Schilderswijkers ‘op eeige foch’

Het is ‘s lands grootste arme buurt. Maar gul! Behalve voor de Buikhuisens en de maatschappelijk werksters. Liefdesverklaring van een autochtoon.
Met dank aan: John Duivesteijn, medewerkers van het Volkskunstmuseum, en dhr. Haensel.
IN HET CENTRUM VAN de Schilderswijk, aan de Hobbemastraat, verrijst naast het Volksbuurtmuseum een uitkijktoren die verdacht veel lijkt op de toren die vroeger naast Checkpoint Charlie aan de westzijde van de Muur bezoekers uitzicht gaf op Oost-Berlijn. De uitkijktoren in de Schilderswijk is hoger en aanzienlijk vrolijker opgeschilderd, maar het idee is hetzelfde: Hij biedt bezoekers die de buurt om wat voor reden dan ook niet wensen te betreden - te eng, te gevaarlijk - de mogelijkheid neer te kijken op ’s lands grootste arme buurt. Een buurt die al decennia van zich doet spreken. Meestal in negatieve zin.

Wij die er opgroeiden en ook nog wel eens ergens anders kwamen, wisten dat al heel jong. En met stuitend doch effectief opportunisme verzwegen we de ene keer waar we woonden en schreeuwden het de andere keer weer van de daken. Want als in het begin van de jaren zestig geld of dekens dienden te worden ingezameld na afloop van een televisieuitzending over het leed van de slachtoffers van overstroming of hongersnood in India, Bangladesh of Biafra, dan kwamen wij met de best gevulde collectebussen terug.
Want gul waren ze, de hoeren die zo vroeg in de avond nog geen klanten hadden en ook televisie keken, de asociale gezinnen die met een schier oneindig aantal kinderen in de kleine woningen huisden. Meer haalden we op dan onze klasgenoten uit andere buurten, die ons van hun ouders niet mochten bezoeken. En fel trots waren we op die momenten op heel die rare Schilderswijk.
Als kind vond ik er niets raars aan trouwens. Het kwam me eerder nogal vreemd voor dat andere buurten anders waren, niet ’s avonds na een uur of tien pas echt tot leven kwamen, en waar de helft van het leven zich binnen afspeelde in plaats van op straat, wat mij toch echt de geeigende plaats leek voor alles behalve slapen.
De rode lampjes en de drukte op straat maakte het deel van de buurt waar wij woonden ’s avonds en ’s nachts tot hoogst interessant gebied voor kinderen en jongeren, al vonden onze ouders natuurlijk dat we thuis in bed hoorden. ‘Dit is toch verdomme niet te geloven’, zei een hoer tegen mij terwijl ze een stinkende kroket in mijn gezicht duwde op het Oranjeplein waar een vage snackbar resideerde. 'Proef jij nou es, dat ding is toch bedorven.’ Nou en of die kroket bedorven was.
Eindeloos waren mijn avonturen in die buurt toen ik eenmaal door had hoe ik ongemerkt het huis uit en in kon komen. Bij Mia kreeg ik warme chocolademelk - waar ik niet van hield, maar ik was gefascineerd door dat kamertje achter het rode lampje. 'Wat doet dat kind hier verdomme’, riep de pooier van Chantalle toen ik daar op haar enorme bed met imitatieleren hoofdeind stond te springen, en hij verkocht haar in een moeite door een dreun. Ik was heel snel weg, maar tot aan mijn eigen voordeur kon ik haar nog horen schelden. Chantalle kon, dat wist iedereen, schelden als geen ander.
DE VRAAG OF DE Schilderswijk aan zijn slechte naam komt door het gedrag der bewoners of door de vergaande burgertruttigheid van de andere Hagenaars, levert slechts een kip-of-eidiscussie op. Al bij de bouw werd er door tijdgenoten schande gesproken van de kwaliteit van de huizen, het eentonige rechte stratenpatroon en de slechte omstandigheden waaronder men er huisde.
Den Haag had en heeft nog altijd een boven- en een onderstad, wortelend in de oude tegenstelling tussen wonen op het zand of wonen op het veen. De Zusterpolder waar de Schilderswijk zou worden neergezet, was veengrond. Wonen op het veen gold als ongezond, het water was er vervuild en de beter bedeelde Hagenaars en migranten naar Den Haag waren niet te bewegen zich op het veen te vestigen. Ook niet toen er door ingrijpen van gemeentewege op het Oranjeplein huizen werden gebouwd die bedoeld waren voor de betere standen.
