Schimmige herinneringen

BRAM ENNING
DE OORLOG VAN BASTIAANS. DE LSD-BEHANDELING VAN HET KAMPSYNDROOM
Augustus, 348 blz., € 24,90

In 1975 verscheen het boekje Allemaal rottigheid, allemaal ellende, waarin een oud-verzetsstrijder met de schuilnaam ‘Willem van Salland’ niet alleen vertelde over zijn dappere verzetsdaden en de gruwelijke martelingen die hij na zijn arrestatie had moeten ondergaan, maar waarin tevens verslag werd gedaan van de therapie waarmee hij van zijn oorlogstrauma’s werd genezen. Als zoveel andere oorlogsslachtoffers was deze man in behandeling geweest bij de vermaarde psychiater Bastiaans, die hen onder meer behandelde met lsd. Veel mensen leden ook decennia na de oorlog nog aan allerlei lichamelijke klachten, waarvan de oorzaak dikwijls onduidelijk bleef. Het hallucinogene middel bracht gruwelijke herinneringen boven. Het ‘herbeleven’ hiervan had op veel slachtoffers een heilzame werking.
Al snel bleek dat ‘Van Salland’ in werkelijkheid PVDA-senator en voormalig partijsecretaris Eibert Meester was. Hierna werd duidelijk dat zowel de belangrijke verzetsdaden als de gevangenschap geheel verzonnen waren. Het had voor de hand gelegen dat dit demasqué nadelige gevolgen had gehad voor professor Bastiaans, aangezien diens lsd-therapie blijkbaar ook allerlei valse herinneringen kon opleveren, waarna mensen ten onrechte aanspraak zouden kunnen maken op een speciale uitkering. Eventuele kritiek wees Bastiaans echter zonder meer van de hand, en daar kwam hij mee weg.
Tijdens zijn studie psychologie schreef Bram Enning (1974) een scriptie over het geval-Meester. Hierdoor werd hij voor het eerst geconfronteerd met het fenomeen Bastiaans en raakte hij gefascineerd door de ‘gordiaanse knoop’ waarin de overlevenden van de kampen en de omstreden lsd-methode van Bastiaans zich bevonden, wat uiteindelijk heeft geresulteerd in deze ontluisterende dissertatie.
Jan Bastiaans (1917-1997) was vanaf 1964 hoogleraar psychiatrie in Leiden en directeur van de academische psychiatrische Jelgersmakliniek. In de jaren vijftig had hij zich gespecialiseerd in psychosomatiek en was gepromoveerd op dergelijke klachten bij oud-verzetsstrijders. Behalve van de gebruikelijke psychoanalytische methode ging hij na verloop van tijd ook gebruikmaken van de zogeheten narcoanalyse, waarbij middelen als pentothal en lsd werden toegediend. Vooral het laatste middel bracht sterke herinneringen naar boven. Volgens Bastiaans waren de klachten van de patiënten meestal terug te voeren op heel specifieke en zeer traumatische gebeurtenissen, die daarna waren verdrongen.
Steeds meer overlevenden van de kampen – joden en verzetsstrijders – klopten bij Bastiaans aan om behandeld te worden. Louis van Gasterens film Begrijpt u nu waarom ik huil?, speelde een doorslaggevende rol in het politieke tumult dat in 1972 losbarstte toen minister van Justitie Van Agt voornemens was de laatste drie Duitse, in Breda gevangen zittende oorlogsmisdadigers vrij te laten. Onder druk van oud-verzetsstrijders en joodse overlevenden sprak de Tweede Kamer zich uit tegen het voorstel.
Bastiaans was niet alleen hulpverlener van de oorlogsslachtoffers, hij was ook hun belangenbehartiger. In zijn fascinerende proefschrift laat Enning zien hoe er geleidelijk een voor beide partijen profijtelijk bondgenootschap ontstond tussen Bastiaans en de overlevende oorlogsslachtoffers. Zij hadden Bastiaans nodig om erkenning en een uitkering te krijgen. Hij kon zich opwerpen als hun grote weldoener en ontleende daaraan status, en hij wist zich binnen de psychiatrische wereld een vrijwel onaantastbare positie te verwerven. Telkens wanneer er kritiek op hem kwam, kwamen oud-verzetslieden in het geweer, waarbij vaak niet werd teruggedeinsd voor het bedreigen van Bastiaans’ tegenstanders. Hoezeer hij hen nodig had bleek bij het debat over de ‘Drie van Breda’ en in de affaire-Aantjes. Aanvankelijk was Bastiaans voor vrijlating van de Duitsers, zoals hij in eerste instantie ook felle kritiek had op de wijze waarop Loe de Jong Aantjes had aangevallen. In beide gevallen stond hij hiermee tegenover de overgrote meerderheid van de oorlogsslachtoffers, zodat hij zich gedwongen voelde een draai van 180 graden te maken.
Deze ‘flexibele’ houding was eigenlijk geheel in lijn met Bastiaans’ ‘wetenschappelijke’ arbeid, die de toets der kritiek bepaald niet kon doorstaan. Het gebruik van lsd werd steeds meer omstreden en Eibert Meester bleek niet de enige patiënt die met volkomen verzonnen verhalen kwam. Bovendien bleek er helemaal geen sprake te zijn van een wetenschappelijk onderbouwde ‘methode-Bastiaans’ en deed hij nauwelijks aan dossiervorming.
Enning maakt duidelijk dat het verhaal van Bastiaans óók het verhaal van de Nederlandse omgang met het oorlogsverleden was. Na de jaren vijftig, waarin het idee bestond dat vrijwel iedereen ‘goed’ was geweest, werden steeds meer kritische vragen gesteld, zoals over het opvallend hoge percentage omgekomen Nederlandse joden. Een van de manieren om met deze onaangename waarheden om te gaan was de toenemende nadruk op het slachtofferschap. Vooral Bastiaans, die op dit gebied gold als de autoriteit, speelde een grote rol bij het eindeloos oprekken van het begrip ‘KZ-syndroom’, zodat Gerrit Komrij kon spotten dat hij inmiddels iedereen behandeld had ‘die ooit een kwartier in een openbaar toilet zat opgesloten’.
Uiteindelijk was dit ook wat Bastiaans de das omdeed. Zijn bewering dat ook mensen die de oorlog niet hadden meegemaakt, zoals bijvoorbeeld de slachtoffers van de Molukse treinkapingen, last konden hebben van het KZ-syndroom, viel slecht bij veel ex-verzetsstrijders. Toen Bastiaans in conflict kwam met de universiteit, omdat hij ook na zijn zeventigste wilde blijven behandelen, trokken velen daarom hun handen van hem af.