Reportage: Gazastrook

Schieten op de boodschapper

Voor buitenlandse correspondenten is het werken in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever uiterst gevaarlijk. Het Israelische leger en de Palestijnse Autoriteit verhinderen vrije verslaggeving. «Waterkanonnen zijn toch net zo efficiënt?»

«Waarde Palestijnse vrienden.» Met die woorden begon Riccardo Christiano zijn open brief op de voorpagina van het Palestijnse dagblad Al Hayat al Jedida (Het Nieuwe Leven). In de brief uitte de correspondent van Rai Uno in Israel felle kritiek op zijn collega’s van de commerciële Italiaanse zender Rete omdat die de lynchpartij van twee Israelische soldaten in Ramallah hadden gefilmd. De gruwelijke beelden werden wereldwijd uitgezonden, de Israelische regering maakte er zelfs een speciale video van die aan buitenlandse journalisten werd uitgedeeld. Christiano nam openlijk afstand van zijn collega’s en schreef dat hij de lynchpartij nooit zou hebben gefilmd omdat hij de Palestijnse Autonomie niet in discrediet wil brengen. Tevens biechtte de Italiaan op zich altijd aan de persvoorschriften van de Palestijnse Autonomie te houden.

In Israel en Italië werd woedend gereageerd op de onbezonnen actie van Christiano. De buitenlandse correspondenten in Israel noemden hem een matennaaier en een kontenlikker van de Palestijnse Autoriteit. De brief had een onverwacht effect: Italiaanse televisieteams en journalisten werd het werk in de Palestijnse gebieden praktisch onmogelijk gemaakt. De Palestijnen wisten nu zeker dat de gewraakte beelden door een Italiaanse cameraploeg waren gemaakt.

De beelden werden door de Israelische regering gebruikt om de moordenaars van de twee soldaten te identificeren en op te sporen.

Nog steeds vragen opgeschoten Palestijnen op dreigende toon of de crews uit Italië komen. Na de publicatie van de brief verlieten twee Italiaanse journalisten Israel omdat ze met de dood waren bedreigd door Palestijnen. Rai Uno floot de correspondent terug en het kantoor in Jeruzalem werd voor onbepaalde tijd gesloten. Bovendien trok het perskantoor van de Israelische regering Christiano’s accreditatie in.

Christiano had de brief ook naar andere Palestijnse dagbladen gestuurd, maar alleen Al Hayat al Jedida plaatste de brief. Het dagblad wordt grotendeels betaald door de Palestijnse Autoriteit. Hoofdredacteur Hafez Baghouti meent dat Christiano de brief schreef om het in Ramallah circulerende gerucht te ontkrachten dat Rai Uno de beelden van de lynchpartij aan de Shabak (de Israelische BVD) zou hebben gegeven.

Waarschijnlijker is dat Christiano — die altijd zeer goede contacten onderhield met de Palestijnen — uit paniek heeft gehandeld. Een week voor de lynchpartij werd hij tijdens rellen in Jaffa finaal in elkaar geslagen door Israelische Palestijnen die niet gefilmd wilden worden. Vermoedelijk dacht Christiano, die met ernstig oogletsel en een gebroken hand thuis zat, met de open brief te voorkomen nog een keer gemolesteerd te worden.

Als nooit tevoren worden buitenlandse correspondenten en Israelische en Palestijnse journalisten in hun werk gehinderd. Het Israelische leger, de Palestijnse Autoriteit, Israelische kolonisten en Palestijnse individuen maken het werken in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever gevaarlijker dan ooit.

Christiano was het doelwit geworden van Palestijnen en de persdienst van de Israelische regering. De Israelische regering suggereert voortdurend dat de buitenlandse correspondenten in Israel pro-Palestijns zijn. Zo moest Mike Hanna van CNN het publiekelijk ontgelden en werd zijn integriteit door veel naar CNN kijkende Israeli’s in twijfel getrokken. Charles Enderlin, de joodse correspondent van France 2 die verantwoordelijk was voor het uitzenden van de beelden van de dood van Mohammed al-Dura (het twaalfjarige jongetje dat in de handen van zijn vader stierf na door Israelische soldaten beschoten te zijn), is bedreigd door joodse kolonisten. Boven het kantoor van France 2 hangt sinds kort een beveiligingscamera. De kinderen van Enderlin, die al dertig jaar in Israel werkt, gaan nu onder bewaking naar school.

