Schijnbewegingen

Door allerlei commissies in te stellen schuift het kabinet in de Miljoenennota de problemen voor zich uit.

WAAR LEDEN VAN de koninklijke familie zich aangetrokken voelen tot bloemennamen als ze een trustfonds in het leven roepen om belastingbetaling te ontwijken, heeft dit kabinet al sinds zijn aantreden een voorliefde voor termen die beginnen met de letter S om zijn diepere intenties kort en bondig samen te vatten.
Dat begon in 2007 bij het aantreden van de coalitie van CDA, PVDA en ChristenUnie met ‘Samen leven, samen werken’. In de Miljoenennota voor 2010 die het kabinet deze week presenteerde en verdedigt, zijn om de burger rijp te maken voor de barre tijden die gaan komen maar liefst vijf S’en van stal gehaald: schoner, slimmer, sterker, solide en solidair. Alsof er ook maar één partij voor het tegenovergestelde zou opteren: smeriger, stommer, slapper, nog een keer slap, en solistisch. Daarom zeggen die S-woorden ook niks. De vraag blijft: welke maatregelen vind je als politieke partij of regeringscoalitie nodig om al dat moois te bereiken, bij wie komt de pijn te liggen als het op betalen aankomt en hoe organiseer je dat voor je ingrepen draagvlak in de samenleving ontstaat en een meerderheid in de Tweede Kamer?
Dat bij de beantwoording van die vragen de onderlinge verschillen boven komen drijven, dat is juist waar politiek om draait – en er dan toch proberen uit te komen, met het risico dat dit niet lukt. Maar die fase wil het kabinet-Balkenende IV ontwijken door adviescommissies in het leven te roepen. Twintig maar liefst.
Voormalig GroenLinks-Kamerlid Wijnand Duyvendak liet vijf jaar geleden zien wat voor soorten tijdelijke adviescommissies er bestaan. Hij onderscheidde er drie. Weliswaar ging het toen om commissies met externe adviseurs en gaat het nu om ambtelijke commissies, maar zijn indeling is ook nu interessant. Je hebt commissies die onderzoek doen naar het verleden, zoals de commissie-Davids naar de politieke steunverlening aan de inval in Irak. Dan zijn er ijskastcommissies, die in het leven worden geroepen om problemen waar de politiek niet uitkomt in op te bergen, zoals met het ontslagrecht is gebeurd. De derde soort is de massagecommissie, bemand door oud-politici als Elco Brinkman (CDA), Hans Alders (PVDA) en Loek Hermans (VVD). Die moeten een probleem waarover de politiek zelf niet de knoop durft door te hakken nog eens bekloppen, bepraten en bestuderen om dan, alsof er een heel nieuw politiek feit ligt, na afloop te roepen: eureka, dit is de oplossing! De politiek kan zich er dan vervolgens achter verschuilen.
Het kabinet heeft er nu een nieuwe, vierde soort aan toegevoegd: de schijnbewegingcommissie. Die zit tussen de ijskast- en de massagecommissie in. Gezien het miljardentekort en de voortdurende economische crisis, gevoegd bij de klimaatproblemen, de energiecrisis, de voedselcrisis en de vergrijzing, weet het kabinet ook wel dat het de problemen niet in de ijskast kan zetten. Het afschuiven op externe adviseurs, waardoor die partijgenoten – zoals Duyvendak dat noemde – schaduwmacht krijgen, durfde het kabinet ook niet. Dat zou tot nog meer kritiek over niet regeren leiden.
Dus mogen de ambtenaren het massagewerk nu gaan opknappen: ze moeten forse bezuinigingen zoeken en niks is meer heilig of taboe. Het kabinet denkt daarmee te laten zien dat het zelf de politieke verantwoordelijkheid houdt, maar dat nog veel studie nodig is. De hypotheekrenteaftrek, de huurmarktliberalisatie, een flexibele arbeidsmarkt, het vergrijzingsvraagstuk, de klimaatoplossingen – het is echter allemaal al uit en te na bestudeerd. Daar zijn geen commissies meer voor nodig. Feitelijk schuift de coalitie de problemen voor zich uit. Tilt ze pijnlijke ingrepen over de verkiezingen van 2011 heen. Een van de gedachten daarachter is dat het niet netjes is kiezers met ingrijpende maatregelen te confronteren waarover in het verkiezingsprogramma van een van de coalitiepartijen in 2006 nog niets stond of zelfs het tegenovergestelde. Dat klinkt nobel en democratisch. Maar het houdt in dat een kabinet, geconfronteerd met uitzonderlijke situaties, zoals nu met de gevolgen van de kredietcrisis, zichzelf vleugellam verklaart. De werkelijke reden is dan ook een andere: angst. Angst voor een kabinetscrisis, voor intern partijgekrakeel, voor een slechte stembusuitslag in 2011, voor de kiezer.
De gedachte achter dat laatste is dat de kiezer zou stemmen uit puur eigenbelang: zijn portemonnee. Uitgerekend vorige week hield de Belgische hoogleraar Mark Elchardus in een lezing in Den Haag politici echter voor dat dit hét dogma van deze tijd is en dat dit dogma niet klopt. We stemmen sociotropisch, een woord dat deze coalitie juist zou moeten aanspreken, en niet alleen omdat het met een S begint. Wat dat maatschappelijk belang is, hoe daarvoor gezorgd kan worden, daar willen de kiezers juist over horen, ze willen dat politici hen helpen bij het maken van keuzes. Het zijn dan ook niet ambtenaren die het massagewerk in de samenleving moeten gaan verrichten, maar de nu actieve politici zelf, dus ook de met ministeriële verantwoordelijkheid beklede politici en politieke partijen.
Uitstel is, Elchardus’ betoog doortrekkend, juist onverstandig. De kiezer is wel degelijk betrokken bij het publieke belang, maar wil weten hoe hij daaraan kan bijdragen via ingrepen in zijn hypotheek, zijn oudedagvoorziening, de leeftijd waarop hij stopt met werken, zijn reisgedrag, zijn energieverbruik, noem maar op.
Waarom het maken van keuzes dan vooralsnog overlaten aan de oppositiepartijen? Dat geeft ze wel erg veel ruimte, ook aan de partijen onder hen die proberen de onzekerheid bij de kiezer aan te wakkeren door vooral bezig te zijn met het aanwijzen van een zondebok voor de vele crises die op ons afkomen in plaats van met oplossingen.
Met de schijnbewegingcommissies zouden de coalitiepartijen zich wel eens in het eigen electorale vlees kunnen snijden, terwijl dat nu juist is wat ze ermee willen voorkomen.