Eenkindpolitiek

Schimmen in China

Als gevolg van de Chinese geboortepolitiek is veel leed aangericht. Miljoenen vrouwen ondergingen gedwongen abortussen en sterilisaties. En er zijn miljoenen ‘zwarte kinderen’, die buiten het toegestane kinderquotum werden geboren. Zij werden niet erkend en leidden een schimmenbestaan.

Li Xue (25) voor haar ouderlijk huis, dat moet wijken voor een stadsvernieuwingsproject © Elke Scholier

Li Xue is zes jaar als ze beseft dat er iets niet klopt in haar leven. Terwijl haar leeftijdgenootjes naar de lagere school beginnen te gaan, moet zij thuisblijven en de lesboeken van haar oudere zus bestuderen. Ze leert zichzelf lezen, maar kan geen pasje krijgen om in de bibliotheek boeken te lenen. Steeds meer kinderen uit de buurt beginnen haar te mijden, omdat hun ouders niet willen dat ze met Li Xue spelen. Zij is het kind dat niet bestaat.

‘Het was niet gemakkelijk om te accepteren dat ik anders was dan de anderen’, zegt Li Xue, ondertussen 25 jaar oud, en via volwassenenonderwijs druk bezig om alsnog haar schooldiploma te halen. ‘Terwijl mijn leeftijdgenoten elke dag hun leerkracht zagen, zag ik rechters, aanklagers en ambtenaren. Ik ging met mijn ouders van het ene naar het andere overheidsdepartement om mijn probleem op te lossen. Dat heeft een schaduw over mijn leven gelegd.’

Li Xue’s probleem was dat zij in 1993 in Peking werd geboren als tweede dochter van een gezin, terwijl haar ouders overduidelijk onder de Chinese eenkindpolitiek vielen. De lokale afdeling van het overheidsdepartement Familieplanning legde Li’s ouders een boete op, maar die konden zij niet betalen. Dus kreeg Li Xue geen ‘geboortevergunning’, en ook geen hukou, het document dat in China de basis vormt van ieders bestaan.

Zonder hukou had Li Xue geen recht op onderwijs, geen recht op gezondheidszorg en ook geen recht op overheidstoelagen. Ze kreeg geen identiteitskaart en kon dus geen vliegtuig nemen. Ze kon geen bankrekening openen, geen officiële baan krijgen en geen huwelijk sluiten. ‘Als ik ziek was, moest ik de identiteitskaart van mijn zus gebruiken om naar het ziekenhuis te gaan’, zegt ze. ‘Mijn vaccinaties heb ik nooit gekregen.’

Veertig jaar na de invoering van de eenkindpolitiek is het einde van de Chinese geboortebeperking in zicht. Sinds 2016 mogen Chinese ouders twee kinderen krijgen, en er zijn steeds meer signalen dat ook die limiet binnenkort verdwijnt. Op de bijeenkomst van het Volkscongres, afgelopen week in Peking, dienden vijf parlementsleden een voorstel voor de ‘vrijmaking van de vruchtbaarheid’ in. De wetsvoorstellen werden niet aangenomen, maar wijzen op een naderende koerswijziging.

Dat kan ook niet anders, want hoe langer het Chinese geboortebeperkingsbeleid aanhoudt, hoe kritischer op dit radicale demografische experiment wordt teruggeblikt. Weliswaar wordt de eenkindpolitiek de verdienste toegedicht de Chinese bevolkingsgroei in toom te hebben gehouden, en daarmee een positieve bijdrage te hebben geleverd aan China’s economie en ecologie, maar voor die verdienste – die fel betwist wordt – heeft de Chinese bevolking een zware prijs betaald.

Als gevolg van de geboortepolitiek is de Chinese bevolkingspiramide niet alleen zwaar ontregeld, maar is ook onnoemelijk veel leed aangericht. Miljoenen Chinese vrouwen ondergingen gedwongen abortussen en sterilisaties, en miljoenen babymeisjes werden voor adoptie afgestaan. En dan zijn er ook nog eens miljoenen ‘zwarte kinderen’, die buiten het toegestane kinderquotum werden geboren, zoals Li Xue. Zij werden niet erkend, en leidden, soms tot op de dag van vandaag, een schimmenbestaan.

