De mediakunstenaar

Schijnvertoningen

Wie als kunstenaar opzettelijk of per ongeluk ‘de media’ binnenwandelt, komt er niet meer uit. Zelfs prins Willem-Alexander is mediakunstenaar.Wie als kunstenaar opzettelijk of per ongeluk ‘de media’ binnenwandelt, komt er niet meer uit. Zelfs prins Willem-Alexander is mediakunstenaar.

Vlak voor de Tweede-Kamerverkiezingen presenteerde de Rotterdamse kunstenaar Daan Samson een kunstwerk, vervaardigd met hulp van toenmalig staatssecretaris Halbe Zijlstra. Het tweetal werd geportretteerd in stemmige pose, aandachtig bezig met het samenstellen van een ‘liberaal herbarium’. Volgens Samson besprak hij al doende met de staatssecretaris hoe planten onderling een bikkelharde strijd voeren om licht, ruimte en voedingsstoffen, en hoe het voor planten van levensbelang is om aldoor een voorsprong op concurrenten te houden, ‘… en dan vroegen wij ons hardop af: tjonge, welke voordelen zou het wereldje van de vrije kunst wel niet kunnen doen met ­dergelijke bevindingen?’

Het sarcasme had de ­culturele goegemeente onmiddellijk op de kast. ­Domeniek Ruyters schreef in Metropolis M dat hij er ‘onpasselijk’ van werd, dat een kunstenaar zich met de ‘beul’ van de cultuur inliet.

Nu had deze Samson, een eigengereide jongen, zich al vaker doen gelden als ‘neoliberaal’ en ‘welvaartskunstenaar’ met een goede neus voor de ideologische gevoeligheden van zijn kunstbroeders. Hij trok een dagje op met Frits Bolkestein (‘een luxueuze pamperdag’) en in Groningen organiseerde hij een ‘praaltocht’ met door het bedrijfsleven geschonken luxe-goederen (bladblazers, keukenmachines en Ferrari-rode buitenkeukens) die hij naderhand een plaats gaf in zijn eigen huis. Hier was een kunstenaar die voor de verandering de neo­liberale maatschappij van harte omarmde; hier is bovendien een kunstenaar wiens werk bestaat in termen van marketing en bedrijfscommunicatie, kortom: in ‘de media’, niet de galerie.

Of er echter zoiets bestaat als ‘mediakunst’, dat is niet zomaar gezegd. Een van de slacht­offers van Zijlstra’s beulswerk is het Nederlands Instituut voor Mediakunst (NIMk) te Amsterdam. Het NIMk, begonnen als Montevideo, nam een belangrijke positie in toen ‘video’ nog reuze bijzonder was en ‘nieuwe media’ nog werkelijk ‘nieuw’ waren. Inmiddels is ‘mediakunst’ overal. Iedereen die een laptop bezit en een handjevol software en/of een telefoon waarmee foto’s en bewegend beeld vervaardigd kunnen worden, kan zich kunstenaar noemen; wie een tumblr-account kan aanmaken heeft geen galerie meer nodig. ‘Mediakunst’ is door zijn bloei een overbodige categorie geworden.

Logisch, dus, dat een instituut voor ‘mediakunst’ in een pand aan de gracht kan worden gezien als uit de tijd. Classificaties in de kunst zijn tegenwoordig sowieso slagen in de lucht; in musea zal niemand meer een apart zaaltje voor ‘mediakunst’ inrichten. Daar moet juist worden nagedacht over de alomtegenwoordige vloeibaarheid van het beeld, en hoe die vloeibaarheid oude en ooit duidelijk afgebakende territoria als het onderwijs, de kunsten, de politiek, de wetenschap en de journalistiek beïnvloedt. Het museum wás daarvoor altijd een geschikte plek, maar inmiddels doet het alleen al qua faciliteiten onder voor YouTube, Sensation, imax, iPad, de universiteit of Lowlands.

