H.J.A. HOFLAND

Schietmemoires

Dit is een kort verhaal van Anton Tsjechov. Een wat armzalig mannetje loopt met zijn zelfgemaakte geweer door het bos. Ziet een spreeuw, schiet het beestje dood. De boswachter heeft het gezien, het mannetje wordt gearresteerd, moet voorkomen. Daar zit de rechter, onaantastbaar. ‘Waarom heb jij deze misdaad aan een weerloos beestje begaan! Jij bezetene!’ roept hij. ‘Wat is je verklaring?’ Het mannetje zegt: ‘Edelachtbare, ik moest schieten.’
In Mijn laatste snik, discrete herinneringen vertelt Luis Buñuel: ‘Reeds op zeer jeugdige leeftijd had ik een levendige belangstelling voor vuurwapens. Nauwelijks veertien jaar oud wist ik een kleine browning te bemachtigen die ik altijd bij me droeg – stiekem natuurlijk.’ Zijn moeder merkte het, maar hij wist zijn kostbare bezit te redden. Later pakte hij, ook stiekem, het grote pistool van zijn vader en ging samen met zijn vriendje Pelayo buiten de stad oefenen. Dat wil zeggen, Luis speelde dat hij Wilhelm Tell was en het vriendje zette een appel op zijn hoofd. Het is goed afgelopen.
Schieten is een genot. Je hebt er niet per se een vuurwapen voor nodig. Om te beginnen neem je een stukje papier van ongeveer acht bij acht centimeter, je rolt het diagonaalsgewijs zo stevig mogelijk op en dan vouw je het precies in het midden tot een scherpe V. Nu heb je een elastiekje nodig. Dat span je tussen duim en wijsvinger, je legt het projectiel tegen het elastiek, je trekt het zo ver mogelijk naar je toe en je laat los. Heb je een beetje routine opgebouwd, dan raak je nog een doel op tien meter afstand.
Zelfs de primitiefste vorm van schieten verleent de mens een goddelijke macht. Iedere god dankt per slot van rekening zijn almacht aan een soort afstandbediening. Hij schept, vernietigt, beloont, straft, bestiert alles vanaf Zijn troon. Niemand heeft Hem ooit gezien, wat de gelovige niet verhindert om door middel van gebeden, offers, een braaf leven Zijn overigens onbegrijpelijke besluiten te beïnvloeden. Het schieten is een primitieve, rechtlijnige vorm van afstandbediening, waarbij de schutter desnoods in het verborgene zijn werk kan doen, en als hij het goed doet, is het resultaat vernietigend. Schietend is hij even een god in miniatuur geworden.
Mijn schieten is begonnen toen ik een jaar of acht was. Van de vingerkatapult met het elastiekje vorderde ik snel tot het primitieve blaasroer: een buis van een halve meter en een diameter van ongeveer een centimeter. Het projectiel was een van papier gerold trechtertje. Met een krachtige ademstoot blies je het naar zijn doel. Het blaasroer schoot zuiverder dan de vingerkatapult. Sommige ambitieuze vriendjes rolden een speld in de punt van het trechtertje. Bij mijn weten zijn er geen ongelukken mee gebeurd. Maar onthoud dit: alle schieten is gevaarlijk.
Op mijn twaalfde verjaardag kreeg ik mijn eerste windbuks, een Diana nummer 10, een soort voorlader, een gebrekkig wapen met een omslachtige manier van laden. Eigenlijk schaamde ik me ervoor, maar in ieder geval was het een buks. In de tuin ging ik op jacht. Op het hek zat een mus. Ik legde aan, keek naar de kop van het vogeltje, een mannetje met zwart befje. Ik haalde de trekker over. Hij tuimelde achteruit en viel. Ik liep naar mijn prooi. Hij sperde nog twee keer zijn snavel open en stierf. Nooit of zelden heb ik zo’n onmetelijke spijt gehad. Nooit meer, nam ik me voor, zal ik op een levend wezen schieten. Dat is me tot dusver gelukt. Die mus heeft me tot pacifist gemaakt.
