Schijnelite van valsemunters

Umberto Eco, De begraafplaats van Praag, € 25,-

In De begraafplaats van Praag zet Umberto Eco alle negentiende-eeuwse pionnen op hun plaats die in de twintigste eeuw genadeloos van tafel worden geveegd.

Eeuwen, net als decennia, zijn lang niet alleen aan exacte data gebonden. Het zijn ook gevoelslengtes. De twintigste eeuw begon in Sarajevo, in de zomer van 1914, en eindigde in Moskou, in 1991. De 21ste eeuw begon in New York, in 2001. Daar tussenin zat een gek vacuüm, wat een onderwerp op zich is en waarvoor iemand eens een goede naam moet verzinnen. Het is minder makkelijk de breuklijnen te bedenken die de negentiende eeuw omsluiten - Waterloo, 1815, zou kunnen, het revolutiejaar 1848 ook. Je zou zelfs in 1789 kunnen beginnen. Als je de historische atlas erbij pakt zie je bijna elk jaar grenzen verschuiven, als de imperiale mogendheden hun koloniale belangen opeisen in Afrika en Azië en in het hart van Europa prins- en hertogdommen worden samengesmeed tot houtje-touwtje koninkrijken (Italië, 1860) en keizerlijke molochen (Oostenrijk-Hongarije in 1867, Duitsland in 1871).
In wat voor fragmenten je de eeuw ook opdeelt, in elke tijdvak spelen moderniserende en conservatieve krachten haasje-over, en elke sociale klasse (en sekse) heeft het gevoel dat er een wereld verloren gaat. In zijn boek The Vertigo Years (2008), over het anderhalve decennium voor de Eerste Wereldoorlog, beschrijft historicus Philipp Blom met gevoel voor ironie de crisis waarmee de Franse man de negentiende eeuw eindigde en de twintigste eeuw inging: vrouwen begonnen hun rechten op te eisen, de teruglopende geboortecijfers deden een bijna landelijke impotentie vermoeden en slimme handelaartjes verdienden geld met ‘elektrische gordels’ en andere tovermiddeltjes die de 'manly vigour’ weer moesten opkrikken. De dreiging van de assertieve vrouw is terug te vinden in de defensieve, overcompenserende houding van de man, schrijft Blom. Er werd meer geduelleerd dan in de dertig jaar daarvoor, er waren raceauto’s en snelheidsrecords, er waren meer mensen in uniform op straat, 'there were chaps with bigger moustaches, body builders with bigger muscles, battleships with bigger guns’.
Geen wonder dat de ijsdood van de snelle, krachtige RMS Titanic het symbool werd voor tragedie. Freud zou dit symbolisme hebben begrepen, schrijft Blom, als hij geen kind van zijn tijd was geweest: het waren volgens hem niet de mannen die in paniek waren, maar de suffragettes die aan penisnijd leden.
De Italiaanse schrijver Umberto Eco geeft een voor hem karakteriserend geschiedenislesje over de rol van de vrouw, en daarmee de man, in zijn nieuwste roman De begraafplaats van Praag, waarin bovenal die negentiende eeuw de hoofdrol speelt. Eerst waren er de grisettes, ietwat dommige meisjes die zich op de boulevards lieten oppikken, enkel uit eenzaamheid, omdat hun minnaars vaak nog armer waren dan zijzelf. Daarna kwamen de lorettes, de biches en de cocottes, steeds in toenemende mate slagvaardiger dan de grisettes, die hun minnaars verlieten met kasjmier, strikken en volants. Daarna kwam de courtisane, die niets minder verwachtte dan diamanten en privé-koetsen, haar aanbidders kaalplukte en dan nog vaak onbevredigd en alleen achterliet. Wie is hier nou de minne sekse?
Eco laat De begraafplaats van Praag beginnen met de Krimoorlog (1853-1856, de eerste Europese oorlog sinds de val van Napoleon: ook een mooi moment om de negentiende eeuw te beginnen), waar de vader van de Turijnse Simone Simonini sneuvelt. Veertig jaar later woont Simonini in Parijs, waar hij zijn geld verdient met het doorverkopen van hosties en het vervalsen van notariële geschriften (zoals zijn leermeester het omschreef: 'Het moge duidelijk zijn dat ik geen vervalsingen maak, maar duplicaten van een authentiek document dat verloren is gegaan of dat ongelukkigerwijs nooit is opgemaakt, maar wel opgemaakt had kunnen of moeten zijn’) en hij terugkijkt op zijn leven. Het is een boertige figuur, met een afkeer voor elke etnische minderheid, joden in het bijzonder. Simonini heeft door dat er iets vreemds met hem aan de hand is: wanneer hij wakker wordt, blijkt dat hij dagen heeft geslapen, en is zijn huis gevuld met spullen en kleding die niet van hem zijn. Hij komt erachter dat hij zijn huis deelt met ene abt Dalla Piccolo, die hij nog nooit ontmoet heeft, en van wie hij vermoedt dat hij het zelf is. Simonini opent een schrift en begint zijn memoires neer te pennen, en vraagt Dalla Piccolo hem te helpen. Via het schrift reageren de twee persoonlijkheden op elkaar, waardoor de lezer een aanstekelijk metatekstueel verhaal krijgt voorgeschoteld, en zich continu mag afvragen wie liegt en wie de waarheid spreekt.
In deze meerstemmigheid schetst Eco een panorama van de negentiende eeuw dat leest als een avonturenroman (niet toevallig duikt Alexandre Dumas in persoon op), waarin de ene na de andere historische figuur acte de présence geeft, van de Weense doctor 'Froid’ tot de Russische vrijdenker Dostojevski. In dienst van de Piemontese geheime dienst bespioneert Simonini de roodhemden van Garibaldi, voor Napoleon de Derde infiltreert hij de Duitse geheime dienst, tijdens de Parijse Commune van 1871 werkt hij afwisselend voor monarchisten en potentiële koningsmoordenaars, voor de clerus en vrijmetselaars. Documenten worden gestolen en vervalst, verklikkers uit de weg geruimd - al zijn acties balanceren tussen kunde en domme pech, of nog dommer geluk.
Simonini is een opportunist, the guy you love to hate, die zich aansluit bij diegene die hem de grootste kans geeft om te overleven. Zijn verteltoon is typisch Eco: elegant, erudiet, met een kalme distantie en een ingehouden gevoel voor humor. Zijn omzwervingen zijn moeilijk bij te houden, maar altijd amusant. Het enige dat Simonini oprecht lijkt te interesseren is zijn jodenhaat, die hem ooit door zijn grootvader werd ingegoten. Hij bezoekt mensen als Maurice Joly en Edouard Drumont, wier teksten aan de basis stonden voor de sfeer van antisemitisme waarin de Dreyfus-affaire zich later afspeelde, en laat zich bestelen door Hermann Friedrich Goedsche, die zijn documenten die een zionistisch wereldcomplot moeten onthullen plagieert. Voor Simonini zit er niets anders op dan nog grotere, nog gevaarlijkere, nog meer omvattende joodse complotten te fabriceren en zo staat hij aan de wieg van de befaamde Protocollen van de wijzen van Zion.
In dat laatste is De begraafplaats van Praag te lezen als de vader, of grootvader, van Eco’s meest diepzinnige roman, het intellectuele doolhof De slinger van Foucault (1988). Hierin verzint een groepje redacteuren van een louche uitgeverij in een mallotige bui een geheim gezelschap, met als gevolg dat ze achterna worden gezeten door rozenkruisers, vrijmetselaars en andere sekteleden die weigeren te geloven dat de redacteuren het bedacht hebben, dat het geheim is dat er geen geheim is. En waar die sekteleden in De slinger nog dachten dat ze een millennia-oud gezelschap dienden, blijkt in dit nieuwe boek dat hun mythen en rituelen door Simonini, nog geen honderd jaar daarvoor, uit zijn duim gezogen zijn.
Zoals veel (of alle?) grote Europese schrijvers heeft Eco altijd geschreven in het verlengde van de Verlichting, over de botsingen van logica en wetenschap met bijgeloof en religie. In Baudolino (2000) draait de fantaserende titelfiguur de middeleeuwse historicus Nicetas Choniates een rad voor ogen. In Het eiland van de vorige dag (1994) navigeert een zeeman met wetenschappelijke precisie naar de internationale datumgrens, waar hij vervolgens denkt in het verleden te kunnen zien. In de roman waarmee hij doorbrak, De naam van de roos (1983), voerde Eco de strijd op van de vrijzinnige Franciscaner broeder William of Baskerville, die tegen de strikte kerkvoorschriften in met logica en deductieve vermogens een serie moorden oplost. Het leverde bijkans een van de meest inventieve whodunnits op sinds Oedipus, waar Baskerville’s logica lijkt te triomferen en de dader wordt ontmaskerd - maar wie goed leest ziet dat Baskerville van alles verkeerd interpreteert en toevallig op de juiste dader uitkomt. Logica, bijgeloof, toeval: drie grootheden die permanent in elkaar grijpen, als de voortdrijvende krachten werken in Eco’s kijk op de geschiedenis.
Hoe plaatst hij dan Simonini’s antisemitisme? Heel serieus wordt dit onderwerp nooit behandeld. Tijdens zijn gesprekken met mede-antisemieten zegt iemand: 'De joden, de vorsten van onze tijd. De revolutie van de vorige eeuw heeft Louis Capet de kop gekost, die van onze eeuw zal Mozes de kop kosten. (…) Wie zijn de joden? Al diegenen die de weerlozen, de gewone man uitzuigen. De protestanten, de vrijmetselaars. En natuurlijk de leden van het oude volk zelf.

