Media

Schijnwereld

Afgelopen week kreeg ik een prachtig rapport in handen over een onderzoek van een gerenommeerd onderzoeksbureau naar een belangwekkend maatschappelijk (media)thema. Ik bladerde het door en keek naar de fraaie grafieken, mooie plaatjes, prachtige kleuren en opvallend vormgegeven conclusies. Zoveel schoonheid moest wel wijzen op waarheid.

Deze onwillekeurige gedachte werd plotseling verstoord toen mijn oog viel op een formuletje in de kop van een van de pagina’s: N=5. Wilde dat zeggen dat de wijsheden op deze pagina gebaseerd waren op de uitspraken van vijf personen? Ik bladerde nog wat, bekeek de koppen van andere, niet minder fraaie pagina’s en inderdaad, keer op keer stond er een vergelijkbaar laag getal: N=8, N=13 en als hoogste N=30.

Dertig? Het onderzoek, zo blijkt uit de inleiding, was uitgezet onder achthonderd personen. Hoe die groep tot stand was gekomen en of hij representatief is, daarover geen woord. Van die achthonderd aangeschrevenen hadden 175 mensen de enquête geopend, van die 175 hadden 107 hem afgemaakt. Dat is 13,5 procent. ‘Een vrij hoge respons’, vermeldt het rapport in een voetnoot en voegt er trots aan toe: ‘De responsrate van webonderzoek ligt gemiddeld tussen 2-5%.’

Ik weet weinig van statistiek maar één ding weet ik wel: cijfers als deze zeggen niks. Maar een dergelijke uitkomst is voor een onderzoeksbureau vanzelfsprekend een onmogelijkheid. Geen rapport, geen betaling, geen betaling, geen bureau en dus is er maar één oplossing: tierlantijnen of wat NU.nl-datajournalist Jerry Vermanen met een lelijk woord op De Nieuwe Reporter onlangs ‘ver-mooi-ificering’ (in zijn geval van de journalistiek) noemde. Ik ben het volledig met hem eens, al zou ik eraan toe willen voegen dat je die opleukingstendens overal ziet. Als het er maar gelikt uitziet, aldus een dominante gedachte, dan is het goed.

Laat ik eerlijk zijn: ik trapte er enige jaren geleden ook wel eens in, bijvoorbeeld als het om studentenwerk gaat. Het maakt in eerste instantie namelijk nogal wat uit hoe iets oogt. Alleen woorden, soms zelfs op groezelig papier, of woorden te midden van een fraaie vormgeving, goede foto’s en sterke kleuren. Zo’n mooi opgemaakt artikel begin je toch net even anders te lezen dan een saaie versie. Maar in de loop van de tijd heb ik ontdekt dat je alert moet zijn. De best vormgegeven verhalen zijn vaak de slechtste. De student weet blijkbaar ook dat er iets mist en compenseert zijn tekort met krullen.

Als het geloof er is, volgt de rest vanzelf

Nu zou dat eventueel gedeeltelijk nog wel te billijken zijn als die krullen echt van hem of haar afkomstig waren – goede vormgevers, infographicmakers en beeldredacteuren moeten er tenslotte ook zijn. Maar dat is bijna nooit het geval. Iedereen kan de tierlantijnen met een druk op de knop uit het digitale kastje toveren. Dankzij mister Mac, misses Windows en hun concullega’s zijn we allemaal Leonardo da Vinci’s. Het kost heel wat moeite dat telkens weer te bedenken.

Sinds enige tijd valt ongeveer om de dag bij ons een brochure van een of andere verzorgingsinstantie in de bus. De frequentie is eenvoudig te verklaren. Wij wonen in een omgeving met nogal wat oudere mensen, de zorgmarkt staat op z’n kop, de zaak gaat over naar de gemeenten, de vergrijzing neemt toe, er valt in deze branche in de komende jaren veel geld te verdienen. In een denkbeeldig vroeger begon je een zaakje met één, twee, drie cliënten en probeerde je via mond-tot-mondreclame en eventueel een enkele advertentie in het lokale sufferdje verder te komen. Tegenwoordig gaat het anders. Je begint met een schitterende etalage, zelfs als je nog geen winkel hebt, hoopt dat mensen denken dat een fraaie etalage een garantie is voor een goede zaak en wacht af. Het is de omgekeerde werkwijze. Voorheen kreeg je een goed imago nadat en omdat je het had verdiend. Tegenwoordig creëer je eerst een imago en probeert vervolgens de werkelijkheid daarmee in overeenstemming te brengen.

We leven in een volstrekt gemediatiseerde cultuur. Sterker wellicht nog: we leven in een virtuele cultuur. De dingen oftewel het tastbare is in toenemende mate ondergeschikt aan het verhaal. Waar en niet waar zijn vlottende begrippen, werkelijk is een bijkomstige categorie. Het gaat allemaal om ‘geloof’. Als dat er is, aldus de gedachte, volgt de rest vanzelf.

De kern van bovengenoemd onderzoeksrapport wordt vanzelfsprekend bepaald door de drie genoemde tekens: N, = en het cijfer. Maar op de schitterende pagina’s vallen die tekens nauwelijks op, zoals het ook niet opvalt dat de prachtige vrouw van Facebook een lelijkerdje is of het uitvoerige cv op LinkedIn bij elkaar gelogen. Onlangs kwam ik voor het eerst het slimme en leuke woord hiernaastmaals tegen. Het drukt misschien wel het best uit waar het hier uiteindelijk om gaat: dat we in toenemende mate leven in een wereld naast de nuchtere, tastbare. Een schijnwereld. God is dood, leve het geloof.