Pleidooi voor de kloof tussen regering en burgers

Schieten op de pianist

Minister Pechtold heeft een Nationale Conventie aan het werk gezet om de kloof tussen Den Haag en de burgers te dichten. Maar is een pleidooi vóór de kloof niet gepaster? Dissident geluid uit de Conventie.

Den Haag kan beter weten. Op de gevel van het oude, zestiende-eeuwse stadhuis aan de Groenmarkt staat een verweerde inscriptie: «Ne Jupiter quidem omnibus», zelfs Jupiter kan het niet iedereen naar de zin maken. Teruggebracht tot een hedendaagse oneliner: schiet niet op de pianist, hij doet z’n best.Kennelijk hadden de verre voorvaders van premier Balkenende, minister Pechtold, vvd-aanvoerder Van Aartsen, oppositieleider Bos en al die andere Haagse politici en bestuurders al last van een hedendaags euvel: onvrede over politiek. Maar moest je dat niet op de koop toe nemen? Liet ook Jupiter niet steken vallen?Die gelijkmoedigheid is geweken. Al een tijdje windt Den Haag zich enorm op over de kloof met de rest van het land. Sinds Pim Fortuyn heet die grote afstand tussen bestuur en burger een probleem, een «gevaar voor de democratie» zelfs. Dus gonst het van ideeën, suggesties, voorstellen om «bruggen naar de samenleving» te slaan, om «de kaasstolp te verbrijzelen», om te «luisteren». Elke zichzelf respecterende partij heeft een interne democratisering ondergaan, de Tweede Kamer gaat de agenda laten bepalen door burgerinitiatieven en er is een speciale minister voor Bestuurlijke Vernieuwing, die er een «Democratische Vernieuwingsagenda» op nahoudt. Er worden studies gedaan naar kiesstelsels, volksstemmingen en gekozen burgemeesters. Er is een Burgerforum in oprichting en sinds een paar weken is er een Nationale Conventie aan het werk.Zo’n Conventie klinkt bijna revolutionair. Meer dan tweehonderd jaar geleden, op het toppunt van de Franse Revolutie, kondigde een Nationale Conventie een drastische democratisering van het ancien régime af, vergreep zich aan de monarchie en liet de koning onthoofden.

Z

o radicaal zal die verre Hollandse naneef niet uitpakken. Maar het kan wel gevaarlijk veel kanten op. Ingesteld door minister Pechtold heeft de Nationale Conventie op een werkbriefje als opdracht meegekregen «voorstellen te doen voor de inrichting van het nationaal politieke bestel die kunnen bijdragen aan het herstel van vertrouwen tussen burger en politiek».

In die missie klinkt een denkrichting door die lijkt op wat d66 al vanaf de oprichting verkondigt, die al jarenlang het debat over staatkundige vernieuwingen domineert en die alle problemen reduceert tot één kwestie: de kloof.De remedie lijkt simpel: wie burgers een grotere greep op bestuur en politiek geeft – via referenda, volksinitiatieven, gekozen burgemeesters, districtsgewijs gekozen kamerleden – verbetert de werking van de democratie. Maar de grootste fout die de Nationale Conventie kan maken is die kant op te gaan. Achter die denkrichting gaat een dreigend en modieus misverstand schuil, namelijk dat meer democratie ook betere democratie oplevert. Alsof meer verkiezingen, meer inspraak, meer medezeggenschap, meer opiniepeilingen, meer referenda en meer rechtstreeks gekozen bestuurders een garantie zijn voor fatsoenlijker, degelijker bestuur. Dat is net zo naïef als het voorspellen van de bevolkingsgroei aan de hand van het aantal ooievaarsnesten.Het tegenovergestelde is eerder het geval. Een land, een provincie, een stad gaat binnen de kortste keren lijden onder een overschot aan democratie. Een referendumdemocratie legt het bestuur lam. Wie heeft er nog zin in om zich sterk te maken voor iets wat noodzakelijk maar niet erg populair is? Is de populistische verleiding niet erg groot om kiezers naar de mond te praten? Worden burgers niet hoorndol van politici die bij van alles en nog wat op hun stoep staan om hun opinie te vragen?Wie om de haverklap naar de stembus wordt geroepen krijgt onherroepelijk de neiging om de kop in de wind te gooien en in de anonimiteit van het stemhokje kwajongensstreken uit te halen. Zoals de filosoof Frank Ankersmit schreef: «In een directe democratie kan de burger het zich permitteren een bruut te zijn.»Nog scherper formuleerde Gerrit Komrij het: «Sinds wanneer is het volk geen monster meer?» Dat getuigt – toegegeven – niet van een optimistisch mensbeeld. Maar is het daarom onwerkelijk? Heeft het volksgericht over de Europese grondwet niet allerlei, laten we zeggen puberale sentimenten losgewoeld? Heeft het onderbuikgevoel niet lelijk meegesproken?Nee, democratie is niet gebaat bij méér democratie.

