50 jaar Paradiso. Voorheen Vrije Gemeente

Scheurmakers

De grote zaal van het gebouw, gezien naar de achtergevel circa 1900 © Stadsarchief Amsterdam / Uitgeverij Bas Lubberhuizen

Het gebouw van Paradiso was in 1880 neergezet voor de Vrije Gemeente, ‘kerk van de toekomst’, waar Domela Nieuwenhuis – kort – een welkom gastspreker was.

Spreker zelf bewaarde aan zijn optreden in de Vrije Gemeente aan de Weteringschans in Amsterdam uitstekende herinneringen. De toeloop bij zijn voordracht ‘Werkloosheid erger dan cholera’ op 17 november 1884 was zo groot ‘dat het bijna tot dooddringen kwam’, schrijft de revolutionaire arbeidersvoorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis in zijn memoires. Tot op het Leidseplein stonden de mensen, om van hem te horen dat slechts socialisering van de productiemiddelen hun soelaas kon bieden.

De zaaleigenaar, de godsdienstige vereniging de Vrije Gemeente, was beduidend minder enthousiast. Om de exploitatiekosten van haar gebouw, waarin tegenwoordig poppodium Paradiso is gevestigd, enigszins in de hand te houden, placht men de zaal te verhuren aan organisaties die, net als de Vrije Gemeente zelf, een vooruitstrevend en vrijzinnig signatuur droegen. De huurder van 17 november 1884, ‘Het Vrije woord’, leek zo’n club.

Toen uit een advertentie in Recht voor allen plots bleek dat achter Het Vrije woord de revolutionaire Sociaal-Democratische Bond schuilging, die de zaal wilde gebruiken voor een opruiende toespraak van de razend populaire revolutionair Domela, was het te laat. Domela’s aanhang was niet alleen zeer talrijk, maar veelal ook zeer gespierd. Bij afgelasting moest voor ernstige schade aan het gebouw worden gevreesd.

De schade, bleek op de volgende ledenvergadering van de Vrije Gemeente, was reuze meegevallen. Alleen het meubilair bleek ‘schandelijk verontreinigd’. De voornaamste schade was imagoschade. Iedereen die de Vrije Gemeente er toch al van verdacht of betichtte onder het mom van ‘vrije religie’ een gezelschap goddeloze oproerkraaiers te zijn – en ze had vele vijanden – zag zich in dat oordeel bevestigd: er vonden zelfs revolutionaire vergaderingen plaats!

In een poging tot rechtzetting liet de Vrije Gemeente een brief plaatsen op de voorpagina van het Algemeen Handelsblad, dat in een commentaar Domela had bestempeld tot ‘de meest onheilspellende kampioen die de Nederlandse werklieden kunnen volgen’. De Vrije Gemeente bezwoer niets van doen te hebben gehad met de bijeenkomst; zij was bedot: de zaal was onder valse vlag gehuurd, zelf stond zij uitsluitend maatschappelijke verbeteringen voor ‘langs de weg van geleidelijke, vooral zedelijke verbetering’. De vijanden van de Vrije Gemeente in de gemeenteraad zagen desondanks hun kans schoon: voortaan moest ze straatgeld betalen, een gemeentebelasting waarvan kerken waren vrijgesteld.

De Vrije Gemeente was in 1877 opgericht en had in 1880 het kloeke gebouw van architect Gerlof Salm laten neerzetten. Ze had de pretentie de kerk van de toekomst te zijn. Een nieuw bloeitijdperk was immers in aantocht: de wereldhandel trok aan, de industriële bedrijvigheid groeide. Voor het eerst sinds de zeventiende eeuw barstte Amsterdam uit het korset van de oude singelgrachten – nieuwe stadswijken werden voorzien, prestigieuze attributen voor een wereldstad als het Paleis voor Volksvlijt, het Rijksmuseum en het Concertgebouw gebouwd of gepland.