Begin november werd CNN-journalist Ben Wedeman neergeschoten bij de Karni-grensovergang tussen de Gazastrook en Israel. De Israelische kogel ging dwars door zijn kogelvrije vest heen. Wedeman overleefde de schietpartij.

Jacques-Marie Bourget van het Franse week blad Paris-Match werd op 21 oktober bij Ramallah neergeschoten door Israelische soldaten. In dezelfde maand werd Reuters-cameraman Mazan Dana in Hebron met een rubberkogel in zijn been geschoten, de volgende dag opnieuw, op dezelfde locatie en in hetzelfde been. Sinds 28 september, het begin van de ongeregeldheden, zijn minstens tien Palestijnse journalisten, werkzaam voor Associated Press, AFP, ABC en Reuters geraakt door Israelische kogels.

Overigens zijn veel Israelische journalisten, zoals Gideon Levy en Amira Hass van Ha'Aretz — de laatste woont in Ramallah en werkte jaren in de Gazastrook —, veel kritischer dan de meeste buitenlandse collega’s.

Journalisten worden tegen wil en dank betrokken bij de door Israel gelanceerde mediaoor log. In de optiek van de Israeli’s was de verslaggeving van de nieuwe intifada uiterst nadelig voor Israel, zeker na de wereldwijde vertoning van de beelden van het in koelen bloede doodschieten van de kleine Mohammed in Gaza. De lynchpartij in Ramallah werd daarom door premier Ehud Barak gretig uitgebuit. Tijdens de spoedconferentie in Sharm al Sheikh deelde een Israelische delegatie meer dan honderd videotapes (getiteld Palestijnse ophitsing) uit met de beelden van de lynchpartij en schietende Palestijnse politiemannen. Een knullig initiatief dat door de meeste journalisten werd weggehoond.

De meeste buitenlandse journalisten in Israel waren wat hun werk betreft sowieso al niet erg tevreden over de premier. Barak had in de afgelopen tweeëneenhalf jaar geen officiële regeringswoordvoerder voor de buitenlandse pers, om de simpele reden dat hij dat niet nodig vond. Tijdens de onderhandelingen in Camp David werden buitenlandse correspondenten uit Jeruzalem door de Israelische delegatie geschoffeerd en genegeerd, terwijl Israelische journalisten ongestoord konden smoezen met de onderhandelaars.

Baraks voorganger Benjamin Netanyahu werd dag en nacht bijgestaan door de zeer ervaren en uiterst scherpe Amerikaan David Bar-Ilan, voormalige hoofdredacteur van de Jerusalem Post. Bar-Ilan was aartsconservatief en verweet de buitenlandse pers anti-Israel te zijn, maar stond journalisten altijd te woord. Ook tijdens het bewind van Shimon Peres, Yitzhak Rabin en Yitzhak Shamir, de voorgangers van Netanyahu, waren er hulpvaardige persvoorlichters. Barak — zijn bijnaam in het leger was Napoleon — dacht alles alleen te kunnen klaren.

Pas na het wereldwijd uitzenden van de dood van de twaalfjarige Mohammed besloot Barak in te grijpen. Het incident werd het symbool voor de wrede wijze waarop Israel de nieuwe intifada onderdrukte. Ook in Israel zelf werd woedend en geschokt gereageerd op de beelden. Journalist/historicus Tom Segev bezocht de vader van Mohammed in een ziekenhuis in Jordanië en schreef een vlammend artikel in het dagblad Ha'aretz, waarin hij de langer dan een half uur durende schietpartij reconstrueerde. Segev kwam tot de conclusie dat de soldaten het jongetje bewust hadden doodgeschoten en eiste een diepgaand onderzoek. Buitenlandse correspondenten die bij de regering opheldering eisten, kregen nul op het rekest. De Israelische regering nam zelfs niet de moeite om de Palestijnse cameraman die alles filmde voor France 2 zijn versie van de schietpartij te vragen.