‘De ironie is dat de te mannelijke en te oude bevolking nu drukt op de economische groei’

‘Ze worden zwarte kinderen genoemd omdat je hen nauwelijks ziet’, zegt Wu Youshui, een advocaat uit de provincie Zhejiang, die veel gezinnen bijstond in hun strijd om hun boventallige kind te legaliseren. ‘Ze staan nergens geregistreerd, hebben geen rechten en kunnen geen enkel voordeel genieten. Ze hebben geen connectie met andere mensen, en niet met het land. Ze worden niet beschouwd als echte mensen.’

De Chinese geboortebeperkingspolitiek werd ingevoerd in 1979. De Chinese overheid maakte zich, net als veel landen in die tijd, zorgen om de explosieve bevolkingsgroei en de impact daarvan op de voedselvoorraad. In nog geen dertig jaar was de bevolking verdubbeld, van 450 miljoen in 1947 naar 905 miljoen in 1975, aldus toenmalige (en ruwe) statistieken. Wetenschappers voorspelden – ten onrechte, zo bleek later – dat de Chinese bevolking binnen een eeuw zou aanzwellen tot vier miljard.

Gealarmeerd door dergelijke rampscenario’s kondigde de centrale overheid een drastische maatregel aan: de eenkindpolitiek. In heel China zouden gezinnen, die op dat moment gemiddeld drie kinderen telden, slechts één kind mogen krijgen, op straffe van hoge boetes. Vier jaar later, na felle tegenstand op het platteland, werd de maatregel aangepast voor landbouwersgezinnen. Zij kregen, als hun eerstgeborene een meisje was, het recht op een tweede kind.

Het Chinese beleid was de meest extreme vorm van geboortebeperking ooit en leverde spectaculaire resultaten op: van 2,7 kinderen per vrouw in 1979 daalde het Chinese geboortecijfer naar 1,2 in 2010. Volgens de Chinese overheid werden dankzij de geboortebeperkingspolitiek vierhonderd miljoen mensen minder geboren, een zegen voor de ecologische voetafdruk van China en voor de economische groei. De historische missie van de familieplanning was geslaagd, aldus de overheid.

Maar dat succesverhaal wordt fel betwist door demografen. Volgens Cai Yong, professor demografie aan de Universiteit van North Carolina Chapel Hill, is de Chinese bevolkingsgroei in de afgelopen decennia weliswaar sterk ingeperkt, maar is dat grotendeels aan andere factoren te wijten. De Chinese eendkindpolitiek is volgens zijn berekeningen niet verantwoordelijk voor vierhonderd miljoen, maar voor honderd tot tweehonderd miljoen uitgespaarde geboortes, waarbij hij het laagste getal waarschijnlijker acht.

Cai Yong wijst erop dat het Chinese geboortecijfer al in het decennium voor de invoering van de eenkindpolitiek begon te dalen. In de jaren zeventig werd in China een soort tweekindpolitiek gevoerd, maar op veel minder ingrijpende wijze. Onder het motto ‘later, langer en minder’ werden gezinnen aangemoedigd later kinderen te krijgen, langer te wachten tussen twee kinderen en het bij twee te houden. Het geboortecijfer daalde van 5,8 kinderen per vrouw in 1970 naar 2,7 in 1979.

Ook komt een deel van de dalende bevolkingsgroei volgens Cai Yong voort uit de economische en sociale ontwikkelingen, zoals de urbanisatie en de toename van het onderwijsniveau. ‘De daling van het bevolkingscijfer deed zich niet alleen in China voor, maar overal ter wereld, ook in landen zonder een dergelijk strikt geboortebeperkingsbeleid’, zegt hij. ‘Dat toont dat de bevolkingspolitiek in China niet de voornaamste reden is voor de geboortedaling.’