Bij de dynamiek van wat wel de Tweede Gouden Eeuw genoemd werd, paste een geloofsleven op nieuwe grondslag, meenden de oprichters, twee voormalige hervormde dominees, de broers Reinhard en Herman Hugenholtz, daarin gesteund door een ruimdenkend en kapitaalkrachtig deel van de stedelijke elite. De Vrije Gemeente ging ambitieus van start: met een spreekgestoelte in plaats van een kansel, met een voorganger die niet meer in toga was gehuld, en met lezingen en debatten over maatschappelijke vraagstukken naast de godsdienstige bijeenkomsten. Afgezworen werden achterhaalde kerkelijke vormen als belijdenis, doop, avondmaal en Pinksteren. Naast de bijbel werden op zondag ook andere bronnen van spiritualiteit aangeboord, zoals boeddhisme, kunst en literatuur.

Het geschiedde alles vanuit een rotsvast vertrouwen in de Vooruitgang. De pelgrimstocht der mensheid was een machtig avontuur, waarin de menselijke soort zich – vrij naar Darwin – door de millennia heen had ontwikkeld tot een zedelijk bewust, denkend wezen. Zoals techniek en beschaving voortdurend voortschreden, zo zou ook het godsdienstig peil grote hoogten bereiken. Dat de moderne wereld in opbouw het wellicht zonder religie zou kunnen stellen, ging er bij de oprichters van de Vrije Gemeente niet in: wat was een leven dat uitsluitend door materiële overwegingen werd beheerst?

Small 02 01 ph hugenholtz jr stadsarchief rotterdam
Herman Hugenholtz omstreeks 1865 © Stadsarchief Rotterdam / Uitgeverij Bas Lubberhuizen

Het incident met Domela in 1884 is tekenend voor de dilemma’s waarvoor deze vooruitstrevende, veranderingsgezinde, liberale burgers zich aan het eind van de negentiende eeuw gesteld zagen. Want wat doe je, terwijl je de ambitie hebt midden in de wereld te staan, wanneer die wereld zich volstrekt niet ontwikkelt langs de opbouwende, harmonieuze weg die je voor vanzelfsprekend had gehouden? Domela Nieuwenhuis was in de begindagen van de Vrije Gemeente, toen hij nog Luthers predikant in Den Haag was, een welkom gastspreker geweest op zondag – als het om godsdienst ging, konden de vrijzinnigen wel een rebels geluid waarderen. Maar toen Domela zich steeds meer als atheïst en voorstander van klassenstrijd ontwikkelde, kwam er een eind aan de gastvrijheid – tot verontwaardiging van Domela, die het honorarium van een spreekbeurt goed gebruiken kon. Op 17 november 1884 haalde hij zijn revanche.

Het is voor ons in een nu sterk geseculariseerd Nederland moeilijk voor te stellen hoe godsdienstig Nederland was in de jaren 1870. In een stad als Amsterdam begaven honderdduizenden zich elke zondag naar de kerk en de predikant van hun keuze. Wat daar gepreekt en geleerd werd, was de kerkgangers geenszins om het even. In de Nederlands hervormde kerk woedde in deze jaren een heftige strijd tussen vrijzinnige dominees en gelovigen, zoals de ‘moderne’ dominees Hugenholtz, en de orthodoxen, ook wel ‘confessionelen’ genoemd.

Hervormde predikanten waren academisch geschoold en vaak aan de universiteit onder de indruk geraakt van de moderne wetenschap, zoals de bevindingen van Charles Darwin. Ze wilden de godsdienst ontdoen van achterlijk bijgeloof: de wereld en de mens konden niet in zes dagen geschapen zijn, Christus’ lichamelijke opstanding uit de dood was een wetenschappelijke onmogelijkheid. Moderne dominees bepleitten geen atheïsme, integendeel. Ze meenden dat het protestantisme zich moest aanpassen aan de tijd door nieuwe, vrije vormen van vroomheid. Sommigen spraken zelfs van een ‘Tweede Reformatie’: zoals Luther in 1517 was voorgegaan bij de slechting van ingeslopen bijgeloof en misbruiken in de roomse kerk, zo zou nu het kerkelijk leven gezuiverd worden van confessionele ballast.