Tot in de negentiende eeuw was de Schilderswijk een weiland met alleen de Hofkade (nu verbasterd tot Hoefkade) die leidde naar een grafelijk, later koninklijk jachtverblijf. De villa waarin Willem III zijn maitresses placht te ontvangen, staat er nu nog langzaam in te zakken. De grond waarop de Schilderswijk nu staat, behoorde toe aan Rijswijk en station Hollands Spoor werd in een kale vlakte opgetrokken. Bij die gelegenheid (1843) werd de grond overgedragen aan Den Haag.
De grote stimulans voor de bouw van de Schilderswijk kwam in de laatste vijfentwintig jaar van de vorige eeuw. De grote landbouwcrisis drijft in heel Nederland, tot dan toe een uitgesproken agrarische samenleving, de mensen van het platteland naar de steden. Ook naar het vredige, rustige en groene Den Haag, waar de industrie zich in hoog tempo vestigt. En in de Zusterpolder wordt ongehinderd door stadsplanning of bouwverordening gebouwd, gebouwd en nog eens ge bouwd. De enige regel is dat er een bouwvergunning nodig is voor wat vanaf de straat zichtbaar is. Die regel veroorzaakte de voor de Schilderswijk zo karakteristieke totale wildgroei op de binnenterreinen, die werden volgepropt met hofjes, optrekjes en allerhande bebouwing, met als leidend principe: zoveel mogelijk mensen op zo min mogelijk grond onderbrengen.
Amsterdammers mogen de naam hebben goed te zijn in het verzinnen van bijnamen, in de Schilderswijk werd en wordt werkelijk niets en niemand bij de officiele naam genoemd. Toen ik klein was wist ik heel goed waar de markt was: in Siberie (zo genoemd bij gelegenheid van een de marktkooplui onwelgevallige verplaatsing). De woningen tussen Hoefkade en Parallelweg, ja dat was het Rode Dorp (naar de dakpannen). De Wouwermanstraat kende ik als het Fort (naar een populair stripverhaal). Van Rinus de Wipper, blonde Dolly, witte Kees, Gerrit Vuist, Razende Rina en Karel Dief heb ik nooit de echte namen gekend. En de Vaillantlaan? O, u bedoelt de Faillietlaan.
De Vaillantlaan kan gerust model staan voor hoe de hele Schilderswijk tot stand kwam. Het heet 'revolutiebouw’, genoemd naar de revolutie die veroorzaakt werd door de creatie van de twee Franse gebroeders Pereire, de hypotheekbank. Het werkte als volgt: de grondspeculant koopt grond van eigenaar of gemeente en verdeelt de grond in stukken waarvoor hij huizenbouwers werft. Huizenbouwers gaan naar de bank voor een lening om daadwerkelijk huizen te bouwen. De bank geeft die lening af en eist een onderpand en een bouwplan. Dat onderpand en het bouwplan worden door de eigenaar van de grond geleverd. Bouwplannen heeft hij laten ontwerpen en het onderpand is, tegen betaling van rente, de grond zelf. De bank ziet het nu wel zitten en verschaft een krediethypotheek die in termijnen wordt uitgekeerd. Iedere termijn is gebonden aan waardestijging van het onderpand oftewel aan wat er inmiddels op gebouwd is. De eerste termijn gaat naar de grondspeculant waardoor de grond eigendom wordt van de bouwer. Dan moet de heier worden betaald. En de onderaannemers en de bouwvakkers. Snel en nog sneller bouwen is het devies om de krediethypotheektermijnen bij te kunnen benen. Als het gebouw er staat, gaat de bouwer naar de bank voor een gewone hypotheek. Want de bouwmaterialen zijn op krediet gekocht. De bank beziet de schulden van de bouwer en schudt het hoofd. De bouwer verkoopt de hele handel, als het even kan voor een prijs waarvan hij zijn schulden kan afbetalen en in een nieuwe ronde kan proberen nog sneller en nog goedkoper te bouwen. Er is een goede kans dat het betreffende pand inmiddels al is ingestort.
De andere actoren op de woningmarkt tijdens het ontstaan van de Schilderswijk waren woningbouwverenigingen, liefdadige kerkelijke instellingen en nutsverenigingen. De huizen, hofjes en kleine buurtjes die zij bouwden, zijn veel beter onderhouden en bewaard gebleven dan de produkten van de vrije markt. Zo heeft de Schilderswijk nu een paar verbazend on-Hollands mooie stukjes. Het mooist van al zijn de Van Ostadewoningen, door rijke Haagse joden tussen 1885 en 1895 gebouwd voor hun arme stadgenoten die er evenwel niet wilden wonen: te ver van hun nering, te ver van de sjoel. Maar zo'n neo-renaissancestijl is behalve in de Van Ostadebuurt en in het Fort in de Schilderswijk in Nederland niet veel. De trapgeveltjes en boogramen, dakkapellen en puntgevels roepen associaties op met Madurodam, Italie en Hindeloopen.