Maar de lust tot schieten was niet verdwenen. Omstreeks mijn vijftiende was ik lid van een jongensbende die in oorlog was met een andere jongensbende. Schelden, stenen gooien, vechten. Om aan deze strijd definitief een eind te maken hebben we toen het ultieme wapen gebouwd: de monsterkatapult. Op het onderstel van een kinderwagen hebben we een balk van een meter of twee bevestigd, met aan het ene eind een fietszadel, halverwege een voetensteun en aan het andere eind een V-vormig stuk ijzer. Aan deze V werd een doorgesneden binnenband van een fiets bevestigd, met in het midden het ‘leertje’ voor het projectiel, een flinke kiezelsteen.
De monsterkatapult werd voor het eerste proefschot in stelling gebracht, aan de rand van de stad. In de verte de achtergevels van de eerste huizen. Ik ging in het zadel zitten, legde een mooie kiezel in het leertje, leunde achteruit en liet los. Een paar seconden gebeurde er niets. Opeens glasgerinkel. We beseften dat we met de monsterkatapult een raam kapot hadden geschoten. We maakten een vreugdedansje om het ultieme wapen. Niet uit geslaagd vandalisme, maar omdat deze constructie zo feilloos had gewerkt.
Vrijwel meteen na de Tweede Wereldoorlog begonnen we onze eigen oorlog tegen de Republiek Indonesië. In 1948 moest ik in dienst, leerde schieten met een geweer, de Lee Enfield, en een machinegeweer, de Bren. Het geweer deed me geen plezier, het was een onesthetisch wapen, maar schieten met de Bren was een genot. Tot mijn verdriet werd ik ten slotte ingedeeld bij een peloton mortieristen. Een mortier hoort tot de familie van het krombaangeschut. Je hoeft je doel niet te zien, je neemt het niet ‘op de korrel’; je hebt er ingewikkelde richtmiddelen voor nodig. Dan laat je het projectiel, een soort bommetje, in de loop vallen. Voorzichtig! Het vliegt er meteen weer uit en veel later hoor je misschien van een waarnemer of je raak hebt geschoten. Voor de bediening van een mortier zijn op z’n minst drie man nodig.
Het genot van het schieten is strikt individueel. Je kunt het alleen ervaren met vlakbaanwapens: katapult, blaasroer, pijl en boog, revolver, pistool, geweer, machinegeweer. In de jaren vijftig en zestig waren in Frankrijk alle vuurwapens gewoon te koop. Ik had er in een redelijk vrije natuur een huis. Een klein arsenaal heb ik daar toen opgeslagen. Ik ging in Amerika wonen; nog vrijer. Ik heb nog overwogen een AK-47 machinepistool aan te schaffen, maar daarvan afgezien omdat intussen de eerste vliegtuigkapers waren verschenen. Je kon zo’n wapen niet meer aan boord smokkelen. Het Franse arsenaal heb ik weggegeven. Ik zwicht alleen nog voor mijn lustverlangen op de kermis als ze daar een schiettent hebben.
Ook met het schieten zijn we in een ander tijdvak terechtgekomen. Aan Osama bin Laden hebben we het te danken dat zelfs een zakmes verdacht is geworden. En hoe dat komt, valt buiten het kader van deze beknopte memoires, maar ook onze westelijke wereld wordt steeds rijker aan halvegaren die zich voor hun gemiste kansen revancheren door in het wilde weg, op school of op kantoor het vuur te openen. Het Columbine Highschool Massacre. Hoewel, André Breton beschouwde dit wilde schieten als de absolute surrealistische daad. Voor hem is het bij zijn theorie gebleven. Nu hebben we het digitale schieten, in de games, Grand AutoTheft en dergelijke meesterwerken. Ik heb het geprobeerd. Er gaat niets boven de echte knal.