In het woord ‘mediakunst’ zit verwarring verpakt, althans, als u gesteld bent op definities. ‘Mediakunst’ was altijd die kunst die digitale technologie toepast; tegenwoordig is het ook een praktijk waarbij kunstenaars ‘de media’ (het internet, televisie, de pers, de telefoon et cetera) gebruiken als bron, canvas en podium. Die praktijk is levendig, toegankelijk, schier eindeloos in zijn mogelijkheden, en in zijn praktijk opmerkelijk subversief.

Kunstenaars hebben via het internet en file-sharing networks toegang tot ongekend grote repertoria aan beeld, geluid, tekst, data, enzovoort, en zij copyen en pasten naar hartenlust. Dit heet ‘appropriation’, een aardige term die ergens tussen toe-eigenen, lenen en jatten in zit, en daarom noemen de kunstenaars het graag een ‘strategie’, dan wel een manier om ‘grenzen op te zoeken’, alsof het daarmee allemaal in orde is. Het tast het heersende begrip van auteurschap en copyright aan. Het leidt tot rare toestanden. Een oud maar trendsettend voorbeeld daarvan is After Sherrie Levine (2001) van Michael Mandiberg. In 1979 herfotografeerde Sherrie Levine de klassieke scènes uit de Amerikaanse depressiejaren die Walker Evans had vastgelegd en ze maakte er een boek van. Mandiberg nam Levine’s boek, scande de foto’s en zette ze op AfterSherrieLevine.com online. Hij nodigde de bezoekers van de site uit de foto’s zelf af te drukken, inclusief certificaat van echtheid, door henzelf te ondertekenen. Dat was niet stelen, vond Mandiberg, want hij hoefde er niets voor te hebben, Levine werd expliciet opgevoerd als eerste auteur, en aangezien Mandiberg zichzelf ook kunstenaar noemde moest een en ander worden gezien als een ‘mediakunstwerk’ op basis van ‘appropriation’ als strategie. Maar bovenal was het een grap, een ‘one-liner art prank’. Dat is overigens niets nieuws: dat begint al bij dada, en de grote collagemakers, die nog met schaar en gluton in de weer gingen, maar omdat de technologie nu universeel is en de reikwijdte onbegrijpelijk veel groter, sijpelt het al of niet humoristische ‘mediakunstwerk’ ook binnen in de verslaggeving, het nieuws en de werkelijkheid.

Een aardig voorbeeld is het geval Human Birdwings. In augustus 2011 presenteerde de ingenieur Jarno Smeets een weblog en een serie filmpjes op YouTube waarin hij zijn plannen uiteenzette om als in de tekeningen van Da Vinci te gaan vliegen op menskracht, tot dan toe een fysieke onmogelijkheid. Smeets gebruikte de volgers van zijn blog als bron voor zijn project. Hij stelde op fora vragen over materiaal en ontwerp, en kreeg van duizenden welwillende lezers advies. In maart 2012 toonde hij in een filmpje hoe hij een succesvolle test deed – 180.000 views – en op 20 maart maakte hij via YouTube zijn eerste succesvolle vlucht wereldkundig. De sensatie was compleet; de bbc en Fox News maakten er melding van. Daags daarna, bij De wereld draait door, meldde ‘ingenieur Smeets’ dat hij in werkelijkheid Floris Kaayk heette, en dat DIY Human Bird Wings een fictief project was. De hele zaak was een hoax, sliep-uit. Het plan was echter financieel gesteund door het eerbiedwaardige Mediafonds, dat in de flessentrekkerij een project met artistieke en culturele waarde zag omdat het de werking van internethypes bloot zou leggen. Dat is een discutabele positie: dezelfde artistieke en altruïstische positie wordt vaak geclaimd door hackers. Die zeggen ook graag dat het ze alleen maar om de demonstratie van zwakheden gaat, een vorm van burenhulp, zonder winstoogmerk, zonder schade.