‘Van de negen jaar verplicht onderwijs heb ik niet één dag op school doorgebracht’

Toegegeven, honderd miljoen uitgespaarde geboortes is nog steeds een indrukwekkend resultaat, maar voor demografen is dat relatief. ‘Natuurlijk is honderd miljoen niet niks’, zegt Cai Yong. ‘Het is meer dan de totale bevolking van de meeste landen. Maar op langere termijn maakt het niet zo veel uit. Neem het voorbeeld van de luchtvervuiling: natuurlijk is een grotere bevolking niet goed voor de luchtkwaliteit, maar met honderd miljoen minder mensen wordt de luchtkwaliteit niet ineens veel beter.’

Bovendien is niet alleen de grootte van de bevolking van belang, benadrukt Cai Yong, maar ook de samenstelling. Door de radicale ingreep in de Chinese bevolkingsstructuur ontstond een disbalans in geslacht en leeftijd: er werden te veel jongens geboren, waardoor die nu nauwelijks een huwelijkspartner vinden. En het geboortecijfer daalde zo abrupt dat steeds minder jongeren nu steeds meer gepensioneerden moeten onderhouden.

Voormalig Wall Street Journal-correspondente Mei Fong, die een boek over de eenkindpolitiek schreef, vergelijkt het met een crashdieet: het lijkt even te werken, maar daarna duiken er vooral ongewenste neveneffecten op. ‘China was zo gehaast om economische groei te boeken dat het zijn gematigde bevolkingspolitiek inruilde voor de eenkindpolitiek’, schrijft ze. ‘De ironie is dat de te mannelijke en te oude bevolking die China zo creëerde nu drukt op de toekomstige economische groei.’

Wat critici vooral tegen de borst stuit, is dat voor die relatief beperkte resultaten een grote menselijke prijs werd betaald. Volgens officiële cijfers werden in het kader van de familieplanning 336 miljoen abortussen en 196 miljoen sterilisaties uitgevoerd en 403 miljoen spiraaltjes geplaatst. In veel gevallen gebeurde dat onder dwang. Er zijn verhalen bekend van vrouwen die in de achtste maand van hun zwangerschap tot abortus werden gedwongen.

Officieel waren dergelijke dwangmaatregelen niet toegestaan, maar in de praktijk kwamen ze regelmatig voor. ‘Zo gaat het altijd in China’, zegt Cai Yong. ‘Op papier lijkt alles prima geregeld, maar in de praktijk is het een ander verhaal. De regering draagt lokale ambtenaren op om alles volgens de wet te doen, maar dreigt tegelijk met straffen of ontslag voor wie zijn doelen niet haalt. Dus doen lokale ambtenaren alles wat nodig is om hun doelen te halen, ook als het illegaal is, en sluiten de hogere overheden hun ogen voor hoe het gebeurt.’

Voor journaliste Mei Fong is het een reden om de geboortebeperkingspolitiek als een even grote catastrofe te beschouwen als de Grote Sprong Voorwaarts of de Culturele Revolutie, twee politieke campagnes uit de tijd van Mao Zedong waarbij miljoenen doden vielen. De gevolgen van de verstoorde seksebalans en bevolkingspiramide zullen nog zo lang doorwerken dat Fong de impact ervan even groot acht als die van de zwartste bladzijden uit China’s recente geschiedenis.

‘Het was een tragedie’, zegt ook Cai Yong. ‘Al die abortussen, al die gedwongen adopties, al die uit elkaar gerukte families: mensen werden in allerlei vreemde regelingen geforceerd. De overheid is er weliswaar in geslaagd de bevolkingsgroei te beperken, maar er waren andere manieren om hetzelfde resultaat te behalen. Je moet vertrouwen hebben in je bevolking. Mensen kunnen overtuigd worden zonder ze hun vrije keuze af te nemen.’

Vader Li kreeg te horen dat hij een boete van vier keer zijn jaarinkomen moest betalen

En het geboortebeperkingsbeleid maakte nog meer slachtoffers, onder wie een groep die vaak vergeten wordt: de miljoenen kinderen die buiten de toegestane quota werden geboren en daarom geen hukou kregen. Zonder dat basisdocument van de Chinese administratie konden ze niet naar school, hadden ze geen recht op gezondheidszorg en waren ze gedoemd tot een leven in de marge. Hoewel veel ‘zwarte kinderen’ ondertussen gelegaliseerd zijn, blijven ze met problemen kampen.