Vanaf dat moment brak er paniek uit bij Barak. Israel leek de mediaoorlog te verliezen, hetgeen ook was gebeurd tijdens de eerste intifada, en zette grof geschut in. Haastig werd een tsevet hasbara (informatieteam) in het leven geroepen. In allerijl werden tientallen mensen opgetrommeld en reisde Shimon Peres door Europa om het Israelische standpunt uit te leggen.

Sinds de geboorte van de tsevet hasbara worden buitenlandse journalisten bestookt met al dan niet gewenste informatie; correspondenten worden om één uur ’s nachts gebeld of ze de volgende ochtend een interview willen hebben met Dan Meridor, voorzitter van de commissie voor veiligheidsaangelegenheden, en ga zo maar door. Het Isrotel in Jeruzalem, strategisch gelegen naast het gebouw waar de buitenlandse media gehuisvest zijn, is ingenomen door bijna honderd leden van het informatie team. Dagelijks vinden hier persconferenties plaats en kun je terecht bij de aalgladde Nachman Shai, te elfder ure opgetrommeld als woordvoerder van de regering. Shai heeft heel lang volgehouden dat het Israelische leger niet met scherp schiet tijdens de rellen, hetgeen een pertinente leugen is.

Arnoud van Lynden, oorlogsverslaggever voor het nieuws van de Britse zender Sky, reed een paar uur nadat hij in Israel was geland met zijn cameraman naar Ramallah. Koud aangekomen bij de wegversperring van het Israelische leger werden hij en zijn cameraman door soldaten onder vuur genomen. Ze zochten dekking achter bomen en plukten de metalen kogels als aandenken uit de bast van de boom. Van Lynden: «Ik ben heel wat gewend na Bosnië, Irak, Libanon en Kosovo, maar ik heb nog nooit meegemaakt dat een leger bewust, en met scherp, op journalisten schiet. Die praatjes van Nachman Shai geloof ik wel. Ik snap niet waarom ze geen waterkanonnen inzetten, dat is toch net zo efficiënt?»

In het informatieteam van Barak is soms sprake van merkwaardige belangenverstrengeling. Zo is woordvoerder/kolonel Ra'anan Gissin in het dagelijks leven media-adviseur van Ariel Sharon, de leider van de oppositie in de Knesset. Een politiek verslaggever van het dagblad Yediot Achronot (Het Laatste Nieuws) loopt plotseling in militair uniform het standpunt van het leger te verdedigen. Ook Matty Harel (Martin Hertz), voormalig Nederlander, is nu tijdelijk woordvoerder van het Israelische leger. De importeur van porselein en badkamers loopt nog enigszins onwennig in zijn groene uniform door de Jerusalem Capital Studios aan de Jaffastraat in Jeruzalem. Harel: «Het doden van de kleine Mohammed in Gaza ligt gecompliceerder dan je denkt. Je moet de achtergrond begrijpen, de topografie van de Gazastrook kennen. Het is niet het volledige verhaal van de oorlog. Het is een momentopname. Maar ja, nieuws is nu eenmaal handel. Wij legerwoordvoerders kunnen hier niets tegen doen, deze beelden van de schietpartij staan bij iedereen in het geheugen gegrift.»

Harel heeft het moeilijk als legerwoordvoerder, want hoe verkoop je het feit dat een op oorlog getraind leger net als tijdens de eerste intifada met scherp op kinderen schiet? Waarom heeft Israel geen mobiele eenheid voor dit soort situaties? Harel: «Ellende, frustratie, een nachtmerrie. Het leger is nog steeds niet getraind op dit soort situaties. Het is alsof we niets hebben geleerd van de Intifada. Ik ben door de hele situatie overrompeld, dacht dat dit niet meer kon gebeuren na alle vredesakkoorden en de dood van Yitzhak Rabin. Een Nederlandse journaliste die mij interviewde sprak van ons ‹veroveringsleger›, dat ging mij echt te ver.»

