TONEEL

Schimmen van doodsangsten

Spoken

De Duitse toneelregisseur Thomas Ostermeier (1968) bouwt gestaag aan een oeuvre van Ibsen-ensceneringen. Eerst toonde hij bij zijn eigen ensemble, de Berlijnse Schaubühne, twee fameuze jonge antiheldinnen van de Noorse schrijver tegen de achtergrond van het moreel conservatisme in het yuppen-neokapitalisme van de grote metropolen, Nora in 2002 en Hedda Gabler in 2005. Daarna begon hij aan de noodlotsdrama’s waarin gearriveerde carrièristen wroeten in de grafheuvels van hun leven, waarop de mausoleums van hun levensleugens zijn gebouwd en waartussen de schimmen uit een belast verleden dolen, de spoken die zij uit de weg proberen te gaan maar nooit meer zullen kunnen mijden. In Wenen regisseerde Ostermeier in 2006 Henrik Ibsens Bouwmeester Solness, bij zijn Berlijnse Schaubühne maakte hij in 2009 een grandioze voorstelling van het duistere bankiersdrama John Gabriel Borkman (voor Berlijn-gangers: daar nog altijd op het repertoire). En nu heeft hij bij Toneelgroep Amsterdam Spoken geënsceneerd, over de vrouw (Alving) die in de krankzinnige blik en de fatale ziekte van haar zoon (Oswald) niet zozeer een losbandig kunstenaarsleven ziet weerspiegeld (zijn eigen diagnose) maar de erfelijke syfilis (het woord valt in het stuk geen moment) die haar indertijd driftig om zich heen copulerende en minderjarige meisjes misbruikende echtgenoot op hem overdroeg.
Alles in dit stuk staat in het teken van het verbinden van open wonden en de ondraaglijke stank die eruit blijft walmen. Ostermeiers vaste scenograaf Jan Pappelbaum heeft voor de brede en diepe speelvloer met permanent regengordijn in de achterwand een draaitoneel ontworpen met twee van elkaar en naar elkaar toe bewegende vlakken die dienen als projectiewanden voor duistere vergezichten en als wijkende muren met wenkende perspectieven op de personages en wat ze proberen te verbergen. Zoals verwoord in dat ene hallucinerende zinnetje uit de prachtige vertaling van Judith Herzberg: ‘Spóken, die twee figuren uit de serre komen spoken.’
Ostermeier is een regisseur met een geraffineerde en precieze fysieke -articulatie in zijn personenregie. De vleesgeworden -huichelarij van dominee Manders wordt hier prachtig vertolkt door Hans Kesting die loopt of het knaapje nog in zijn colbert hangt en die tijdens het diner krieltjes vreet of hij door de hongerklop op de hielen wordt gezeten. Fred Goessens speelt de alcoholistische zeebonk Engstrand met een robuuste gestiek: als hij -vertelt over het zeemanshuis-met-kloppend-hart dat hij wil oprichten zie je in zijn brede gebarentaal de contouren van het bordeel waarin hij zijn eigen dochter als hoer heeft bedacht.
Maar het zijn Marieke Heebink (Hélène Alving) en Eelco Smits (Oswald) die hun lijf voor de volle tweehonderd procent laten spreken in de verklanking van de doodsangsten die dit tragisch koppel beheersen. Er is veel te doen over hun spel in het laatste half uur van de voorstelling, dat uit de bocht zou vliegen in psychologie van de koude grond. Niets is minder waar! Smits transformeert in de slotscènes in een doodsbang joch dat naar de dood verlangt zonder precies te weten waar hij om schreeuwt, anders dan om pijnstillers. Heebink laat het formele masker van de burgerlijke beheersing waar mevrouw Alving zo kapot aan is gegaan van het ene op het andere moment varen, in dat ene pronte gebaar van haar bh uit te doen en haar arme zoon als het ware de borst te geven, eindelijk, ten lange leste, te laat, en hem de omarming te bieden waarin hij kan sterven. Het is een op het scherp van de snede geacteerd slot van een van de beste voorstellingen van Toneelgroep Amsterdam in tijden.

Spoken komt nog naar Rotterdam, Leeuwarden, Groningen, Maastricht, Eindhoven, Gent en Arnhem, en keert van 22 t/m 29 april terug op de thuisbasis, Stadsschouwburg Amsterdam. www.toneelgroepamsterdam.nl