Binnen de hervormde kerken troffen de ‘modernen’ machtige tegenstanders op hun weg: orthodoxe predikanten die wilden vasthouden aan het ‘geloof der vaderen’ en de geloofswaarden van de schrift. De orthodoxen wisten zich breed gesteund. In onze tijd associëren we de grote stad met vrijzinnigheid en secularisatie, maar voor het Amsterdam van de jaren 1870 ging dat niet op: de meerderheid der kerkgangers – arbeiders en andere ‘kleine luiden’ – zag niets in religieuze nieuwlichterij. Waar de vrijzinnigheid vooral de zaak was van de welgestelde, moderne burgerij voelde de grote massa van gelovigen niets voor het ter discussie stellen van geloofswaarheden. Wat had je als werkman aan een dominee die geen waarde hechtte aan ‘Jezus’ bloedoffer’ – de gedachte dat de Heiland door zijn lijden aan het kruis borg stond voor een kans op de eeuwige zaligheid, na een armelijk bestaan op het ondermaanse?

In de hervormde gemeente van Amsterdam woedde een kleine oorlog nadat daar in 1870 de ambitieuze jonge dominee Abraham Kuyper was toegetreden tot het korps predikanten dat bij toerbeurt de verschillende kerkgebouwen bespeelde. In 1886 zou dezelfde Kuyper zijn ‘kleine luiden’ meenemen in de grootste kerkscheuring uit de Nederlandse geschiedenis, en de gereformeerde kerken stichten. Maar in de jaren 1870 bestond zijn strategie nog goeddeels uit pogingen zijn moderne collega-predikanten de Amsterdamse hervormde gemeente uit te pesten.

Christus’ lichamelijke opstanding uit de dood was een wetenschappelijke onmogelijkheid

Het regende tuchtrechtelijke klachten bij de synode tegen de moderne preken – bijvoorbeeld als een moderne dominee de lichamelijke opstanding van Christus had verloochend. Orthodoxe ouderlingen versperden de moderne predikant soms de toegang, ontnamen hem halverwege de preek het woord, of weigerden bij de dienst met hem samen te werken. Als Herman of Reinhard Hugenholtz de beurt had, bleven de kerkbanken vaak akelig leeg.

Small 03 01 domela ca. 1888 rp f f18873 rm
Ferdinand Domela Nieuwenhuis omstreeks 1888 © Rijksmuseum / Uitgeverij Bas Lubberhuizen

In 1877 hadden de gebroeders Hugenholtz er schoon genoeg van. Zij namen ontslag en stichtten hun eigen religieuze vereniging, die overigens geen kerk mocht worden genoemd. Na veel opgewonden vergaderingen in zaaltjes, waar zich critici weerden die de broers van scheurmakerij betichtten, en atheïsten van de vereniging De Dageraad die probeerden het initiatief voor hun karretje te spannen, ging de Vrije Gemeente begin 1878 op zondagmorgen van start – in feestzaal Concordia, waar de knechts eerst de wufte sporen van het bal van de vorige avond moesten opruimen. Twee jaar later al was er het eigen gebouw, berekend op vijftienhonderd bezoekers – de leden van de Vrije Gemeente waren geenszins armlastig.

Het streven was een landelijke organisatie die de Nederlands hervormde kerk overvleugelen zou – je bent tenslotte de kerk van de toekomst of je bent het niet. Maar al meteen bij aanvang viel de animo bitter tegen. Van de duizenden Amsterdamse vrijzinnige hervormden in 1877 gingen er minder dan vierhonderd mee naar de nieuwe gemeente. Uit teleurstelling trok Reinhard Hugenholtz zich verbitterd terug. Zijn jongere broer Herman Hugenholtz (1834-1911) werd decennia lang de dominerende figuur in de Vrije Gemeente. Hij was een uitstekend redenaar en in zijn tijd bekend Amsterdammer – een gedenksteen voor hem bevindt zich in Paradiso achter de tafels van de geluidstechnici.

Het merendeel der vrijzinnigen bleef, uit onverschilligheid, in de hervormde kerk. Degenen die de orthodoxe scherpslijperij daar écht niet meer konden verdragen, stapten over naar de remonstranten. Het kwam niet tot een landelijk netwerk van Vrije Gemeenten. De geringe omvang was mede gevolg van het feit dat arbeiders en andere kleine luiden aan de Weteringschans niets te zoeken hadden: de Vrije Gemeente bepleitte de radicale scheiding van kerk en staat en deed in deze tijd zonder sociale voorzieningen van staatswege principieel niet aan armenzorg.