Harel is niet blij met de Nederlandse actie Een ander joods geluid: «Nederlanders nemen het altijd op voor de underdog, dat is meestal een emotionele en geen rationele keuze. Zo'n initiatief krijgt natuurlijk veel aandacht van de Nederlandse pers. Aan de ene kant vind ik het een humaan gebaar, aan de andere kant hypocriet, goedkoop en populistisch. De initiatiefnemers van die actie zouden eens een weekje met ons leger mee moeten gaan, dan zouden ze wel anders piepen.»

De Israelische regering gaat hardnekkig door met de mediaoorlog. Vorige week berichtte Nachman Shai tijdens zijn zoveelste persconferentie dat de Palestijnse Autoriteit niet langer Israelische journalisten en fotografen wilde toelaten tot haar grondgebied. Shai liet een document zien van de naar zijn zeggen officiële Palestijnse persvereniging, waarin werd opgeroepen tot een boycot van Israelische media. Het document kwam echter van een van de vele Palestijnse persverenigingen en zeker niet van de Palestijnse Autoriteit.

Israelische collega’s zijn nog steeds werkzaam in de Palestijnse gebieden, al is de werksfeer niet bepaald prettig te noemen. Ze worden in ieder geval niet geweigerd door de Palestijnse politie. Het gros van de Palestijnse journalisten uit de Gazastrook en van de Westelijke Jordaanoever daarentegen kan Israel niet bezoeken vanwege de seger, de afsluiting van de gebieden door het Israelische leger. Het aanvragen van een speciaal pasje is een tijdrovende en vaak nutteloze handeling.

Shai roept regelmatig dat de Palestijnse Autonomie buitenlandse journalisten paait om zo een gunstige verslaggeving te krijgen. Maar de Palestijnse Autonomie heeft geen infrastructuur om de buitenlandse pers op professionele wijze te ontvangen. De Palestijnse perskaart, die tegen betaling in Ramallah kan worden opgehaald, is een lachertje en hoogstens nuttig als versiering van een wc-wand. Nooit vragen Palestijnse politiemannen naar de kaart, die hoogstens wat geld genereert voor de ambtenaren van het Palestijnse perscentrum. De persvoorlichters van Arafat organiseren regelmatig persconferenties en belangrijke personen kunnen zonder al te veel problemen worden geïnterviewd, al is openlijke kritiek op Arafat vaak uit den boze.

In de Palestijnse Autonomie zijn sinds 1995 meer dan vijftig plaatselijke journalisten gearresteerd en werden er meer dan twintig gemolesteerd door de geheime dienst en de politie van Arafat. Cameraploegen die de lynchpartij in Ramallah wilden vastleggen, kregen klappen van de Palestijnse politie en het merendeel van de videobanden werd geconfisceerd

De Stem van Palestina, Arafats radiozender, brengt live uitzendingen van schietpartijen tussen Israeli’s en Palestijnen. Martelaren worden opgehemeld met militaire marsmuziek op de achtergrond en regelmatig is er sprake van antisemitische ophitsing. Op twaalf oktober schoot Israel — het begrip «mediaoorlog» werd kennelijk letterlijk uitgelegd — raketten af op de zendmast van de Stem van Palestina in Ramallah, naar het voorbeeld van het Navo-bombardement op het gebouw van de Servische staats televisie in Belgrado. Een paar uur later was de Stem van Palestina weer in de ether.

De mediaoorlog is vooral door de Israelische regering ontketend. In de regel doen de buitenlandse journalisten in Israel hun werk zorgvuldig en zijn er geen openlijke pro- Palestijnse tendenzen. Hoogstens kun je in de bar van het American Colony Hotel in Oost-Jeruzalem, nadat er enkele borrels zijn genuttigd, nog wel eens kritische geluiden ten aanzien van Israel horen. Niet zo vreemd als je weet dat het Israelische leger regelmatig op de boodschappers van het slechte nieuws schiet.