Schijnconflicten

Die fundamentalisten weer, denkt men in Nederland over de onlusten in Istanbul. De bewoners van Gazi weten beter. Het gaat niet om alevieten en soennieten, het gaat om armoede en onvrijheid. En om de Turkse regering, die graag haar eigen problemen verdoezelt.
ISTANBUL - In 1972 stonden er slechts enkele huizen in Gazi, een wijk in het uiterste noorden van het Europese deel van Istanbul. Nu wonen in de half afgebouwde appartementen en huizen meer dan tienduizend mensen. De talloze binnenlandse migranten uit Varto, Malatya, Sivas, Tokat en Trabzon hebben hun huizen hier zelf gebouwd. De muren zijn beschilderd met leuzen van Dev- Sol (revolutionair links), TDKP (de communistische partij) en PKK (de Koerdische arbeiderspartij). Tachtig procent van de wijkbewoners is Koerd of aleviet en volgens de vakbond leeft zo'n zeventig procent van hen onder de armoedegrens.

Het is drie dagen na de beruchte twaalfde maart. Van tientallen winkels zijn de etalages vernield. Op verschillende plaatsen zijn nog de resten van barricaden en in brand gestoken autowrakken te zien. De bewoners lieten de politici die in hun wijk wilden bemiddelen, niet toe: ze waren boos omdat de politici de werkelijkheid verdraaiden. ‘We vertrouwen de huidige regering en politici niet. Ze spreken de waarheid niet. Het gaat hier namelijk niet om een religieus conflict tussen alevieten en soennieten. Het gaat heel duidelijk om een gewapende aanval van de politie op het volk’, zegt wijkbewoner Kenan. Een vrouw, op het punt in tranen uit te barsten: 'Ik ben aleviet, maar we hebben geen problemen met soennieten in onze wijk. We hebben wel problemen met de politie en met een aantal aanhangers van de Grijze Wolven van de MHP, de Nationale Actie Partij.’ Een soennietische winkelier in de wijk Gazi: 'Al meer dan tien jaar woon ik met alevieten in deze wijk. Tot de dag van vandaag hebben we gebroederlijk samengewoond en dat zullen we voortzetten. Het enige probleem in onze wijk is de werkloosheid en de armoede. De andere problemen zijn gecreeerd door politie en overheid.’
DE ONRUST IN Istanbul begon op zondag 12 maart toen een banketbakkerij en drie theehuizen in de wijk Gazi door onbekenden werden beschoten. Daarbij vielen twee doden. De wijkagenten hadden bij de aanslag alleen toegekeken. De volgende dag gingen duizenden woedende wijkbewoners de straat op. Zij demonstreerden tegen de houding van de politie. Tijdens deze demonstratie opende de politie het vuur op de betogers. Er vielen 28 doden en meer dan honderd mensen raakten gewond. Tweehonderd betogers werden gearresteerd. Journalisten werden mishandeld. Er werd een straatverbod afgekondigd. Op last van de overheid trok de politie zich terug en militairen namen de taak over. Niemand mocht de wijk in of uit.
In andere wijken en steden volgden spontane of georganiseerde protestacties. In de wijk Umraniye opende de politie eveneens het vuur op de betogers en ook daar vielen doden en gewonden. Dit bracht het totaal aantal doden boven de veertig.
Volgens mensenrechtenorganisaties, vakbonden en wijkbewoners is de aanslag het werk van de contraguerrilla, een geheime organisatie binnen politie en leger. Een soort staat binnen de staat met absolute macht. 'Een bakker of koffiehuis aanvallen waarbij de politie staat toe te kijken… deze methode komt me bekend voor. Dit gebeurt vaak in Zuidoost-Turkije’, zegt Ercan Kanar, voorzitter van de mensenrechtenvereniging IHD.
Veel Turken zien in het overheidsoptreden een aanwijzing dat diezelfde overheid achter de aanslag zit. De media kregen te verstaan dat het publiceren of uitzenden van beelden van het politieoptreden verboden was. De commerciele Kanal-D-tv werd gewaarschuwd door de mediacommissie nadat de zender beelden had uitgezonden van Fadime Bingol, een jong meisje dat door de politie was doodgeschoten. 'Ik mag geen commentaar leveren over die waarschuwing. Anders wordt ons tv-kanaal gesloten’, aldus een verslaggever van Kanal-D die anoniem wil blijven. Een verslaggever van het dagblad Milliyet: 'Ik heb gezien dat de politie een demonstrant doodschoot, maar ik mocht er niet over schrijven of er foto’s van publiceren.’
De Turkse media hielden zich braaf aan het verbod, tot woede van de bewoners van Gazi. 'Ben jij ook een knecht van de Turkse overheid? Waarom geven jullie onjuiste berichten?’ vraagt een jonge man mij kwaad. Mijn Nederlandse paspoort stelt hem gerust.
DE HEER CARALAN, hoofdredacteur van dagblad Butun Dunya, deelt de kritiek van de wijkbewoners: 'De Turkse media suggereren dat de gebeurtenissen voortkomen uit een schietpartij tussen politie en betogers, of een vechtpartij tussen alevieten en soennieten. Dat zijn onjuiste berichten. In werkelijkheid is het een duidelijke aanval van de politie. Ook berichten in de buitenlandse media doen geloven dat het fundamentalisme achter de aanslag zou zitten, of er wordt gesuggereerd dat het om alevitische onrust gaat.’ Caralan vraagt zich af waar buitenlandse media hun nieuws vandaan halen. 'Waarschijnlijk richten zij zich op de Turkse autoriteiten, maar dat zijn eenzijdige en onjuiste berichten. Als de Turkse overheid in moeilijkheden verkeert, leidt zij de aandacht af door het laten ontstaan van zogenaamde conflicten. Dat is niet de eerste keer. Hetzelfde gebeurde in 1978 in Maras en in 1979 in Sivas en Corum.’
Na de scheiding van religie en staat in 1923 had Turkije een nieuw bindend element nodig om de verschillende religieuze en etnische bevolkingsgroepen bijeen te houden. Als oplossing werd het Turkse nationalisme opgevijzeld, een nationalisme dat zich tegen de minderheden keerde. Het werd een bron van nieuwe conflicten en bevolkingsgroepen als alevieten en Koerden werden daar het slachtoffer van.
Ondanks de wettelijke scheiding tussen religie en staat, is de praktijk anders. De koranscholen en opleidingsinstituten voor gebedsleiders, gesubsidieerd door de overheid, schieten als paddestoelen uit de grond. Er zijn ook forse subsidies voor de bouw van moskeeen; elk jaar komen er vijftienhonderd bij. De imams worden ook door de overheid betaald. De alevitische gemeenschapshuizen daarentegen moeten zichzelf bedruipen.
In de afgelopen 35 jaar heeft het Turkse leger drie staatsgrepen gepleegd. Het leger beschouwt zich als bewaker van de Turkse staat en van het erfgoed van Kemal Ataturk. Na de staatsgreep van 12 september 1980 sloten de generaals een deal met de streng religieuze groeperingen en partijen: godsdienstonderwijs werd verplicht gesteld, in ruil voor steun. 'De Turkse staat heeft twee krukken: de ene is het geloof, de andere het militaire apparaat. Als een van de krukken wegvalt, stort het Turkse regime in elkaar. Dus de conflicten worden door de overheid zelf gecreeerd om het regime te laten voortbestaan’, zegt Muhammed, een van de schaarse kritische imams.
De autoriteiten wijzen steeds andere schuldigen aan in het drama. De ene keer zijn het de 'terroristen’ - PKK'ers en linkse groeperingen - de andere keer de Grieken. Griekenland was immers tegen de aansluiting van Turkije bij de Europese douane- unie.
'Onze overheid is kampioen in het vinden van dekmantels voor onze problemen’, constateert Levent Tezel, voorzitter van de juristenvereniging CHD. 'Inmiddels weet iedereen dat er in Turkije geen confrontatie is tussen alevieten en soennieten, maar een gevecht voor de vrijheid van meningsuiting, erkenning van politieke en culturele rechten van het Koerdische volk, voor mensenrechten, voor de opheffing van de politiestaat, vrijheid van vereniging en voor onafhankelijkheid van de rechtelijke macht. De strijd kortom voor een echte democratie.’