Schipbreuk met toeschouwer

Umberto Eco, Het eiland van de vorige dag. Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone, uitg. Bert Bakker, 492 blz., \f45,-
IN EEN TIJD dat de geleerden en vooral filosofen in beslag werden genomen door de vraag hoe mensen zien, was het aan instrumentenmakers of zelfs glazeniers om de bril en de verrekijker te ontdekken.

Wat de verrekijker betreft nomineert de geschiedenis van pioniers der natuurwetenschappen drie kandidaten, Jansen, Lipperhey en Metius, alledrie Hollanders, al schijnt de echte ontdekker een onbekende Italiaan te zijn geweest. Het zou een bekende Italiaan worden, Galileo Galilei, die in 1609 op het idee kwam het apparaat dat tot dusver alleen een curiosum op jaarmarkten was, ergens voor te gebruiken. Als van praktisch nut, zowel te land als te water, offreerde Galilei zijn vinding aan de Senaat van Venetie. Maar Galilei dacht verder dan direct nut en richtte de telescoop op de hemel. In maart 1610 kon hij in een boekje, De sterreboodschapper, vertellen wat hij allemaal gezien had - dat de Melkweg uit een hoop sterren bestond, dat het maanoppervlak op dat van de aarde leek, dat Jupiter vier manen had, in zijn ogen onomstotelijke bewijzen van de copernicaanse theorie. In een brief aan Kepler uit datzelfde jaar beklaagde hij zich over de filosofen die hun ogen sloten voor het licht van de waarheid zoals Odysseus zijn oren had dichtgestopt: ‘Dat is vreselijk, maar het verbaast mij niet. Want dit soort mensen beschouwt de filsofie als een boek zoals de Aeneas of de Odyssee. Zij geloven dat de waarheid niet in de wereld en in de natuur gezocht moet worden maar in de vergelijking van teksten (zoals zij het noemen).’
Met zijn ontdekking of liever herontdekking en toepassing van de verrekijker betoonde Galilei zich de experimentele, praktische en op eigen bevinding gerichte, moderne wetenschapper. Dat hij in allerlei opzichten, zoals wetenschapshistorici als Dijksterhuis en Blumenberg hebben laten zien, heel wat minder experimenteel te werk ging dan hij pretendeerde, is een wat ander verhaal dan de legende wil doen geloven, het verhaal namelijk van de avontuurlijkste en ingewikkeldste periode in de Europese geschiedenis, de zeventiende eeuw, een tijd die als het ware van tegenstrijdigheden aan elkaar hing.
DE NIEUWE roman van Umberto Eco, Het eiland van de vorige dag, speelt zich niet alleen af in die tijd van de moderne wetenschap die zich aan de bevoogding van theologie en filosofie onttrekt, van contrareformatie en inquisitie, van de Dertigjarige Oorlog, maar is ook bedoeld, zoal niet als een beeld of portret van die periode, dan toch op z'n minst als een inkijkje in de gedachtenwereld van de moderne mens in wording. Het instrument voor deze inkijkoperatie is de tegenvoeter van de verrekijker, een imaginaire kijker van woorden, een Aristotelische Verrekijker voor het Denkende Ding, zoals hij in de roman heet.
Een van de middelen van die inkijker is de Overdracht ofte wel de metafoor. En Eco gebruikt de voor het begin van de moderne tijd sprekende metafoor van de schipbreuk. Als de zee van oudsher gold als de natuurgegeven grens van de ruimte en de menselijke ondernemingen en in een demonische gedaante als de sfeer van het onberekenbare en wetteloze of zelfs als de ruwe, alles verslindende en in zich terughalende materie, dan doet degene die de zee op gaat een stap in de richting van het mateloze en onbegrensde. Ook spreekt daaruit een drang naar een beter leven. De schipbreuk was dan een straf voor de overmoed van de mens die maar niet thuis wenste te blijven, in zijn eigen element: het vasteland. Aan de andere kant had iemand die de schipbreuk kon navertellen echter alle kans een filosoof te worden - of een mislukte filosoof, een mogelijke romanschrijver - zoals dat het geval is met Eco’s hoofdpersoon, de jonge Italiaanse edelman Roberto de la Grive.