Net als ooit de dadaïsten en de fluxus-kunstenaars kiezen mannen als Mandiberg, Kaayk en Samson een humoristische vorm van subversie, om de werking van de kunsten, de media en de ‘mediacraten’ ter discussie te stellen. Daar leent het internet, met zijn razendsnelle virals, zich natuurlijk goed voor. Ook de Nederlander trapt er gemakkelijk in. Als de kunstenares Tinkebell alleen maar zegt dat zij een handtas heeft gemaakt van haar kat, als kunstproject, dan is de wereld te klein. Of de tas en de kat bestaan doet niet ter zake (en ook niet dat Nederland zo’n vijf miljoen gefokte ‘pelsdieren’ telt, overigens): de uitspraak, gedaan voor een camera, is afdoende voor het bestaan van het mediakunstwerk. Dit soort interventies, die de mechanismen van pr, reclame, journalistiek en politiek vrolijk corrumperen, kunnen de mediacraten, de Pauwen en Wittemannen, gemakkelijk op het verkeerde been zetten. De vraag is dan of er ook echte veranderingen mee worden bewerkstelligd. Gooit de kunstenaar iets omver, of blijft de infectie bij een griepje? Heeft de mediakunstenaar effect, of juist per definitie niet?

De kunstenaar Jonas Staal maakte de macht van de media aan den lijve mee, als een systeem waarin, volgens Staal, het medium niet meer de intermediair is, verrekijker, filter, trechter, zeef, maar waarin het zelf wetten stelt ten aanzien van wat het behandelt en hoe. Daarmee raakt het systeem steeds sterker gevangen in zijn eigen weerspiegeling. Men nodigt een politicus uit en vraagt hem de zaak ‘in één zin’ uit te leggen, ‘anders begrijpt niemand er meer wat van’; een week later wordt een andere politicus verweten ‘dat hij alleen in oneliners spreekt’.

Staal nam in 2009 deel aan een discussie in Nova College Tour. Hij werd daar, vond hij, niet afdoende aan het woord gelaten en liep tijdens de uitzending weg – achtervolgd door een camera. Staal schreef later: ‘In de verschillende posities ten opzichte van mijn keuze het programma te verlaten, bleek er een constante te zijn: namelijk dat de betekenis van mijn handelingen in termen van performatieve kwaliteit werd benaderd. Als event dus, als kunstwerk.’ Het enkele feit dat hij kunstenaar was maakte dat het debat verwerd tot theater; zijn bijdrage stuitte ‘op de geschiedenis van het kunstenaarschap, van de kunsten, waarin het beeld nooit simpelweg datgene is wat “verschijnt”, maar waarin elk beeld in relatie staat tot andere beelden, tot andere verschijningen.’ Oftewel: wie als kunstenaar het spiegelpaleis van ‘de media’ binnenwandelt, opzettelijk of per ongeluk, komt er niet meer uit. Toen Staal de studio verliet belandde hij als vanzelf in de volgende, aan tafel bij Pauw ­Witteman. Hij was ‘media­kunstenaar’ geworden en van hem werd dus op z’n hoogst satire verwacht, geen diepgang, en zeker geen irritatie.

Daan Samson maakte in 2000 een serie foto’s, getiteld Papadag. Op één daarvan is te zien hoe hij zijn tweejarig zoontje aan de rand van een zwembad een handdoek aanreikt. Daarbij is Samson zelf gekleed in pak en das en jas, met zware manchetten en zwarte leren handschoenen – een ongewone en tikje lugubere situatie. Het leverde hem het verwijt op dat hij, de kunstenaar, zijn kind gebruikte voor gewin en ‘sensatiezucht’. Samson bevindt zich in die praktijk echter in goed gezelschap. Ook de kroonprins ziet er geen been in zijn drie dochters op gezette tijden voor de verzamelde fotopers te laten paraderen. Hij stelde dit jaar zelfs zijn eigen foto’s van de meisjes beschikbaar voor de productie van nationale postzegels, een mediakunstwerk van de eerste orde. Ook Willem-Alexander is mediakunstenaar geworden; en ook hij kan niet meer terug.