Doodsklok voor de westerse militaire macht

Schijnoverwicht

De oorlog tegen Irak maakt duidelijk dat de militaire overmacht van het Westen groter is dan ooit. Maar die overmacht is relatief. Zoals vaker in de geschiedenis lijken terrorisme en guerrilla ook nu de langste adem te hebben.

Vanuit militair oogpunt was 2003 geen goed jaar voor het Westen. Natuurlijk, geen enkel westers land is militair aangevallen, maar dat betekent niet veel aangezien iets dergelijks niet meer is gebeurd sinds 1945. Het is ook waar dat vergeleken met 2001, het jaar waarin vliegtuigen neerstortten op het Pentagon en de Twin Towers van het Wereldhandelsgebouw, er betrekkelijk weinig terroristische aanvallen op het Westen hebben plaatsgevonden, en die waren bovendien relatief klein en lagen ver uit elkaar. Desalniettemin zal 2003 vrijwel zeker herinnerd worden als weer een stap naar verdere militaire achteruitgang van het Westen in vergelijking tot de rest van de wereld. Wie wil weten waarom, leze de rest van dit artikel.

Laten we beginnen met de volle helft van het glas. Als het gaat om het economische vermogen tot het bewerkstelligen van militaire macht — conventionele wapens, organisatie, technologie — en bovenal de mogelijkheid om macht te doen gelden buiten de lands grenzen, is de voorsprong van het Westen groter dan ooit. De oorlog tegen Irak maakte dat duidelijk zichtbaar. Geen enkel niet-westers land zou een dergelijke campagne aan het andere eind van de wereld kunnen hebben gepland en uitgevoerd. Dat geldt zelfs voor Rusland met zijn leger van meer dan een miljoen soldaten. Om maar niet te spreken van regionale machten als China of India.

De oorlog liet ook zien dat derdewereldlanden, waarvan de meerderheid geen beschikking heeft over het soort militaire technologie dat de VS en andere westerse landen bezitten (of zouden kunnen produceren of bemachtigen als ze zouden willen), simpelweg niet in staat zijn zichzelf effectief te verdedigen. Als Samuel Huntington met zijn beroemde boek over «de oorlog tussen de beschavingen» bedoelde te spreken over een gezamenlijke aanval van niet-westerse, islamitische of boeddhistische landen tegen ontwikkelde westerse landen, moet toch de conclusie zijn dat de militaire balans te scheef is om zo’n oorlog te laten plaatsvinden.

Conventionele gewapende macht vertegenwoordigt maar een deel van het verhaal, en niet per se het belangrijkste. Tientallen jaren heeft het Westen, met de VS aan het hoofd, geprobeerd nucleaire wapens uit handen te houden van derdewereldlanden. Het feit dat er maar drie van dat soort landen zijn die deze wapens in hun bezit hebben, bewijst dat die poging niet geheel zonder succes is gebleven. Hoewel er natuurlijk ook andere omstandigheden in het spel zijn.

Er zijn nu echter duidelijke tekenen dat de verschillende non-proliferatieverdragen op het punt staan te worden verbroken. Noord-Korea bezit al één à twee nucleaire wapens en heeft de raketten om ze tot in Japan te bezorgen. Iran doet ook wat het kan om kernwapens te ontwikkelen en heeft raketten getest met een reikwijdte van bijna dertienhonderd kilometer. De ervaring sinds 1945 leert dat vanaf het moment dat een land de beschikking heeft over kernwapens, dat land in militaire termen onaantastbaar wordt. Dit geldt ongeacht de slechtheid van hun leiders of de hoeveelheid gruwelijkheden die zij bedrijven. Zo gesproken is het Westen zijn conventionele voordeel aan het verliezen, of heeft het dat al verloren.

Wanneer je er vanuit gaat dat afschrikking het enige plausibele gebruik van kernwapens is, dan zijn deze ontwikkelingen te verdragen. Zelfs als Kim Jong-il de noodzakelijke langeafstandsraketten zou ontwikkelen, is er nog geen reële dreiging van een Noord-Koreaanse kernaanval tegen de VS, aangezien het antwoord op een dergelijke aanval het omtoveren van dat land in een radioactieve woestijn zou zijn. Evenzo geldt dat wanneer Mohammed Khatami beschikking zou krijgen over een atoombom het zeer onwaarschijnlijk is dat hij hem zou gebruiken voor iets anders dan zelfverdediging of in een situatie waarin alles verloren lijkt.

De verspreiding van terrorisme en guerrilla is veel problematischer. Zoals de historicus Walter Laqueur opmerkt, zijn beide vormen van oorlogvoering waarschijnlijk even oud als de geschiedenis zelf, in ieder geval zo oud als het Romeinse Rijk. Beide zijn gebruikt door vele volkeren, op vele tijden en plaatsen, soms met succes, soms zonder.