Wat heeft Roberto met Galilei te maken? Van alles. Bijna vijfhonderd bladzijden lang bevindt hij zich op een plek, op een Hollandse fluit, de Daphne. Daar komt hij terecht nadat hij als enige overlevende van een ander schip, de Amarilli, dat daar ten zuiden van de Evenaar in de Grote Oceaan is vergaan, twee dagen op een plank heeft rondgezwalkt. Het schip ligt in een grote baai voor anker en lijkt geheel verlaten, op een persoon na, zo blijkt (na meer dan tweehonderd pagina’s): pater Caspar Wanderdrossel, een geleerde jezuiet, ook hij de enige overlevende, nadat de complete bemanning aan land is gegaan in de veronderstelling dat de pater aan builenpest leed en daar door wilden is opgepeuzeld.
Een van de aardigste grappen van het boek is dat het eiland dat zij binnen gezichtsafstand hebben, tot het laatst toe onbereikbaar blijft omdat er op het schip geen sloep meer is en geen van beiden de zwemkunst machtig is. De priester mag honderd pagina’s aan Roberto’s verhaal meedoen, waarvan hij gretig gebruik maakt door zijn verdediging van het ptolemeische stelsel en de eindigheid van de wereld uiteen te zetten, om vervolgens in een zelfgemaakte duikerklok onder water te verdwijnen. De Daphne, gevuld met een exotische flora en fauna, een rariteitenkabinet en een bergplaats vol uurwerken, ligt daar om dezelfde reden als waarom de Amarilli er terecht is gekomen, op zoek namelijk naar het geheim van het Punto Fijo ofte wel de bepaling van de lengtegraden. En daar zijn we weer bij Galilei, in wiens sterfjaar zich Eco’s geschiedenis afspeelt.
IN HET BEGIN VAN de zestiende eeuw was de noordelijke wereldhelft, van Scandinavie tot het zuiden van Afrika, vrij behoorlijk in kaart gebracht. Voor zover men zich niet kon orienteren op visuele herkenningspunten, was de breedtegraad, de afstand tot de evenaar, te bepalen door de hoogte te nemen van de poolster of de zon. Veel moeilijker viel te bepalen of men in de Oost of de West was, om de eenvoudige reden dat de lengtebepalingen door de draaiing van de aarde niet vaststonden. Waar de kustvaart onmogelijk was, zeilde men toentertijd op gegist bestek. Met het kompas hield men de gestuurde koersen vast, maar voor de afgelegde afstand moest men de snelheid weten en daarvoor diende dan het log, een driehoekig plankje dat werd gevierd aan een lijn waarin op gelijke afstand knopen waren gelegd, terwijl de tijdseenheid werd gemeten met de zandloper. Een fout van enkele minuten maakte dat een schip tientallen kilometers uit de koers raakte. Geen wonder dat zeevarende naties als Spanje, Holland en Engeland grote bedragen uitloofden aan wie een betrouwbare methode voor lengtebepaling uitvond.
Galilei bood de Hollandse Staten zijn diensten aan en stelde voor om de lengte af te meten aan de eclipsen van de vier manen rond Jupiter die hij met zijn verrekijker voor het eerst ontdekt had. Maar hoe kon je op een onrustig schip gedurende langere tijd met vaste hand de trawanten van een planeet in het vizier houden? Eco laat zijn pater Caspar net zo'n schuitje bedenken als Galilei: in een bak met olie, die op het dek werd geplaatst, nam de sterrewachter plaats op een drijvende zetel die, in theorie althans, bij alle schommelingen horizontaal zou blijven. Een andere methode, die op het gebruik van tijdmeting berustte, bestond al sinds 1530: als men op het schip de tijd kon meten van de thuishaven en die vergeleek met de plaatselijke tijd, twaalf uur wanneer de zon op het hoogste punt staat, wist men hoever men van huis was. Zover was de navigatiekunde ten tijde van Eco’s roman. In het aardige boek over tijd, machines en bewustzijn van Douwe Draaisma, Het verborgen raderwerk, valt na te lezen wat er allemaal nodig was voordat men, twee eeuwen na de eerste formulering van het idee om de lengte uit tijdverschil te berekenen, beschikte over een op open zee betrouwbare 'tijmskipper’.
