>Pamela Hemelrijk, Niemands knecht

Schimmen in het Hemelrijk

AD-columniste Pamela Hemelrijk raakte direct na de aanslag op Pim Fortuyn in conflict met haar hoofdredactie, die weigerde een column van haar te plaatsen. Haar wraak is de publicatie van een bundel columns met daarin de bewuste column van 17 mei 2002.

Vreemd genoeg ontbrak de naam van John le Noble in de top-honderd van de journalisten van de twintigste eeuw die de journalistenvakbond NVJ recentelijk op grond van een enquête onder haar leden publiceerde. Vreemd, want Le Noble was gedurende drie decennia zonder meer een van de grote smaakmakers van de Nederlandse journalistiek. Het kwam voor een groot deel op zijn conto dat het Rotterdamse Algemeen Dagblad — door de vijandige, want overwegend hoofdstedelijk georiënteerde buitenwereld altijd afgeschreven als de mogol van de middelmaat — in de jaren zeventig kon uitgroeien tot de op één na grootste krant van Nederland.

Le Noble was de onbetwiste meester van het lichte verhaal. Dagelijks berichtte hij op de pagina twee van het AD over zijn zoektochten in het vlakke polderland naar mensen die afweken van de norm. Gewapend met een groot inlevingsvermogen en een onstilbare nieuwsgierigheid, gecombineerd met een klassieke Rotterdamse lading van scepsis en humanisme, kregen zijn verhalen — vaak column, interview en reportage tegelijk — een zeer persoonlijke signatuur en bracht hij een licht melancholische kleur aan in het loodgrijze, door haven-CAO’s en de jongste vorderingen van Feyenoord overheerste universum van het AD-publiek.

Na de te vroege dood van John le Noble kreeg het AD het eind jaren tachtig dan ook behoorlijk moeilijk. Een opvolger was niet zo snel voor handen. Uiteindelijk was het Pamela Hemelrijk die zijn plaats op de pagina twee overnam, en via deze gelouterde verslaggeefster had het AD inderdaad weer eens een journalistieke troefkaart in handen. Met haar grote voorganger Le Noble deelde Hemelrijk dezelfde Pietje Bell-achtige journalistieke oerdrift, en daarnaast was ze nog eens behept met een prettig polemisch karakter.

Doordat het Algemeen Dagblad in de vakwereld nog altijd wordt versleten voor het Siberië van de vaderlandse journalistiek, bleef het werk van Pamela Hemelrijk vaak onopgemerkt. Toch waren het niet de minsten die hoog opgaven van haar stijlvolle journalistieke verhalen en columns. Zo gaf uitgever in ruste Pierre Vinken aan liever Pamela Hemelrijk te lezen dan H.J.A. Hofland, die nota bene als journalist van de eeuw uit de bus was gekomen in de eerder genoemde NVJ-enquête.

De afgelopen jaren evolueerde Pamela Hemelrijk meer tot een traditionele columniste. Ze werd de Renate Rubinstein van het AD, een columniste die het liefst op het scherp van de snede opereert. Dit is niet het enige wat Hemelrijk deelt met wijlen Rubinstein. Haar schrijfstijl is in wezen even parlando, net als Rubinstein weet Hemelrijk zich qua onderwerp met grote soepelheid te bewegen van de wereldpolitiek tot de kleinere beslommeringen c.q. ergernissen van het privé-bestaan, en ook zij is een non-conformiste pur sang, met dezelfde neiging om het liefst dissident te zijn in eigen kring. Wat beide publicistes tot slot verbindt, is een voorliefde om zaken zo fataal mogelijk te verwoorden.

In het geval van Hemelrijk werd dat haar zelf fataal. Direct na de aanslag op Pim Fortuyn raakte ze in conflict met de AD-hoofdredactie, die weigerde een column te plaatsen waarin Hemelrijk de nasleep van de moord in het Mediapark beschreef als een stille staatsgreep. De gewraakte column vond zijn weg op de website van opper-fortuyniaan Theo van Gogh en Hemelrijk werd tot nader order op vakantie gestuurd door haar chef. Een beroepsverbod, zo vond ze zelf.

Haar wraak is de publicatie van het boek Niemands knecht: Pamfletten uit het Hemelrijk, een bundeling columns van 1993 tot 2002, met natuurlijk daarin opgenomen de gewraakte column van 17 mei 2002, met de verontrustende openingszin: «En zo geviel het dat ik, in een land dat door mijn kennissen in de grachtengordel nog steeds wordt bejubeld als ‹het meest democratische en liberale ter wereld›, voor de keus kwam te staan om óf mijn beroep te verloochenen, óf mijn broodwinning op het spel te zetten.»

Wat Renate Rubinstein met Friedrich Weinreb had, heeft Pamela Hemelrijk met wijlen Pim Fortuyn («Een man die nooit een spat macht heeft uitgeoefend in dit land, laat staan misbruikt, en wiens enige zonde hierin bestond dat hij aan de verkiezingen wilde deelnemen»). Ze sloot de rebel in haar armen en verdedigde hem tot over het graf, zelfs al bracht dat haar naar eigen zeggen in conflict met zowel haar werkgever als haar eigen vriendenkring.