A

chter de bestuurlijke vernieuwing zit nog een andere, veel grotere en zelfs tragische vergissing. Dat is dat de afstand tussen burger en bestuur een probleem is. Dat onuitroeibare romantische waanidee – burgers kunnen het best zichzelf besturen – berust op een misvatting over wat nodig is voor goed bestuur. Zo’n kloof is voor een democratie juist van vitaal belang. Sterker nog: het is nodig. Als die afstand niet bestond, zou hij bij wijze van spreken moeten worden gecreëerd Al was het alleen maar omdat besturen een vak is, een ambacht, door oud-senator Bas de Gaay Fortman ooit vergeleken met de «kunst van het ivoordraaien». We beslissen toch ook niet per referendum over medische operaties, autoreparaties of aanschaf van kunst?

De kloof is in Nederland eerder te klein dan te groot. Sinds ongeveer 1966 is de afstand tussen bestuur en burgerij alleen maar kleiner geworden. Vermoedelijk is die distantie nog nooit zo klein geweest. Den Haag houdt zich angstvallig klein, zo gewoon mogelijk. Toen een loslopende staatssecretaris een jaartje geleden suggereerde om bewindslieden weer aan te spreken met «Excellentie» werd hij bijna gelyncht: «Arrogant», «hooghartig».

In een spits boekje over Koning Burger maakt het Eerste-Kamerlid Jos van der Lans (GroenLinks) aannemelijk dat burgers zich ontwikkeld hebben van «onderdanen tot heersers». Daarentegen zijn politici van «heersers tot dienaren» geworden. Waar bestuurders zich uitsloven om het kiezers naar de zin te maken, gedragen burgers zich op het publieke domein als in een zelfbedieningszaak waar alles voor het uitkiezen is, waar alles op voorraad is, waar iedereen voor hen klaarstaat.Zou dat niet de kern van het probleem zijn? Dat de overheid veel te meegaand is geworden? Dat de politiek de zelf gecreëerde verwachtingen niet kan waarmaken? Dat niet iedereen tevreden gesteld kan worden? Dat burgers ook moeten inschikken? Dat er soms lastige keuzen gemaakt moeten worden?
En vergt dat niet een behoorlijke afstand, voldoende om elkaar niet in een permanente houdgreep te hebben?

E

en kloof is nodig om een land als Nederland evenwichtig en fatsoenlijk te besturen. Je kunt het nog het beste vergelijken met een weegschaal, waarbij de burgerij en het bestuur elkaar al schommelend in balans houden. Door om de vier jaar de zaak op te schudden, voorkomt de kiezer een altijd corrumperende alleenheerschappij van wie dan ook. Door vier jaar lang het bestuur uit te besteden aan politici valt het land niet zo gemakkelijk ten prooi aan allerlei grilligheden of andere onverwachte uitschieters. Per saldo maakt het nét dat beslissende verschil uit waardoor Nederland kan terugzien op een vreedzame, welvarende, fatsoenlijke geschiedenis.

Geen misverstand. Deze nauwelijks verkapte heiligverklaring van de representatieve democratie staat een kritische «doorlichting» niet in de weg. Op sommige punten kan het beter: als het gaat om activering van het burgerschap, om staatkundige vorming, om de positie van de Tweede Kamer, om de plek van de Eerste Kamer, om parlementaire bevoegdheden, om de rol van politieke partijen, om de verhouding tot Europese instellingen. Daarom is het nuttig op zoek te gaan naar evidente knelpunten en concrete oplossingen, oplossingen die de hoofdrolspelers in een representatieve democratie – het parlement, de regering en de kiezer – in staat stellen het nog beter te doen in het theater van de staat.Iedereen zal z’n eigen rol hebben te spelen: op het toneel, achter de schermen, als souffleur, toekijkend vanuit de zaal, op het schellinkje. Er zijn zelfs kritische recensenten nodig. Om die rol goed te kunnen spelen, moet er afstand zijn, behoorlijke afstand.Zo’n kloof veroorzaakt helaas ook enig ongemak. De burgerij moet zich van tijd tot tijd beslissingen en maatregelen laten welgevallen die haar niet aanstaan. Bestuurders zullen hebben te leven met gemor. De politiek blijft een mikpunt van alles wat fout gaat.Wie het te gortig wordt, moet maar even langs het oude stadhuis van Den Haag gaan, om zich te herinneren dat het altijd tobben blijft.=
Jan Schinkelshoek, directeur communicatie

van de Rabobank en oud-hoofdredacteur van

De Haagsche Courant, is lid van de Nationale Conventie