Aangezien zwarte kinderen niet geregistreerd konden worden, is het moeilijk te achterhalen met hoeveel zij waren – of nog steeds zijn. Het enige officiële getal komt van de nationale volkstelling van 2010, toen dertien miljoen zwarte kinderen werden ontdekt, van wie de illegale status in zestig procent van de gevallen voortkwam uit de eenkindpolitiek. Vermoedelijk lag het werkelijke aantal veel hoger. Volgens een onderzoek van de Nationale Commissie voor Ontwikkeling en Hervorming was de helft van de zwarte kinderen nooit naar school gegaan en/of analfabeet.

Wettelijk gezien was het helemaal niet toegestaan om boventallige kinderen een hukou te onthouden. De wet op de familieplanning stelde dat ouders beboet mochten worden als ze te veel kinderen kregen, maar dat de kinderen daar zelf niet onder mochten lijden. Maar in de praktijk werd de hukou vaak als drukmiddel gebruikt om de ouders tot betaling van hun boete aan te zetten. De familieplanningsboetes waren voor veel lokale overheden een belangrijke bron van inkomsten. In 2012 leverden ze lokale besturen in heel China 2,5 miljard euro op.

Zo kwam het dat Li Xue, geboren in augustus 1993 als tweede dochter van een gezin, in een wereld terechtkwam waarin haar bestaan werd ontkend. ‘Zelfs kinderen van arbeidsmigranten, wier hukou buiten Peking is geregistreerd, konden een manier vinden om in Peking naar school te gaan’, zegt Li Xue. ‘Zij hadden een identiteit en konden tegen een prijs wat regelen. Maar ik was niemand, voor mij kon niets geregeld worden. Van de negen jaar verplicht onderwijs in China heb ik niet één dag op school doorgebracht.’

Wie Li Xue ziet, heeft geen idee van de vele moeilijkheden waartegen zij haar hele leven heeft moeten opboksen. Ze ziet eruit als een gewone twintiger: van top tot teen in het zwart gekleed, lange haren sluik vanonder een oversized muts, ze zou kunnen doorgaan voor een skater. Alleen haar ernstige blik en onderkoelde toon lijken niet bij haar leeftijd te passen. ‘Ik voel me ouder dan mijn leeftijdgenoten’, zegt ze. ‘Ik heb nooit een normale jeugd gehad.’

Li Xue’s ouders hadden in 1993 geen idee wat ze zich op de hals haalden. Ze kampten allebei met zware gezondheidsproblemen en het leek hun beter als hun verzorging op hun oude dag over twee kinderen zou worden verdeeld. Moeder Bai Xiuling was als kind door polio aan één zijde verlamd geraakt en vader Li Hongyu had last van spierspasmen. Met hun handicap dachten ze dat het lokale familieplanningscomité wel een uitzondering voor hen zou maken.

Tijdens de zwangerschap werd moeder Bai inderdaad met rust gelaten, maar na Li Xue’s geboorte begonnen de problemen. Bai, die in een staatsbedrijf werkte, werd op staande voet ontslagen. Vader Li kreeg van het lokale familieplanningscomité te horen dat hij een boete van vijfduizend renminbi (635 euro) moest betalen – vier keer zijn jaarinkomen, en de enige inkomsten van het gezin. ‘Zelfs als we niet zouden eten of drinken, dan nog was het onmogelijk voor ons om dat te betalen’, zegt Li Xue.

‘Als de politie buitenlandse journalisten ziet, kunnen we in de problemen komen’

Li Xue’s ouders probeerden uit alle macht een oplossing te vinden. Ze trokken van het ene naar het andere overheidsdepartement, van lokaal naar nationaal niveau en alles ertussen. Toen dat niets uithaalde, spanden ze rechtszaken aan en dienden ze petities in. Maar met hun aanhoudende acties maakten ze zich politiek onmogelijk. In hun wijk werd een veiligheidscamera opgehangen, gericht op hun voordeur.