Je zou kunnen stellen dat vanaf het moment dat de Romeinen de opstanden in Spanje neersloegen tot de tijd waarin de Russen de Kaukasus medio negentiende eeuw bezetten, de bestrijding van guerrilla en terrorisme vaker succesvol is geweest dan niet. Zoals Laqueur ook aantoont waren de Europese machten zelfs tot de periode tussen 1918 en 1939 meestal in staat om een guerrilla oorlog, die tegen hen gevoerd werd door hun koloniale onderdanen, in de kiem te smoren. Maar toen al werd dat steeds moeilijker. Neem de Arabische opstand in het land van Israël tussen 1936 en 1939. Deels omdat er geen deugdelijk leiderschap was, was de opstand zwak en slecht georganiseerd. Zeer weinig rebellen hadden moderne wapens, en een nog kleiner aantal had enige militaire training gekregen. Toch waren er twintigduizend soldaten van ’s werelds best getrainde leger voor nodig om hen in drie jaar tijd op de knieën te dwingen. Het was zelfs zo dat toen de opstand eindigde aan vrijwel alle Palestijnse eisen, waaronder strenge beperkingen van joodse immigratie en een «ontwikkeling naar een soevereine staat», was tegemoet gekomen.

Twee jaar later bevond de Duitse Wehrmacht zich in dezelfde situatie na de bezetting van Joegoslavië. De Duitse invasie in dat land heeft vele parallellen met de recente Amerikaanse aanval op Irak, en is daarom interessant om gedetailleerder te bekijken. In beide gevallen overweldigde ’s werelds sterkste, modernste en best getrainde leger een klein geïsoleerd land. In beide gevallen had de vijand grote, maar technologisch achterhaalde gewapende krachten. In 1941 maakten vele Joegoslavische divisies nog gebruik van ossenkarren voor hun transport. In beide gevallen kwam de bezetter weg met een klein aantal slachtoffers en was de oorlog afgelopen in de loop van enkele weken: drie in het geval van Irak, twee in dat van Joegoslavië.

Vanaf het moment dat de Duitse gewapende divisies tot rust waren gekomen in Belgrado was het nog maar een kwestie van weken voordat zij verwikkeld raakten in een meedogenloze guerrillaoorlog. Op het hoogtepunt hadden de Duitsers samen met de Italianen, Hongaren en Bulgaren niet minder dan 29 divisies gelegerd in Joegoslavië. Er werd een marionettenstaat, Kroatië, gecreëerd om het vuile werk voor hen op te knappen. Er werd een Servisch-nationalistisch leger opgericht, de Chetniks. Omdat de Duitsers nu eenmaal nazi’s waren, gedroegen ze zich ook nog eens extreem wreed. Het totale aantal gedode Joegoslaven gedurende de drieënhalfjarige oorlog wordt geschat op achthonderdduizend. Mensen werden gemarteld, gijzelaars werden met duizenden tegelijk geëxecuteerd en hele dorpen werden met de grond gelijk gemaakt. Niets hielp. In plaats van te verzwakken en te verminderen werd het verzet krachtiger. Tegen het eind van 1944 zag de Wehrmacht, of wat ervan over was, zich genoodzaakt tot volledige terugtrekking achter de Oostenrijkse grens.

Vanaf dat moment heeft deze ervaring zich steeds weer herhaald. De Britten in Palestina, Maleisië, Kenia, Cyprus, en Aden; de Fransen in Vietnam en Algerije; de Amerikanen in Vietnam en Somalië; de Sovjets in Afghanis tan; de Indiërs in Sri Lanka; de Israëliërs in Libanon.

Allen leerden zij dezelfde les. Allen vertegenwoordigden in hun tijd het sterkste of bijna sterkste leger op aarde. Allen werden geconfronteerd met een vijand die, toen de campagne begon, niets voorstelde: klein van aantal, zonder geld, zonder organisatie, zonder training, zonder ervaring. Sommige guerrilla’s, de Vietcong bijvoorbeeld, droegen rare strohoeden en gebruikten oude autobanden als sandalen. Anderen, zoals de Afghaanse moedjahedien, konden nauwelijks lezen en zouden nooit leren opereren in groepen groter dan een enkele compagnie. Desalniettemin wankelde ieder conventioneel leger toen het zich geconfronteerd zag met een leger dat overal en nergens leek te zijn. Onnodig te zeggen dat ieder leger de oorlog zag eindigen in een complete nederlaag.