Al spoedig bleek dat de polsslag van de nieuwe tijd niet klopte waar de moderne gelovigen hem in 1877 vermoed hadden. Onder leiding van Abraham Kuyper – met zijn eigen krant De Standaard, zijn partij de arp en zijn Vrije Universiteit – ontpopte juist de protestantse orthodoxie zich tot een brede, machtige beweging, om over de pausgetrouwe roomsen nog maar te zwijgen. Het waren, in de woorden van Herman Hugenholtz, ‘de gezagsgodsdiensten’ die het kerkelijk pleit wonnen, en in 1901, met het eerste kabinet-Kuyper, zelfs de politieke macht in Nederland overnamen van de liberalen.

De maatschappelijke dynamiek voltrok zich bovendien in toenemende mate buiten het kerkelijk leven, op een manier waarvoor de in harmonische ontwikkeling gelovende liberalen van de Vrije Gemeente geen begrip konden opbrengen: de strijdbare arbeidersbeweging met haar atheïsme, de literaire provocaties van de beweging van Tachtig. Tot overmaat van ramp verloor de welvarende burgerij – waarvan de Vrije Gemeente het moest hebben – zich in de ene modegril na de andere: spiritisme, theosofie, christen-socialisme, Tolstoj, Rein Leven, noem maar op. ‘Het kerkje spelen heeft zijn tijd gehad’, constateerde Hugenholtz in 1906 mismoedig.

Dat zou zijn volgelingen er niet van weerhouden daarmee nog lang door te gaan – vanaf 1911 meer als een vrijzinnig protestants kerkgenootschap zonder revolutionaire pretenties. In 1965 verkocht de Vrije Gemeente haar gebouw aan de Weteringschans – het zou worden afgebroken voor een hotel, een plan dat krakers later verijdelden, opdat er een ‘beat-sociëteit’ kon komen. Van het geld liet men Gerrit Rietveld een nieuw onderkomen in Buitenveldert neerzetten, en daar werd de Vrije Gemeente slachtoffer van de algehele ontkerstening in de jaren 1960. Al na drie jaar verkocht men het nieuwe gebouw aan het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap, dat deze schepping van Rietveld overigens anno 2018 wil laten slopen. De Vrije Gemeente bestaat nog, als een kleine vereniging onder de naam VG Amsterdam.

In Nederland heeft zich voltrokken wat de moderne hemelbestormers in 1877 voor onwenselijk, en eigenlijk ook voor onmogelijk hielden: de godsdienst in al zijn vormen is een relatief klein en maatschappelijk marginaal verschijnsel geworden. Grappig genoeg echter vertoont – de islam even buiten beschouwing gelaten – wat er over is van religie in Nederland frappante gelijkenis met de vrije godsdienst zoals de Vrije Gemeente die bij haar oprichting voorstond. Eertijds machtige stromingen als hervormden, gereformeerden en roomsen zijn verschrompeld. Vrije geloofsbeleving – van ietsisme via meditatie tot allerlei kerkjes – is de norm. Vanaf de resterende kansels worden soms vrijzinnigheden verkondigd waar de gebroeders Hugenholtz nog van hadden opgekeken. Het is alles vrijheid-blijheid, maar franje – geen wissel op de toekomst meer.

Er schuilt iets aandoenlijks in het wedervaren van de Vrije Gemeente, waar men meende de toekomst te betrappen, om vervolgens te merken dat de wereld de andere kant uit ging. Je zou zelfs een parallel kunnen ontwaren met onze tijd: nog maar kort geleden leken democratie en vrede en internationale rechtsorde en een grenzenloos Europa te zegevieren; inmiddels dreigen zulke vanzelfsprekendheden ten onder te gaan in autoritaire regimes, oorlogen en nationalistisch particularisme. Het gebouw dat nu, met zoveel succes, al vijftig jaar Paradiso is, is ook een monument voor een mooie, teleurgestelde verwachting.


Van Raymond van den Boogaard verscheen begin deze maand De religieuze rebellen van de Vrije Gemeente: De vergeten oorsprong van Paradiso (uitgeverij Bas Lubberhuizen)