HEEL NEDERLAND ZIT eind jaren zestig verbijsterd voor de televisie als de KRO een documentaire vertoont over het gezin van Rinus de Wipper. Een asociaal gezin waar ondanks de krappe behuizing en de geringe inkomsten van Rinus ieder jaar een kleintje wordt geboren. Met de opvoeding, de hygiene en het morele gehalte van dat gezin is het slecht gesteld volgens het Hollands wederopgebouwd burgemansfatsoen aan de vooravond van de revolutie van de jaren zestig - een revolutie overigens waaraan ook de Schilderswijkjongeren hun eigen, zij het apolitieke steentje zouden bijdragen. Een deel van de Schilderswijkers is woedend over de wijze waarop ze werden afgeschilderd op tv. Er breken heftige rellen uit en het gezin van Rinus de Wipper moet onder politiebegeleiding het pand verlaten. Zelf was ik, met al mijn pedante twaalf jaar, van mening dat Rinus en zijn familie wel degelijk een redelijke afspiegeling vormden van wat er bij ons in de buurt zoal woonde. Onze overbuurman immers, dat wist iedereen, bestond van inbraak en diefstal. Het leek me alleen niet zo'n probleem, vooral niet omdat ik me nog levendig herinnerde dat toen mijn rode step gestolen was, de halve straat eendrachtig aan het zoeken sloeg, waarna in gemeen overleg werd vastgesteld dat iemand van ver buiten de buurt mij zo'n lage streek moest hebben geleverd.
Diezelfde buurman gaf voortdurend ruchtbaarheid aan zijn professie doordat hij de hele straat liet meegenieten van de hoogte- en dieptepunten in zijn carriere. Een geslaagde kraak werd strijk en zet gevolgd door het verschijnen van vrachtauto’s met nieuw meubilair ter bevrediging van de behoeften van zijn vrouw, die bijzonder narrig werd als het volgende succesje te lang uitbleef. Zo kan ik me nog herinneren dat ze hem op een warme zomeravond een ijzeren vuilnisbak naar het hoofd smeet. Misschien niet het ideale feministische rolmodel voor een klein meisje, maar sterk was ze wel, en bepaald niet bang. Alleen nam hij het trucje snel over en gooide hij een volle vuilnisbak door de ruiten toen ze hem weer eens had buitengesloten. Die dingen heetten overigens in goed Schilderswijks 'blikken asbakken’ (alles wat van staal, ijzer of aanverwant materiaal was, ging door voor blik en alles waar vuil in ging was een asbak).
De opzichtige omgang van onze overbuurman met zijn door illegale activiteiten verdiende geld viel natuurlijk ook de Haagse politie op. Negen van de tien keer was de pret binnen een paar dagen voorbij, de buurman ingerekend, en zij weer alleen met die meute kinderen. Maar ach, de schulden bij de kruidenier waren weer afbetaald, ze had het best met haar kinderen zonder hem, en voorlopig kon er weer op de pof gekocht worden. Het inmiddels afgedankte meubilair werd opgeslagen, voor oudejaarsavond. Zijn nieuw gekochte pak, zo'n pak dat Tedje van Es jaren later nog eens van hem zou lenen, werd bewaard voor betere tijden.
De Schilderswijk was in die jaren het toneel van wat later de vierde wereld zou worden genoemd: de mensen die het laatst aan de beurt kwamen wat betreft het meegenieten van de naoorlogse welvaart. Mensen die generaties lang hun kinderen moesten afstaan aan de kinderbescherming, dus zelf in tehuizen opgroeiden, niet konden lezen of schrijven en een groot vermogen hadden het verkeerde gedrag op het verkeerde moment te vertonen. Mensen van wie de vaders werkloos waren en de moeders te veel kinderen kregen, en die in het leven geen gereedschap meekregen om hun eigen leven een andere vorm te geven. Mensen die de laatste persoon die hulp kwam aanbieden, de maatschappelijk werkster van de sociale dienst, van de trap af schopten. Die de grootste televisie kochten die ze konden vinden als ze geld hadden, en later een computer, omdat ze een goede neus hadden voor de statussymbolen van de maatschappij waar ze door werden omringd en buitengesloten.
Mensen die als geen ander het vermogen hadden om bij de dag te leven. Die mij leerden het allemaal zo zwaar niet op te nemen, mij toonden dat liefde, romantiek, vriendschap en zonlicht ook een weg vinden door de krottenwijken van deze wereld. En dat de stoep van de Van der Duinstraat op een zonnige dag een puike plek is om met vrienden en buren een krat bier leeg te drinken en over de zaken des levens te filosoferen in het mooiste dialect dat Nederland rijk is.
