Herman Langeveld, Hendrikus Colijn 1869-1944

Schipper én schipperaar naast God

Ook uit het tweede deel van zijn biografie komt Hendrikus Colijn naar voren als een autoritair, tomeloos ambitieus, hard en soms meedogenloos man met antidemocratische opvattingen. Maar klaarblijkelijk was hij precies de politicus waar Nederland in de jaren dertig behoefte aan dacht te hebben. In jaren van toenemende oorlogsdreiging werkten zijn oogkleppen rustgevend.

In het in 1998 verschenen eerste deel van zijn Colijn-biografie leverde VU-historicus Herman Langeveld het onomstotelijke bewijs van iets wat velen altijd al hadden gedacht: de voormalige minister-president en onbetwiste leider van het orthodox-protestantse volksdeel had zich als beroepsmilitair in Nederlands-Indië schuldig gemaakt aan oorlogsmisdaden. Omdat hij als officier had deelgenomen aan de terreurcampagnes waarmee rond 1900 Atjeh werd «gepacificeerd» moest er bijna wel bloed kleven aan de handen van Colijn. Bekend was dat een collega-officier geklaagd had over Colijns buitensporig harde en onmenselijke optreden. Langeveld ontdekte echter dat Colijn reeds daarvoor, tijdens een strafexpeditie op Lombok, twaalf vrouwen en kinderen die om genade smeekten, had laten executeren.

Hoewel Langeveld de term «oorlogsmisdaden» niet had gebruikt, was de opschudding groot. Vooral voor veel «mannenbroeders» uit de voormalige Anti-Revolutionaire Partij kwam dit hard aan. De meesten van hen haastten zich ook op de verdiensten van Colijn te wijzen, en stelden dat men het gewraakte bloedbad «in zijn tijd moest zien». Op de Vrije Universiteit, en met name op het daaraan verbonden Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme, liepen de gemoederen hoog op. In 1994 had Langeveld nog samen met de directeur van het documentatiecentrum, Jan de Bruijn, ter gelegenheid van de vijftigste sterfdag van Colijn een bundel artikelen geredigeerd en een conferentie georganiseerd. De Bruijn, die in het eerste deel van de biografie door Langeveld in het bijzonder wordt bedankt, schrok zich wild van alle ophef en vond het nodig Colijn in bescherming te nemen tegen zijn biograaf, wiens zorgvuldigheid en wetenschappelijke integriteit hij in twijfel trok. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het enige tijd duurde eer Langeveld de rust en lust vond om zich aan deel 2 te wijden.

Het tweede deel bevat geen onthullingen die net zo sensationeel zijn als die over de slachtpartij op Lombok, maar ook van dit boek wordt een mens niet bijster vrolijk. Uit deel 1 was Colijn reeds naar voren gekomen als een autoritair, tomeloos ambitieus, hard en soms meedogenloos man met antidemocratische opvattingen, die zich als topman bij de Koninklijke/Shell wel schuldig maakte aan «exhibitionistische zelfverrijking» maar wiens prestaties achterbleven bij zijn pretenties, een selfmade man bij wie het zelfbewustzijn niet zelden overging in zelfoverschatting.

Schipper naast God — dat Colijns politieke gloriejaren en de heel wat minder glorieuze laatste vijf jaar van zijn leven beschrijft — begint met Colijns houding ten opzichte van het fascisme en de parlementaire democratie. Colijn was niet iemand van het debat en het compromis, hij wilde knopen doorhakken. Velen zagen in hem de sterke man die een einde zou kunnen maken aan het eindeloze en op het oog zinloze gekrakeel van het parlement. In de jaren twintig en dertig hadden tal van lieden met antidemocratische of zelfs ronduit fascistische denkbeelden hun hoop op hem gevestigd. Wat opvalt, is dat Colijn zich die bewondering graag liet aanleunen en dat zijn opvattingen niet principieel verschilden van die van zijn fascistoïde bewonderaars. «Wij hebben nimmer behoord tot hen die het individualistische kiesrecht, dat wij danken aan de gronddenkbeelden van het liberalisme, onder de schoonste uitvindingen van de twintigste eeuw rekenden», schreef hij in 1928, na een bezoek aan Italië.

Mussolini, met wie hij een onderhoud had gehad, maakte op Colijn een positieve indruk, en in zijn artikelen over het fascistische Italië zal men tevergeefs zoeken naar woorden als «dictatuur», «afschaffing van persvrijheid» of «politieke gevangenen». Vooral het feit dat de socialisten en communisten hard werden aangepakt, moet hem zeker hebben aangesproken. Dat Colijn niettemin een zekere afstand bewaarde, en in het openbaar geen gewag maakte van zijn afkeer van de parlementaire democratie, komt volgens Langeveld voort uit zijn realisme, dat dikwijls naadloos overging in opportunisme. Hij zag in dat hij met dergelijke opvattingen in Nederland geen poot aan de grond zou krijgen — ook in zijn eigen partij kon hij wat dat betreft rekenen op sterke en principiële oppositie — en dat hij alleen door middel van diezelfde parlementaire democratie politieke macht kon verwerven. Bovendien onderschreef hij niet alle denkbeelden van het fascisme. Zo moest Colijn, die in economisch opzicht een ras echte liberaal was, niets hebben van het voor het fascisme zo kenmerkende staatsabsolutisme.

Echt openlijk heeft Colijn zijn antidemocratische overtuiging pas beleden in de zomer van 1940, wat zijn biograaf doet verzuchten dat «een ongelukkiger moment nauwelijks denkbaar was». Dat deed hij in zijn defaitistische brochure Op de grens van twee werelden, waarin hij verkondigde dat men zich diende neer te leggen bij het feit dat Duitsland de hegemonie in Europa had verworven, en dat men zich aan de gewijzigde verhoudingen diende aan te passen. Die bestseller berokkende zijn reputatie ernstige schade, omdat hij de indruk wekte dat Colijn volledig voor het nationaal-socialisme had gecapituleerd.

In tegenstelling tot zijn voorganger Abraham Kuyper heeft Colijn nooit blijk gegeven van antisemitisme, en ook in andere opzichten wilde hij niets van de nazi’s weten. In 1933 was zijn reactie op Hitlers Machtübernahme weliswaar bekrompen — hij was duidelijk ingenomen met de onderdrukking van de arbeidersbeweging en maakte zich voornamelijk zorgen over de mogelijke negatieve gevolgen voor de Nederlandse exportmogelijk heden —, zijn afkeer van Hitler en trawanten was evenwel oprecht. Zijn allesoverheersende neiging zich te laten leiden door de machtsverhoudingen was er echter de oorzaak van dat Colijn begrip kon opbrengen voor de Duitse buitenlandse politiek, ook al omdat hij reeds in 1919 het verdrag van Versailles onverstandig en onrechtvaardig had gevonden. Hij geloofde niet dat Hitler op oorlog aanstuurde en dacht het Derde Rijk te paaien door in verregaande mate tegemoet te komen aan zijn expansiezucht. Hoewel hij persoonlijk bevriend was met Churchill, die hem regelmatig zijn boeken toestuurde, was hij aan het eind van de jaren dertig een vurig supporter van de appeasement-politiek van Chamberlain. Toen Churchill in 1940 hoorde van Colijns opstelling tegenover de Duitse bezettingsmacht verklaarde hij dat hij nooit meer iets met hem te maken wilde hebben.

Colijns steun voor de appeasement-politiek leek in tegenspraak met zijn krachtdadige, harde en militaristische inborst, die was gebleken tijdens de bloedige strafexpedities op Lombok en Atjeh en die ook doorklonk in de opmerking dat het muitende marineschip Zeven Provinciën door middel van een torpedo naar de bodem van de oceaan diende te worden gestuurd. Toen Colijn die uitspraak deed, was hij nog geen minister-president. Hij was dus, in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, niet verantwoordelijk voor het inderdaad bloedig onderdrukken van deze muiterij. Ruim een jaar later, toen in juli 1934 in de Amsterdamse Jordaan een werklozen oproer uitbrak, was hij wél aan het bewind, en veegde hij de Amsterdamse burgemeester De Vlugt de mantel uit omdat er veel te weinig geweld zou zijn gebruikt. Ook in mei 1940 vond Colijn dat de juiste mentaliteit ontbrak. Hij was zeer verontwaardigd over het feit dat de strijd was opgegeven terwijl aan Nederlandse zijde hooguit achttienhonderd militairen waren gesneuveld.

Van iemand met dergelijke opvattingen zou men, tenzij hij niet meer is dan een praatjesmaker, verwachten dat hij tegenover de expansionistische politiek van Hitler een manhaftig standpunt had ingenomen. Uit Langevelds biografie wordt duidelijk waarom de met de Militaire Willemsorde gedecoreerde vechtjas Colijn hetzelfde standpunt innam als de allesbehalve martiale Chamberlain. Om te beginnen was daar Colijns permanente fixatie op Nederlands-Indië, dat werd bedreigd door de veroveringszucht van Japan. De Japanse opmars in Azië kon alleen worden gestuit door Groot-Brittannië, maar daarvoor moest dat land in Europa wel de handen vrij hebben. Dat het toegeven aan de territoriumdrift van Duitsland en Italië de dictators van die twee landen wellicht kon aanmoedigen om steeds verder te gaan, zagen Colijn en Chamberlain niet in.

Colijn zag zichzelf graag als Realpolitiker, en als de omstandigheden veranderden, was hij meestal geneigd zich aan te passen. Langeveld geeft vele voorbeelden waarbij dat realisme vrijwel ongemerkt overging in opportunisme, zodat hij zijn boek eigenlijk ook Schipperaar naast God had kunnen noemen. Niet alleen Colijns lamlendige geschipper op het terrein van de buitenlandse politiek kwam voort uit dat opportunisme, ook het feit dat hij als antidemocraat binnen het parlementaire stelsel de hoogste positie bekleedde. Bovendien nam hij in zijn kabinetten meermalen ministers op wier denkbeelden hij verafschuwde, maar die hem in het partijpolitieke kwartetspel goed uitkwamen.

Toch zag Colijn zichzelf in de eerste plaats als een man van onwrikbare beginselen. Naast zijn geloof in de alles bestierende God van Calvijn en Kuyper was daar vooral zijn geloof in de zegenrijke werking van de vrije markt en de «gave gulden». Lange tijd is het hem aangerekend dat Nederland als laatste, in de herfst van 1936, de gouden standaard losliet en devalueerde, waardoor het economisch herstel hier veel langer duurde dan elders en de werkloosheid een enorme omvang bereikte. In de jaren zeventig en tachtig werd dit beeld «gereviseerd», en beweerden verscheidene historici dat de ernst van de crisis in Nederland niet was te wijten aan het monetaire beleid, maar aan een aantal factoren van structurele aard.

In navolging van economisch historicus Jan Luiten van Zanden stelt Herman Langeveld dat het rigide vasthouden aan de «gave gulden» wel degelijk een rem vormde op het economisch herstel, en dat de zogenaamde «aanpassingspolitiek» van verregaande bezuinigingen op een fiasco was uitgelopen. Ook Colijn was dat in de loop van 1936 gaan inzien, en stiekem hoopte hij dat de laatste belangrijke «goudlanden» Frankrijk en Zwitserland zouden devalueren, waardoor hij kon zeggen dat Nederland nu geen andere keus meer had. Toen het eindelijk zo ver was, was Colijn er de man niet naar om toe te geven dat hij te lang had gewacht. Integendeel, hij was er trots op dat Nederland het zo lang had volgehouden. Maar zoals alle opportunisten was hij van mening dat het geen zin had om lang na te kaarten: «Thans geldt het wachtwoord: niet meer blijven hangen aan het verleden, dat is voorbijgegaan, vooruitzien naar de toekomst. De handen nu allen ineengeslagen en allen saam, met biddend hart en eenparig willen, den nieuwen toestand tegemoet.» Langeveld vindt dat een wel erg gemakkelijke manier om een punt te zetten achter een economische politiek die enkele honderdduizenden werklozen extra in de ellende had gestort.

Niet minder opportunistisch was het dat Colijn in de zomer van 1940 gesprekken voerde met de katholieke fascist Arnold Meijer. Niet alleen was Meijer een rabiate antisemiet, ook was hij jarenlang de felste criticus van Colijn geweest en had hij een smerige lastercampagne tegen hem gevoerd. Meijer had vooral veel werk gemaakt van de affaire-Mannheimer. Mannheimer was een joodse bankier uit Duitsland, die Colijn in de jaren twintig financieel uit de brand had geholpen en die in de jaren dertig er tot tweemaal toe voor zorgde dat de gulden niet hoefde te devalueren. Mannheimer wilde tot Nederlander worden genaturaliseerd, wat de woede wekte van allerlei fascisten en leidde tot allerlei publicaties over de connecties tussen de minister-president en deze «joodse plutocraat». Uit deze affaire kwam nog een andere voor Colijn bijzonder onplezierige kwestie voort: de geruchten over een vermeende maîtresse. De bewijsvoering dat deze Hella Schultz inderdaad de minnares van de schriftgetrouwe calvinist Colijn is geweest, heeft Langeveld niet helemaal rond gekregen, maar alles wijst erop dat de ogenschijnlijk zo onkreukbare minister-president hier een scheve schaats heeft gereden, en de dame veel geld bood om naar Argentinië te vertrekken.

Gevraagd naar eventuele positieve kanten van Colijn antwoordde Langeveld in 1996 in een interview met Hervormd Nederland dat Colijn tenminste geen antisemiet was geweest. Dat was een wel erg negatieve invulling van het begrip positief, alsof je van een inbreker zegt dat hij in elk geval geen oplichter is. Na enig nadenken voegde Langeveld daar echter aan toe dat Colijn een belangrijke factor was geweest bij het tot staan brengen van de opmars van de NSB, en dat hij een forse bijdrage had geleverd aan de stabiliteit van de Nederlandse democratie. Verwacht mocht worden dat deze verdienste van Colijn in dit tweede deel van de biografie breed zou worden uitgemeten. Dat valt echter tegen. Weliswaar wijst Langeveld op enkele positieve kanten van Colijn — zoals het feit dat hij tal van mensen hielp, zeer verknocht was aan zijn vrouw, en al in de herfst van 1940 terugkwam op zijn aanvankelijke defaitisme en daarna de basis legde voor het netwerk van het gereformeerde verzet — maar de eindconclusie is er niet minder negatief door. Volgens de biograaf heeft Colijn gefaald ten aanzien van de belangrijkste vraagstukken waar hij voor werd geplaatst (bestrijding van de crisis, onderkenning van het gevaar van nazi-Duitsland, de toekomst van de koloniale relatie met Indië en de ontwikkeling van de parlementaire democratie). Bovendien is hij door zijn categorische miskenning van het Indonesische nationalisme, en door de overtuiging dat «het Nederlandse gezag in Indië even hecht is gevestigd als de Mont Blanc in de Alpen rust», medeverantwoordelijk voor de bloedige dekolonisatie.

Volgens Langeveld kan dergelijke kritiek niet zomaar worden afgedaan als «wijsheid achteraf», aangezien ook in die tijd al kritiek werd geleverd op het beleid van Colijn en er alternatieven werden aangedragen. Maar als er zo veel valt af te dingen op zijn beleid, waarom kon hij dan in de jaren dertig de Nederlandse politiek zo sterk domineren? Voor een deel was dat het verhaal van koning Eenoog. Numeriek waren de antirevolutionairen veel zwakker dan de katholieken, maar dezen ontbeerden een politiek leider die ook maar in de schaduw van Colijn kon staan. Daarnaast was Colijn de enige politicus die ook buiten zijn eigen zuil populariteit genoot. