Kunst - Bouguereau, de ultieme antimodernist

Schilder van het volk

De Franse negentiende-eeuwse schilder William-Adolphe Bouguereau is nauwelijks bekend. Toch is hij onderdeel geworden van een hedendaags cultuurkritisch debat over de juiste richting van de kunst.

Medium william adolphe bouguereau  1825 1905    nymphs and satyr  1873

Toen ik de zaal binnenkwam was ik verbijsterd. Dit was het laatste schilderij dat ik hier had verwacht. The 200 Greatest Paintings in the World heette de expositie van grote kleurenreproducties waar ik me bevond – vorig jaar te zien in een havenloods in Rotterdam en daarna in een evenementenhal in Aalsmeer. Iets voor de kinderen, dacht een vriend van mij, toen hij me er mee naartoe nam.

Eerst zag ik vooral namen die je in een dergelijk overzicht zou kunnen verwachten, de geijkte helden van de westerse kunstgeschiedenis: van Michelangelo tot Picasso, van Van Gogh tot Mondriaan. Maar ineens hing daar in dat zaaltje met negentiende-eeuwse afbeeldingen een schilderij dat tot voor kort onmogelijk in een dergelijk overzicht terecht had kunnen komen: Nymphes et satyre van de Franse schilder William-Adolphe Bouguereau.

Het werk is nauwelijks bekend in Nederland, en staat ver af van de Nederlandse traditie van sober realisme. Het is een enorm schilderij met daarop vier naakte vrouwen die een tegensputterende satyr in het water proberen te gooien. De lichamen zijn extreem geïdealiseerd, zoals dat bekend is uit het Franse neoclassicisme, maar tegelijk heeft de schilder er alles aan gedaan om de sensualiteit van de vrouwen te benadrukken. De eerste blikvanger op het doek is een flinke bilpartij, een van de meest pontificale achterwerken van de late negentiende eeuw.

Het is een schilderij waarvan je niet direct weet hoe je erop moet reageren: kun je erom lachen, mag je het bewonderen om de uitstekende techniek, of moet je het als kitsch afwijzen?

Bouguereau kwam ik voor het eerst tegen toen ik tien jaar geleden als kunstredacteur exposities van laat-negentiende-eeuwse kunst bezocht. Meestal ging het dan om de impressionisten en hun navolgers, Manet, Van Gogh, Cézanne, schilders die algemeen werden geprezen als het begin van de twintigste-eeuwse moderne kunst; soms om de symbolisten, ten slotte ook een soort vernieuwers. Tussen de bekende grootheden van deze periode doken er af en toe ook schilders op als Bouguereau, Gérôme en Cabanel.

Academische kunst, zo wordt hun werk genoemd. De term past goed bij de overheersende kunsthistorische mening erover. De benaming betekent dat de schilder vasthield aan oude regels in een dynamische periode van vernieuwing, het tegendeel van de meest gangbare ideeën over ‘goede kunst’. Nog iets kritischer is de term Salon-kunst, omdat ze precies de smaak trof van de Parijse Salon, een expositie die inmiddels synoniem is geworden voor slechte smaak en burgerlijkheid.

De academische schilders waren echter wel de bekendste van hun tijd – en niet Manet, Van Gogh en Cézanne, die destijds een min of meer marginale rol in de kunstwereld vervulden. Uitgerekend deze kunstenaars zijn daarom uitstekend geschikt om de snelle omslagen in esthetische smaak van de afgelopen eeuw te beschrijven – veranderingen die direct samenhangen met bredere politiek-maatschappelijke discussies.

Dat begint al in hun eigen tijd. Bouguereau’s overdadige stijl is niet los te zien van de strijd die eind negentiende eeuw in de kunstwereld losbarstte. Je zou zijn werk ‘modern antimodern’ kunnen noemen. Hij reageerde bewust op de opkomende artistieke vernieuwingen door juist het tegendeel te doen. Hij probeerde de oude academische traditie interessant te houden voor een publiek dat in feite meer moderniteit verwachtte. Hij overdreef de traditionele stijl, maakte de techniek spectaculairder, het naakt wulpser en de handelingen net nog wat sentimenteler.

Bouguereau’s werk was midden twintigste eeuw niet meer gewoon kitsch, het was zelfs een reactionair kwaad

Bouguereau werd miljonair dankzij Amerikaanse rijke industriëlen, en beroemd omdat de schilderijen op talloze reproducties werden afgedrukt. Een respectabel geleerde als de cultuurhistoricus Jakob Burckhardt, kenner van de Italiaanse Renaissance, zag Bouguereau niettemin als niets minder dan de redder van de Europese cultuur, tegenover de trivialiteit van de moderne kunst. Belangrijk vond hij het ook dat Bouguereau een breed publiek wist te bereiken; volgens hem was dat ook de taak van kunst.