Van de zorgen die de rest van de Nederland had over de oudejaarsviering in de Schilderswijk werd ik me pas gewaar toen ik er allang weg was. Wij zagen alleen de maanden lange voorbereiding, met een energie en creativiteit een betere zaak waardig. Steevast behoorde bij die voorbereiding een inbraak bij de Vredestein-bandenfabriek, want niets rookt zo lekker smerig als autobanden. Ook in onze straat laaiden de vuren op tot ruim voor het raam van onze tweede verdieping, werden de ramen warm en sprongen ze een enkele keer. Kerstbomen, meubilair en autowrakken, eigenlijk alles wat brandde was van nut. Ritueel rukten brandweer en politie uit en waren de schermutselingen langdurig en luidruchtig.
Ging men dit lichtelijk heidense ritueel in later jaren te lijf met georganiseerde feesten en kerstboomverbrandingen, de eerste poging tot kanalisering van het oudejaarsavondevenement werd ondernomen door Buikhuisen (de Buikhuisen ja) , die zijn studenten de Schilderswijk instuurde op participerend onderzoek - onder hen Kees van Kooten, die later zijn Schilderswijkse oudejaarsavond op hilarische wijze zou beschrijven in Modermismen. Van Kooten en zijn collega’s werden erop uitgestuurd om participerend- ontmoedigend op te treden, c.q. rond te lopen en conversaties met elkaar te voeren in de trant van: niks te beleven hier, laten we maar naar huis gaan. Van Kooten en zijn collega poetsten wijselijk de plaat nadat ze twee rondjes door het hen toebedeelde deel van de buurt hadden gelopen en lichtelijk dreigend commentaar van de omstanders te verduren hadden gekregen. Zo hoorden ze pas de volgende dag dat de vuurpijl die Buikhuisen afschoot ten teken dat de studenten zich weer dienden te melden, roemloos onzichtbaar was temidden van de hoog oplaaiende vuren en bovendien Buikhuisens auto in diezelfde vuren was geeindigd.
DE PACIFICATIE VAN de Schilderswijk is anno 1996 nog verre van voltooid, en de problemen zijn er ook nu nog groot. De meerderheid van de bevolking is van allochtone afkomst. En hadden wij de brommerjeugd, zij hebben de Marokkaanse jeugdbendes. Het is er, op een doordeweekse dag in juni, een klerezooi; de inhoud van kapotte vuilniszakken waait in je gezicht, sommige van de pleinen die door de stadsvernieuwing zijn gecreeerd ter doorbreking van het eentonige stratenpatroon, zien er regelrecht onheilspellend uit. Schilderswijkers zitten namelijk op de stoep voor hun deur bij mooi weer en niet op het plein vijftig meter verder. Alle pogingen tot opleuken ten spijt - muurschilderingen, groen, speeltuig, voetbalveldje - zijn de pleinen het domein van degenen die niet veel goeds in de zin hebben.
De klachtenlijst van de huidige bewoners is eindeloos, van iedereen over iedereen. Men heeft geprobeerd de prostitutie in banen te leiden door twee straten tot een soort mini-walletjes om te vormen. Toen vond de tippelprostitutie natuurlijk plaats op de looproute tussen die twee straten. Dealers en gebruikers zorgen voor overlast en ook anderszins zijn de sociale problemen waar de Nederlandse steden mee kampen in de Schilderswijk net een beetje zichtbaarder en heftiger dan elders. Ook de nieuwkomers verlaten de Schilderswijk zo snel ze kunnen, met als gevolg dat er een ongezond hoge mobiliteit bestaat en er voor de vele wijk- en buurtorganisaties weinig kader is dat structureel iets aan de leefbaarheid kan doen.
'Het zal mijn tijd wel uitduren’, de herkomst van die uitdrukking is de Schilderswijk.
ER ZIJN ergere dingen in het leven dan opgroeien in de Schilderswijk. Toegegeven, ook diegenen onder ons die later het ABN perfect leerden beheersen, zullen nooit in staat zijn een behoorlijke 'r’ uit te spreken. Maar wij kunnen 'weinpruemen op eeige foch’ zeggen zoals een ander dat weer nooit zal kunnen.
Als ik naar het Oranjeplein loop betrekt de lucht en kondigt een fikse onweersbui zich aan. Deze bomen ken ik al veertig jaar. Het was en is het enige behoorlijke groen in de buurt. Het ineens grijze licht maakt het plein donker; het licht waarin wij altijd speelden. Ik zie een klein meisje op een mountainbike op veilige afstand zeer geinteresseerd kijken naar wat duidelijk een illegale transactie is, armpjes op het stuur geleund. Als een van de betrokkenen kwaad naar haar kijkt, trapt ze af en gaat er razendsnel vandoor.