  • Maar protestanten zijn toch geen joden? waagde ik op te merken.
  • Wie jood zegt, zegt protestant.’ Het zijn dit soort koddigheden die het boek amusant maken, maar ook lichtzinnig houden. De jodenhaat van Simonini is iets dat hem op de been houdt, iets dat zijn wereldbeeld bij elkaar trekt. In de wereld van Simonini is niemand vóór iets - iedereen is tegen iets. Zijn werkgevers zijn antiklerikalen, antimaçonnieken, anticommunisten, antimonarchisten, et cetera. Niet geloof of hoop floreert, maar angst. Antisemitisme uit angst, de joden als zondebok: het lijkt misschien wat azijnzeiken bij een boek dat je met zo veel plezier had gelezen, maar je zou net iets slimmers, net iets originelers verwachten bij een schrijver van Eco’s formaat (potentiële Nobelprijs?). De protocollen van de wijzen van Zion kostte het jodendom ook bijna de kop, Hitler geloofde er heilig in (in Mein Kampf: 'De protocollen zijn gebaseerd op een falsificatie, zo jammert de Frankfurter Zeitung elke week; en dat is het beste bewijs dat ze echt zijn’). Dat is de uiteindelijke waarde van De begraafplaats van Praag: het is geen verklaring van geweld, maar een voorstudie. Het zet alle negentiende-eeuwse pionnen op hun plaats die in de twintigste eeuw genadeloos van tafel werden geveegd.

UMBERTO ECO
DE BEGRAAFPLAATS VAN PRAAG
Vertaald uit het Italiaans door Yond Boeke en Patty Krone
Prometheus, 496 blz., € 19,95