Op de Amarilli wordt een heel wat excentriekere tijdmeting toegepast. Roberto, in Parijs ten gevolge van een persoonsverwisseling beschuldigd van hoogverraad, is aan berechting ontkomen door zich in Amsterdam als spion op een schip te laten inschepen. Daar ontdekt hij het geheim van de Engelse doctor Byrd, wiens methode gebaseerd is op het Poeder van Sympathie: iets wordt op afstand beinvloed door een stof van gelijke aard. Nadat voor vertrek in Engeland een hond met een mes is toegetakeld, wordt tijdens de zeereis zijn wond opengehouden, zodat het beest telkens begint te kermen wanneer op een bepaald tijdstip in Londen iets met het wapen gedaan wordt. Zodoende weet men op het schip hoe laat het op dat moment in Europa is en kan men door dat tijdstip te vergelijken met het plaatselijke tijdstip de meridiaan berekenen. Dit is meer dan een sappig staaltje bijgeloof, het is een van Eco’s vele voorbeelden van het samengaan in de renaissance van moderne natuurwetenschap en alchemistisch, magisch denken.
TOT ZOVER kan de lezer menen dat hij een romaneske vertelling van een ideeengeschiedenis in handen heeft. Dat is inderdaad een van de manieren om Eco’s roman te lezen. Het is maar de vraag wat voor boek het is. Het lijkt een avonturen- of liefdesroman, maar zoals meer gezichten van de roman behoort die schijn tot het demonstratiemateriaal dat Eco in dit boek tentoonspreidt; ik zou het ook liever een leerboek noemen. De episode op het schip is Roberto’s derde en waarschijnlijk laatste leertijd. Dat verklaart waarom hij, zodra hij op de Daphne enigszins op verhaal is gekomen, brieven is gaan schrijven aan zijn ferne Geliebte in Parijs, onmiddellijk herinneringen begint op te halen aan een eerdere periode dat hij op een plek vastzat en belegerd werd. Dat was in 1630, toen hij door zijn vader, eigenaar van het landgoed La Griva bij Alessandria, werd meegenomen naar de door de Spanjaarden belegerde hoofdstad Casale. Hij verliest daar zijn vader, zijn geliefde, zijn gezondheid, zijn vriend en wellicht de oorlog.
Laat ik de niet al te opwindende tweehonderd pagina’s die met de oorlog gemoeid zijn in de geest van de roman samenvatten: Roberto verloor daar het paradijs van zijn jeugd, leerde er 'de Hel van de Wereld’ maar ook via enkele leermeesters de vruchtbare twijfel aan een gesloten wereldbeeld kennen. Een welbespraakte agnost laat hem kennis maken met 'de ontallijkheid van werelden’, de ruimte die de copernicaanse omwenteling geopend had doordat de aarde een ster onder de sterren was geworden en de mens kon dromen van een universum met parallelle, bewoonbare werelden. Een in hoofdletters sprekende pater laat hem kennis maken met de al eerder genoemde Aristotelische Verrekijker.
ALS REEEL bouwsel is het een mobiele encyclopedie, zoals Leibniz, Camillo en Lullus die bedachten, maar dan een met de input van een geheugentheater en de output van een tekstverwerker (zo een als Gulliver later in de grote Academie van Lagado gedemonstreerd zou krijgen). Belangrijker is dat Roberto dank zij deze Aristotelische Verrekijker, de 'Grootspraak van de ogen’ zoals de pater het noemt, de kracht van de verbeelding, de kunst van het veinzen en de macht van de metafoor leert kennen. In Parijs leert hij vervolgens in kringen van vrije geesten de nieuwste ideeen kennen, maar bepalender voor zijn leven is dat hij wordt ingewijd in de geheimen van de liefde, of liever van het (liefst onvervuld blijvende) liefdesverlangen. In tijden van nood en ledigheid, op het schip dus, begint Roberto, die in zijn vroege jeugd leefde van dromen en romans, zelf romans te schrijven - zijn ultieme leerstuk: dat je in de geest de werkelijkheid naar je hand kunt zetten.