Dat is ook de reden dat Li Xue bij haar oude woning wil afspreken, een aftands betonnen gebouwtje in een volkswijk in het centrum van Peking. De hele wijk is net gesloopt om plaats te maken voor glanzende kantoorgebouwen. Li Xue is met haar moeder naar een huurwoning buiten de vijfde ring van Peking verhuisd, maar daar wil ze geen buitenlandse journalisten ontvangen. ‘De politie houdt ons in de gaten’, zegt ze. ‘Als ze buitenlandse journalisten zien, kunnen we in de problemen komen.’

Het bezoek aan haar oude wijk brengt bij Li Xue nare herinneringen naar boven. Hoe agenten op speciale feestdagen hun huis in de gaten hielden, om te vermijden dat ze actie zou voeren. Hoe haar vader, die ondertussen overleden is, na een poging tot protest door agenten in elkaar werd geslagen. Hoe ze zelf op volwassen leeftijd geen illegaal baantje durfde te nemen, uit angst dat het tegen haar zou worden gebruikt. Li Xue voelde zich een slachtoffer, maar werd als een dader behandeld.

Zelfs als ze naar de rechtbank ging, voor weer een nieuwe ontwikkeling in haar jarenlange rechtszaak, werd ze bij de veiligheidscontrole telkens weer tegengehouden omdat ze geen ID-kaart had. ‘Ik heb geen ID-kaart: dat was net de reden dat ik naar de rechtbank kwam, en dat wisten al die bewakers heel goed. Sommigen lieten me binnen, maar anderen lieten me een hele procedure doorlopen, terwijl ze me al honderd keer hadden gezien. Ze wilden gewoon niet dat ik binnenkwam.’

Zo gingen jaren voorbij, waarin Li Xue’s leven leek stil te staan. Pas eind 2015 kwam er onverwacht een oplossing in beeld, toen de Chinese overheid een algehele amnestie aankondigde voor ‘zwarte kinderen’. In maart 2017 berichtte de partijkrant Renmin Ribao (Volksdagblad) dat zo’n veertien miljoen kinderen daar gebruik van hadden gemaakt. Maar volgens advocaat Wu Youshui blijven er nog steeds zwarte kinderen over, al is niet duidelijk hoeveel.

‘Sommige ouders zijn nog steeds bang dat ze gestraft zullen worden als ze hun kind aanmelden’, zegt Wu. ‘In sommige provincies worden nog steeds boetes geheven, en ambtenaren of werknemers van een staatsbedrijf kunnen ontslagen worden als het bestaan van hun boventallige kind wordt ontdekt. Die ouders durven hun kind niet te registreren. Het is onduidelijk hoe groot het probleem is, daar wordt geen onderzoek naar gedaan.’

Li Xue kreeg haar hukou in augustus 2016, een week na haar 23ste verjaardag. Ze schreef zich onmiddellijk in voor een opleiding in het volwassenenonderwijs, waarmee ze haar middelbare-schooldiploma kan halen. ‘Het belangrijkste is dat ik eindelijk een opleiding kan volgen’, zegt ze. ‘Maar het voelt ook goed om medicijnen te kunnen kopen of naar een bibliotheek te kunnen gaan, zonder te moeten uitleggen waarom ik geen ID-kaart heb.’

Maar Li Xue’s problemen zijn nog niet voorbij. Het is haar nog niet gelukt om haar sociale zekerheid op te starten, ze krijgt nog steeds niet de toelage waarop ze recht heeft, en als ze straks afgestudeerd is, vreest ze dat het moeilijk wordt om werk te vinden. Doordat ze nooit naar school is geweest, heeft ze geen dang’an, het Chinese persoonsdossier dat tijdens de schooljaren wordt opgestart en dat aan werkgevers moet worden overhandigd. Na al die jaren moet Li Xue een heel leven reconstrueren.

‘Ik probeer vooruit te kijken, maar het is moeilijk’, zegt ze. ‘Ik heb zo lang geen hukou gekregen, ik heb mijn hele opleiding gemist, maar niemand wordt daar verantwoordelijk voor gesteld. Dat is moeilijk te aanvaarden. De manier waarop de overheidsambtenaren ons hebben behandeld, daar ben ik boos over tot op de dag van vandaag. Wat de overheid nu ook zegt, ik kan hen nooit volledig vertrouwen. Hun woorden bevatten te veel leugens.’