En toen, na zoveel roem en eer, was het na zijn dood in 1905 snel voorbij. Zijn werk was midden twintigste eeuw niet meer gewoon kitsch, maar werd door leidende kunstcritici gezien als een reactionair kwaad dat hard bestreden diende te worden. Deze felheid was een direct gevolg van de ideologische debatten van de twintigste eeuw. Vooral na de Tweede Wereldoorlog overheersten in de kunstwereld progressieve idealen. Kunst uit de negentiende eeuw was het alleen waard om getoond te worden als hij een directe voorloper van de moderne kunst was. Hij diende vernieuwend, experimenteel of kritisch te zijn.

De ‘antimodernist’ Bouguereau werd uit de kunstgeschiedenisboeken geschrapt. Dus hoe kan hij een paar decennia later weer in een breed Hollands overzicht van de ‘tweehonderd beste schilderijen ter wereld’ terechtkomen?

Medium henk 20helmantel 20

Ik loop wat dichter naar de reproductie van Nymphes et satyre toe en lees het tekstbordje dat ernaast hangt. De tekst vertelt over de verrassende recente terugkeer van deze schilder in de publieke belangstelling, nadat hij eerst decennialang vergeten was. Zijn marktprijzen zouden in dertig jaar tijd ‘verduizendvoudigd’ zijn.

Ik herken de woordkeus, zo jubelend, wat overdreven ook. Thuisgekomen bel ik de organisatie van de expositie The 200 Greatest Paintings in the World op. En inderdaad: na even doorvragen blijkt de website van het Amerikaanse Art Renewal Center de doorslag te hebben gegeven om de schilder op te nemen, het centrum ‘ter vernieuwing van de kunsten’, dat een online archief van maar liefst tachtigduizend afbeeldingen heeft. Iedereen die naar negentiende-eeuwse schilders googelt komt vroeg of laat op een pagina van het arc terecht, en leert daar dat Bouguereau inderdaad tot de allerbesten ter wereld behoort. Het logo van de arc-website is Nymphes et satyre.

Op de website is een lijst te zien met een top-tien van ‘meest opgevraagde kunstenaars’. Op nummer één staat Bouguereau, op nummer twee de Engelse Fries Laurens Alma-Tadema, en derde is Jean-Léon Gérôme, alledrie bekend als academische schilders. Ter vergelijking: Rembrandt staat op deze website op nummer zeven en Leonardo da Vinci op acht – een rangorde die in geen museum ter wereld mogelijk zou zijn.

Het arc is geen neutrale website voor kunst. De initiatiefnemer van dit project, de Amerikaanse miljonair Fred Ross, heeft niets minder dan een missie, zoals hij me tijdens een interview bij hem thuis heeft verteld. Hij vindt dat het tijd is om de complete kunstgeschiedenis te herschrijven. Niet meer de geijkte ‘modernisten’ en hun voorlopers moeten een ereplaats krijgen, maar juist de academische schilders – die konden tenminste nog echt schilderen.

Moeilijke ‘subsidiekunst’ die in Nederland op een voetstuk stond, wordt tegenwoordig hard aangevallen

Het initiatief lijkt curieus, maar de invloed ervan is flink. De website heeft volgens de eigen statistiek maar liefst vijf miljoen bezoekers per jaar en de bijbehorende vereniging dertigduizend betalende leden. De miljonair staat met zijn opvattingen namelijk niet alleen. Hij is onderdeel van een onvervalst cultuurkritische beweging die in de 21ste eeuw een grote aanhang heeft gekregen – en Bouguereau speelt daar een hoofdrol in.

In het Hollandse overzicht van kleurenreproducties komt dan ook een aantal cruciale ontwikkelingen van de internationale kunstwereld samen. Allereerst sluit het keurig aan bij een verandering in de grote musea. De negentiende-eeuwse schilders van het grote gebaar, lang synoniem voor kitsch, mogen in de 21ste eeuw weer meedoen. Er worden inmiddels zonder problemen exposities georganiseerd over de Friese Engelsman Laurens Alma-Tadema, schepper van glimmend-glanzende taferelen uit de Romeinse Oudheid, en de Rus Ilja Repin, die dramatische doeken in sterk realistische stijl schilderde.