In de ogen van Hemelrijk hebben acht jaar Paars een soort fluwelen dictatuur gebracht in Nederland, waarbij de vrijheid van meningsuiting werd gesmoord in een soort monsterverbond tussen Paars en Pers. Hemelrijk: «Toen de opmars van Fortuyn niet meer te stuiten bleek, alle zwartmakerij in de media ten spijt, waren de media stomverbaasd. Waar kwam die plotselinge onvrede toch vandaan, riepen ze eendrachtig; het ging toch zo goed met dit land? Het volk was toch zo welvarend en tevreden geweest? Tot Fortuyn roet in het eten was komen gooien? Volgens mij was die onvrede er al heel lang. Miljoenen mensen gingen er onder gebukt. Je las er alleen nooit iets over in de kranten, en je zag er al helemaal niks over op tv.»

Wie Niemands knecht heeft gelezen, zou gemakkelijk in de veronderstelling kunnen komen dat we de afgelopen acht jaar met zijn allen hebben geleefd in een soort poldermodel-Goelag Archipel. Van de intriges rondom Srebrenica, de oorlog op de Balkan, de explosie van Enschede tot de moord op Fortuyn voert Hemelrijk haar lezers langs een marathon van manipulatie en machtsmisbruik, en verkondigt ze haar ontzetting en haar woede over de arrogantie van de politiek en vooral het conformisme van de pers.

Het was de Kosovo-oorlog die Hemelrijk naar eigen zeggen de ogen opende voor de incestueuze relatie tussen pers en politiek. «De stroom Navo-propaganda die de Nederlandse media bij die gelegenheid op ons loslieten, zoiets had ik in een democratie niet voor mogelijk gehouden. Truth is always the first casualty, zoals iedereen weet. Maar om het nu zelf in de praktijk mee te maken, dat was toch iets heel anders.»

In de ogen van Hemelrijk zou Fortuyn een cultuurschok veroorzaken waardoor het vrije woord in volle glorie een comeback zou maken. «Voor mij is het een win-win-situatie», schrijft ze in haar column van 13 maart 2002. «Als Paars toch door blijft regeren, dan zal Pim Fortuyn ervoor zorgen dat Paars niet meer over de Kamer heen kan walsen, en als Pim Fortuyn regeringsmacht krijgt, dan zal de PvdA hem als een tijger op de huid zitten, met steun van de hele Paars-minnende pers. Misschien is dat laatste me nog wel liever dan het eerste, want dan gaat de pers tenminste eindelijk weer doen waarvoor hij betaald wordt, namelijk de machthebbers kritisch volgen.»

Dat er nog een derde mogelijkheid was, daar had ook Pamela Hemelrijk geen rekening mee gehouden. De moord op Fortuyn bracht haar in een staat van regelrechte paranoia, zo begrijpt men na lezing van Niemands knecht. De loden stilte die neerdaalde over Nederland na de moord op Fortuyn vormde volgens Hemelrijk een «conspiracy of silence». «Plotseling begon ik achter iedere boom een BVD-agent te zien», schrijft Hemelrijk in haar «verboden column», waarmee Niemands knecht eindigt. Even verderop: «En zo is dan nu de tijd aangebroken dat je niemand meer kunt vertrouwen; dat je je staande moet houden te midden van machinaties die veel weg hebben van de intriges aan een middeleeuws hof.»

Het zijn rauwe emoties waarop de lezer van Niemands knecht wordt getrakteerd. Hier en daar slaat Hemelrijk al te wild om zich heen. Zo lezen we dat het heel lang heeft moeten duren eer Anton Constandse zijn geloof in het reëel bestaande socialisme heeft afgezworen. Anton Constandse? De anarchistische intellectueel, die even weinig van Stalin moest hebben als van Wilhelmina? Kom nu toch! Dat is geschiedvervalsing! Elders wordt collega-columnist Stephan Sanders op grond van een venijnige tirade tegen Fortuyn in Vrij Nederland opgevoerd als een geharnaste pvda’er. Iedereen die het werk van Sanders kent, weet dat deze liberaal nog liever een sigaar met Fidel Castro zou roken dan toe te treden tot de rijen der polder socialisten. In een andere column typeert Hemelrijk het parlement als «150 doofstomme marionetten», terwijl de lezer even eerder nog wordt ingelicht over haar warme band met SP-leider Jan Marijnissen, die ze geregeld blijkt te bellen om de actualiteit door te nemen. Zou het dan niet kieser zijn geweest te schrijven over 149 doofstomme marionetten?

Op deze manier wordt de woede van Hemelrijk nogal eens even gratuit als het geraaskal vanuit de gelederen van de Lijken pikkers van Pim Fortuyn (LPF), en dat kan toch nooit de bedoeling zijn geweest?

Pamela Hemelrijk

Niemands knecht: Pamfletten uit het Hemelrijk 1993-2002

Uitg. Aspekt, 312 blz., € 16,98