Verreweg de grootste antiguerrillacampagne die door een ontwikkeld land werd gevoerd, was die van de Amerikanen in Vietnam. Sommigen zouden zeggen dat de nederlaag in Vietnam een reden was geweest voor de Amerikanen om eens goed en streng naar zichzelf te kijken en het leger te hervormen. Anderen zouden zeggen dat de hervormingen die wel degelijk zijn doorgevoerd vooral gericht waren op het verkeerde soort conflict. In plaats van een manier te bedenken hoe een volgende guerrillaoorlog te winnen, deed het Pentagon net alsof guerrillaoorlogen niet bestonden. In plaats van serieus na te denken over manieren om terroristen te verslaan, be reidde men zich voor op een nieuwe conventionele oorlog op grote schaal in het «Central Theatre» Europa. Toen het moment daarvoor eindelijk kwam, werkte het systeem precies zoals gepland. De eerste oorlog tegen Irak leek op een olifant die een mier vertrapt. De tweede leek op een olifant die een mier vertrapt die al een keer eerder vertrapt was.

Toen reeds probeerden de meeste westerse landen, in ieder geval de kleinere onder hen, niet meer om militaire macht op enige schaal te doen gelden. Op zijn best opereerden zij onder de machtige Amerikaanse paraplu; deels in de hoop een zegje te kunnen doen in een afgedwongen vrede, deels als een verzekeringspolis voor het geval zij zich ooit zelf bedreigd zouden voelen. Zij waren veranderd in een levend Madurodam: mooi om naar te kijken, maar nauwelijks in staat tot het uitoefenen van enige militaire en daardoor politieke macht.

Om dit lot te ontlopen gaven de Verenigde Staten meer uit aan defensie dan de volgende twaalf westerse landen samen. Gezien de hoogte van hun uitgaven geloofden de mensen in Washington — vice-president Dick Cheney en minister Donald Rumsfeld van Defensie — dat het winnen van de veldtocht in Irak eenvoudig zou zijn.

Maar nu merken ze dat ze verwikkeld zijn in alweer een wrede guerrillaoorlog zonder eind in zicht. Zoals ook tijdens Vietnam levert het Pentagon een stroom van statistieken — zo en zoveel Iraakse politiemensen in dienst, zo en zoveel functionerende scholen, zo en zoveel wederopgebouwde ziekenhuizen — met de bedoeling om het volk te overtuigen dat de zaken volgens plan verlopen. Net als in Vietnam verwerken de grondtroepen de slachtoffers. Vanwege de vele verliezen zijn ze gedwongen tot het nemen van steeds extremere maatregelen. Onder meer gerichte moorden, het straffen van familieleden van vermoedelijke terroristen, het verwoesten van gebouwen, het volledig omringen met prikkeldraad van steden en dergelijke dingen meer.

Hoe extremer de maatregelen zijn die de Amerikanen nemen, hoe meer de bevolking hen haat en hoe makkelijker het wordt voor guerrilla’s, wie dat ook zijn, om nieuwe rekruten te werven. Ondanks de vangst van Saddam Hoessein is men in een vicieuze cirkel verzeild geraakt waaraan waarschijnlijk geen ontsnappen mogelijk is. Tot de Amerikanen Irak verlaten op de manier waarop ze Vietnam verlieten, dat wil zeggen hangend aan het landingsgestel van hun helikopters.

Zoals eerder gesteld hebben de meeste andere westerse landen al lang iedere pretentie opgegeven tot een militair vermogen dat hen in staat zou stellen een serieuze oorlog te voeren. Als het zojuist getekende scenario zou uitkomen, kan 2003 zeker gezien worden als het jaar waarop de VS hetzelfde deden. Als de eiken in het bos vlam vatten, wat moet het mos op de stammen dan doen? Als de grootste en rijkste macht die ooit bestond niet in staat is met haar gewapende krachten een handvol guerrilla’s het hoofd te bieden en haar wil op te leggen, wat is dan de reden om überhaupt een gewapende macht te onderhouden?

Rond oktober 2003 begon zelfs Rumsfeld zich zorgen te maken over deze vragen. Er werd een memorandum gelekt naar de media, vrijwel zeker als onderdeel van een of ander bureaucratisch gevecht. In dit document vroeg Rumsfeld aan zijn belangrijkste adjudanten of zij meenden dat het leger van de VS werkelijk het meest geschikte instrument was voor het bestrijden van terroristen en guerrilla’s. Of zij niet meenden dat zo’n taak niet eerder toevertrouwd zou moeten worden aan een nieuwe, veel wendbaardere organisatie. En vervolgens: hoe die organisatie eruit zou moeten zien, en hoe die zich zou moeten verhouden tot andere organisaties die verantwoordelijk waren voor de veiligheid van Amerika.

Op dit moment worden deze vragen, zowel in de VS als in andere westerse landen, grotendeels in de wind geslagen. Maar zoals de grote guerrillaleider Mao Zedong ooit zei: politieke macht komt uit de loop van een geweer. In Washington, evenzeer als in plekken als Londen, Parijs, Berlijn en zeker ook Den Haag, zouden de vragen van Rumsfeld moeten worden beantwoord, en snel. Zo niet, dan zou 2003 met de oorlog tegen Irak wel eens herinnerd kunnen worden als het jaar waarin de doodsklokken van het Westen begonnen te slaan.

Vertaling: Sjeng Scheijen