Met als handlanger een verteller die de brieven van Roberto in handen heeft gekregen, demonstreert Eco hoe een roman ontstaat. Eerder al laat hij Roberto door een van zijn leermeesters, die wel romans bedenkt maar niet opschrijft, uitleggen dat de Roman altijd gegrond moet zijn op een of ander misverstand, met als geloofwaardigste de verwisseling met de Dubbelganger. Als mettertijd deze dubbelganger in Roberto’s leven, dromen en verhalen steeds belangrijker wordt, zodanig dat Roberto letterlijk in zijn roman opgaat - zoals de Verteller meer en meer in de rol van zijn hoofdpersoon - is dat een bewijs van de macht van de roman. En het zou mij niet eens verbazen als Eco niet alleen heeft willen laten zien hoe deze roman ontstaat, maar zelfs de roman als zodanig, parallel aan andere ontwikkelingen die volgden uit de copernicaanse omwenteling, een levend bewijs van de virtuele parallelwerelden.
Als de roman daarover gaat, en de tweede helft van het boek maakt dat je de eerste helft met terugwerkende kracht in dat perspectief gaat zien, dan heeft veel van het demonstratiemateriaal niet meer dan een eenmalige gebruikswaarde. Eco’s romans gaan, net als zijn essayistisch en wetenschappelijke werk, over lezen en interpreteren, over het lezen van het lezen. Ik heb daar niets op tegen. Ongegeneerd kan hij zijn roman uit zijn voegen laten barsten, bijvoorbeeld door een uitputtend encyclopedisch hoofdstuk over de Duif, die blijkt alles te kunnen symboliseren. En net als Roberto de toeschouwer van zijn eigen schipbreuk wordt - van de schipbreuk van de wereld waaraan hij door deze schipbreuk ontsnapt - zo beziet de schrijver de schipbreuk van zijn roman die geen roman wil zijn.
ECO HEEFT eens beweerd dat voor de roman constructie vele malen belangrijker is dan stijl, waarmee hij zich richtte tegen de aloude voorkeur van Italiaanse schrijvers voor poetische zinnen die hun het zicht op de compositie ontneemt. Maar constructie lijkt in dit boek van Eco toch vooral gedachtenconstructie te zijn en de roman meer gemaakt dan geschreven. Intellectueel genoegen is er volop aan te beleven, al is het maar dank zij het spel van de herkenning, allusies te over. De stilistische demonstraties mogen nog zo bewonderenswaardig zijn, met hun kunstige pastiches op de epistolaire kunst, het romantisch liefdesverhaal, de filosofische dialoog en vooral de barokke naamgeving van niet eerder geziene planten, dieren en dingen, maar als roman blijft het boek in beloften steken.
Waar Eco nu ophoudt, denk ik, had hij als romanschrijver moeten beginnen, en dat is iets anders dan materiaal verzamelen en excursies in de wereld van de encyclopedie, hoe mobiel die ook is. De slinger van Foucault vond ik indrukwekkend om de haast maniakale gedrevenheid ervan, waarin de schrijver zich aan zijn onderwerp spiegelde; hoe doorwrocht ook, bleef het boek in beweging door onopgeloste dubbelzinnigheid. In deze roman gaat Eco de vergelijking van teksten niet te buiten, om Galilei te parafraseren, hij draait zijn krullen op het kunstijs van de besloten wereld van het boek; een nogal vrijblijvend gedachtenspel, dat ik bovendien knap langdradig vind. Als ik de roman naast recente boeken als Zes wandelingen door fictieve bossen en het binnenkort in vertaling te verschijnen boek over de geschiedenis van 'Het zoeken naar de volmaakte taal’ leg, kan ik niet anders zeggen dan dat Eco zijn kracht als romanschrijver in zijn essays beter beproeft dan in zijn grote pillen, veelzijdiger, geestrijker en wat mij betreft boeiender. Het pleit tenminste niet voor deze roman dat ik, vooral bij herlezen, liever afdwaalde in de boeken die ik erbij haalde, van Blumenberg, Yates, Draaisma en Dijksterhuis, dan verder te moeten. Het lezen van een roman mag moeite kosten, mag zelfs werk zijn, maar geen corvee; en het schrijven ervan moet meer zijn dan het verzamelen van materiaal. De lezer is er niet om het werk van de schrijver over te doen.