijn lijn zeker de amnestiewetten wederom grondwettig verklaard. Maar nu Kirchner (door Menems terugtrekking uit de race om het presidentschap) als winnaar uit de bus is gekomen, kan dit alles nog een wending krijgen.

Kirchner is een tegenstander van de amnestiewetten en gaat zeker proberen een aantal rechters van het Hooggerechtshof te vervangen. De Argentijnse joodse gemeenschap zal Menems afgang niet betreuren. Hij wordt verdacht van belemmering van het onderzoek naar de aanslagen op de Israëlische Ambassade (1992) en het joodse gemeenschapscentrum Amia (1994) in Buenos Aires. Volgens een voormalig medewerker van de Iraanse inlichtingendienst zou hij smeergeld van Iran hebben aangenomen om Irans verantwoordelijkheid voor de Amia-aanslag in de doofpot te stoppen.

De gebruikte foto’s zijn onderdeel van de tentoonstelling ‹Bueno Memoria› van Marcelo Brodsky