In de loop van de jaren negentig is de felheid over dit soort werk verminderd. Er ontstond een bredere ‘ont-ideologiseerde’ blik op de negentiende eeuw: niet alleen de voorlopers van de twintigste-eeuwse moderne kunst waren het waard om getoond te worden, maar ook diegenen waar ze zich tegen hadden afgezet: symbolisten, academici, kunst waarin niet per se het vormexperiment en vernieuwing centraal staan. Ook Bouguereau heeft op kunstveilingen al weer meer dan een miljoen opgebracht, en musea hangen hem in hun zalen; het Musée d’Orsay heeft sinds 2010 zelfs een heus Bouguereau-kamertje.

Deze herwaardering in de kunsthistorische musea verklaart echter niet waarom uitgerekend Bouguereau opduikt in een breed publieksoverzicht van de ‘tweehonderd beste schilderijen ter wereld’, en niet een andere Franse academicus. De schilder blijkt zelfs meer dan de andere ‘herontdekte’ negentiende-eeuwers als een uitdaging van de goede smaak te gelden. Want terwijl Repin en Alma-Tadema grote reizende solotentoonstellingen hebben gekregen, is dat bij Bouguereau de laatste jaren niet gebeurd.

Bouguereau blijkt daarentegen een nieuwe rol in het hedendaagse debat over de juiste richting van de kunst in te nemen. De herwaardering blijkt onder kunsthistorici een grens te hebben bereikt, maar bij het publiek heeft hij dat niet. In het Clark Museum, waar Nymphes et satyre zich bevindt, is het werk tot een publiekstrekker uitgegroeid. En in het prestigieuze Getty Museum in Los Angeles is een van zijn werken het op één na populairste doek van het museum geworden – na de Irissen van Van Gogh.

De nieuwe ‘postmoderne blik’ op de negentiende eeuw is voor fans als arc-voorman Fred Ross dan ook niet genoeg om de schilder recht te doen. Volgens Ross is Bouguereau het slachtoffer van een groot complot van het ‘officiële kunstestablishment’. Een eerste stap in de revisie van de kunstgeschiedenis heeft hij zelf al gezet: in 2010 bracht hij de eerste alomvattende catalogus over Bouguereau’s werk. De schilder wordt erin beschreven als een Robin Hood van de kunst, de held van het volk en de schrik van de moderne kunstelite.

Deze heroïek klinkt wat merkwaardig bij een schilder die zelfs in zijn geboorteland Frankrijk nauwelijks bekend is, maar in Amerika is dat anders. Daar worden al veel langer felle debatten over zijn werk gevoerd, zoals in het Getty Museum tijdens het speciaal georganiseerde ‘Great Bouguereau Debate’. Eind negentiende eeuw schreef een Amerikaanse journalist al: ‘Geen kunstenaar is zo populair bij de massa, en geen kunstenaar wordt zo veroordeeld door de modernen als Bouguereau. De mensen die ervoor staan zeggen: ik begrijp wat het is, ik vind het mooi.’

Nu blijkt hij opnieuw de rol van ‘schilder van het volk’ te kunnen spelen. Terwijl hij onder conservatoren bekritiseerd wordt om zijn ‘zoete Disney-stijl’ zegt Sarah Hall, curator van het prestigieuze Frick Art Historical Center, dat Bouguereau bij het publiek júist waardering oproept omdat hij het tegendeel is van de moderne kunst. Ze spreekt over het ‘dat kan ik ook’-effect van veel modern werk, terwijl Bouguereau bewondering opwekt door zijn uitstekende techniek.

Steeds werd Helmantel, held van het publiek, afgewezen omdat hij niet paste binnen de ­museale kunstopvatting

Via deze nieuwe rol kan Bouguereau vanuit Amerika weer terugteren naar Europa – zelfs naar Nederland. Ook Nederland kent al jaren een strijd tegen het ‘linkse kunstestablishment’. De in 2012 gestorven schilder en auteur Diederik Kraaijpoel was lang de bekendste strijder tegen de zogeheten ‘gevestigde kunstwereld’ waarin volgens hem subsidie, experiment en onbegrijpelijkheid hand in hand gingen. Het Kraaijpoel-statement was in de jaren negentig echter nog een verschijnsel dat in de marge kon worden weggedrukt, inmiddels blijkt het uitstekend bij een veel breder cultureel debat aan te sluiten.

moeilijke ‘subsidiekunst’, die in het naoorlogse Nederland steeds op een voetstuk heeft gestaan, wordt tegenwoordig hard aangevallen. In plaats daarvan ligt er nadruk op ‘publieksvriendelijke’ kunst: werk waarin de techniek centraal staat, de boodschap aangenaam is, de vorm vertrouwd. Parallel hieraan is op de kunstmarkt de opkomst te zien van allerlei hedendaagse vormen van traditionele schilderkunst. In Amerika is deze ontwikkeling het sterkst, maar ook in Nederland zijn er verscheidene galeries voor ‘traditioneel-realisme’ bij gekomen, en er zijn zelfs complete kunstbeurzen voor het genre ontstaan.

De gevolgen hiervan zijn ook in de musea te merken. De Groninger Henk Helmantel, schilder van stillevens en kerkinterieurs, is inmiddels een van de best verkopende kunstenaars van Nederland – en tegelijk het bekendste symbool van deze ‘andere kunstwereld’. Er werd in Groningen jarenlang fel over gedebatteerd of Helmantel als held van het publiek niet een plek in het museum verdiende; steeds werd dat afgewezen omdat hij te weinig paste binnen de museale kunstopvatting. In 2014 kocht het Groninger Museum voor het eerst een schilderij van Helmantel, en daarmee was een stap gezet die tien jaar geleden nog onmogelijk zou zijn geweest.

Bouguereau-fan Fred Ross sluit wat dat betreft direct aan bij dit Nederlandse debat. De arc-website is begonnen als een archief van negentiende-eeuwse ‘vergeten’ schilders, maar ontwikkelt zich steeds meer tot een platform ‘ter vernieuwing van de kunsten’. Het arc is de spil van een netwerk van scholen die hedendaagse ‘traditioneel-realistische’ schilders willen opleiden. Ross steunt dergelijke scholen van Sint-Petersburg tot Florence. Hij werpt zich op als een mecenas in het genre en geeft tienduizenden dollars uit aan beurzen voor realistische kunstenaars.

Precies daar ligt ook de taak die Ross aan Bouguereau toekent: hij wil hem tot nieuw kunsthistorisch ijkpunt maken. Tot nu toe kent de groeiende groep traditioneel-realisten te weinig voorbeelden waaraan ze zich kunnen meten, zegt hij. De negentiende-eeuwse schilder kan de nieuwe realisten leren hoe ze moeten werken: ‘Bouguereau is de filosofische leider van de hedendaagse realistische beweging, zo ongeveer als Van Gogh dat in de twintigste eeuw is geweest voor het modernistische kamp’, zegt Ross.

Het is dankzij de opkomst van het internet dat de ‘nieuwe traditionalisten’ in de 21ste eeuw ook echt een breed publiek weten te bereiken. Want de musea blijken niet meer de enige mogelijkheid voor de verspreiding van kunst. In de twintigste eeuw bepaalde een elite van kenners wat er getoond kon worden. Nu verliest die elite juist snel aan invloed – en wordt er makkelijker dan vroeger het geval was gepleit voor een meer traditionele kunstopvatting.

Op het internet kan het werk van Bouguereau voor het eerst worden getoond zonder de ‘waarschuwing’ van een strenge museumconservator of een criticus. Het arc is de meest specifieke website ter promotie van Bouguereau, maar er zijn meer voorbeelden van internetinitiatieven die een grotere verspreiding van minder bekende kunst mogelijk maken, waarvan het Google Art Project en Wikipedia de grootste zijn.

Misschien nog wel belangrijker voor Bouguereau’s aanwezigheid op het net zijn particuliere weblogs. Wat veel van deze blogs gemeenschappelijk hebben, is de afkeer van de ‘moderne kunst’ die ook Ross en Kraaijpoel graag tentoonspreiden. De mening van de geleerde deskundige maakt hier plaats voor de mening van de liefhebbers. De liefhebber kan een website oprichten voor alles wat in de kunstwereld verfoeid wordt, hij kan er zonder zorgen bij schrijven dat deze kunst op zijn website populairder is dan Cézanne, en als hij maar genoeg ‘followers’ krijgt, dan wordt dat vanzelf waar.

Je zou daar nog aan toe kunnen voegen: het internet zorgt ervoor dat geografische grenzen van de esthetische smaak verdwijnen. Een overdadig schilderij vol geïdealiseerde vrouwen kan via Amerika daarom helemaal tot Rotterdam en Aalsmeer komen. En zo slentert een Hollands publiek nu eerst langs Van Gogh en dan langs Bouguereau – en even lijkt het alsof er nooit iets aan de hand is geweest.

Dit artikel is een bewerking van een hoofdstuk uit het recent verschenen boek van Merlijn Schoonenboom De nimf en de bunny: De wonderbaarlijke reis van een schilderij van kunst naar kitsch en weer terug (Atlas Contact)


Beeld: (1) William-Adolphe Bouguereau, Nymphes et satyre, 1873. Olieverf op canvas, 260 x 180 cm. Foto Clark Collection; (2) Henk Helmantel, De noordmuur van de Nicolaikerk in Appingedam met doorkijk naar de sacristie, 2012. Olie op paneel, 64 x 92 cm. Foto Groninger museum