Schijnbewegingen

Details en nog meer details toont Albrecht Dürer in zijn voorstelling van de geboorte van Christus. Eenzelfde precisie zien we bij Jan de Cock.

VOORDAT ALBRECHT DÜRER het tafereel van de geboorte van Christus kon opvoeren, moest hij de architectuur van het toneel ervoor in elkaar zetten. De kopergravure uit 1504 die de kunstenaar zelf Die Weyhnachten noemde, is een meesterstuk van ruimtelijke regie. De vervallen vakwerkhoeve links is gebouwd tegen een hoog stuk muur van een veel oudere ruïne. Een deel van de binnenplaats van dit zware gebouw, Romeins in stijl, zien we rechts in de prent. De waterput is nog intact: daar zien we een hurkende Jozef fris water in een kan gieten. Voor de biddende Maria en de boreling die voor haar op een steen ligt te spartelen, heeft Dürer (zoals dat hoort voor zo’n bijzonder moment) een voorname stille plek ontworpen: de rechthoekige portico onder het vakwerkhuis. Van de binnenplaats voeren traptreden naar deze open en toch besloten ruimte waardoor het sacrale karakter ervan wordt benadrukt. Ruimtelijk is de plek van Maria en Jezus in deze bedachtzame compositie de meest voorlijke, en ook ietwat verheven. De knielende herder achterin, net buiten de portiek, zit op een lager plan – ongeveer op dat van de houten stal in het schemerlicht waarvan we de os en de ezel nog kunnen zien.
Door de figuren zo rustig herkenbaar te placeren had Dürer geheel voldaan aan de eisen van het verhaal. Maar uit de afgemeten mise-en-scène van de ruimtes in de prent blijkt dat de kunstenaar veel verder gaande artistieke ambities koesterde. Zijn traktaat over het perspectief, Unterweysung der Messung, verscheen pas drie jaar voor zijn dood (1528) maar was natuurlijk een compact resultaat van alle kennis in een heel kunstenaarsleven vergaard. Hoe kon je voor de acteurs in een visuele vertelling een suggestieve bewegingsruimte zo construeren dat de vertelling overzichtelijk werd en levendig? In deze prent kunnen we zien dat Dürer wat dat betreft een bijzondere voorkeur had voor ruimtelijke schijnbewegingen. Hoewel bij de geboorte van Christus de figuren, naar de contemplatieve aard van de scène, vooral stil spel vertonen, heeft de meester er toch een opmerkelijke beweeglijkheid in weten te brengen – door in het decor een groot aantal opmerkelijke verschillendheden te laten optreden. Daar is bijvoorbeeld de stenen stevigheid van de Romeinse ruïne tegenover het gehavende voorkomen van het vakwerkhuis. Maar boven de binnenplaats is met scheve planken een krakkemikkig dakwerk aangebracht. Of kijk eens naar de put die zelf rond is terwijl het takelwerk tussen twee hoekige kolommen hangt die overhoeks op rechte sokkels staan, vastgezet door piramidevormige steunen. Achter de put een gebogen opening met daarin een getrapte structuur van blokken steen, alsmede een constructie van hout. Zo zit de prent vol inventies, contrasten en subtiele momenten: zoals het venster op de eerste verdieping van de hoeve waarvan rechts het luik dicht is terwijl links het luik naar buiten toe open staat en het raam naar binnen. Rondom de rustige aanwezigheid van de figuren heeft Dürer, voor wie Messung een passie was, dus perspectivische hoogstandjes en andere verrassende contrasten georganiseerd die het oog blijven bezighouden. Dat maakt de onuitputtelijke levendigheid van deze prent.
Net zo gaat het toe in de constructies van Jan de Cock. Misschien heeft die wel nooit aan Dürer gedacht. Eerder moet zijn herkomst gezocht worden in de abstract-geometrische minimal art (Donald Judd, Sol Lewitt) of verder weg bij Rietveld of Vantongerloo. Alleen: met hen vergeleken is De Cocks werk rustelozer. Hij is een soort collagist geworden, bizar ook als Schwitters, van werken waarin ook fotografie optreedt als bepaling van inhoudelijke atmosfeer. Het zijn vaak scheve, frappante opnamen (meestal tot scherpe fragmenten versneden), nu vaak van gehavende architectuur in het voormalige Joegoslavië. Dat beladen materiaal verschijnt dan in spits geformuleerde constructies van hoekige stukken spaanplaat, in reliëf of driedimensionaal – in de witte ruimte van de galerie waar ik ze zag prachtig aaneengeschakeld, een verrassende choreografie van details. Bij het kijken dacht ik aan Dürer: aan de meticuleuze precisie waarmee elk detail een eigen vorm en karakter heeft. Het oog zwerft overal maar dan merk je dat het ook door het ritme van de compositie wordt gestuurd. Alles is bedacht. Bij De Cock wordt het ritme van de blik regelmatig onderbroken door doorkijkjes. Zulke ruimtelijke schijnbewegingen geven de indruk dat je ook achter de dingen kunt kijken. De blik In deze werken stuitert de blik heen en weer. Misschien komt deze jonge Vlaamse kunstenaar, hoewel rusteloos en dus modern, ver weg en voorbij Dürer, eigenlijk wel voort uit de ragfijne glasheldere wereld van de Vlaamse Primitieven.

PS Jan de Cock is tot 6 maart te zien in Galerie Welters, Amsterdam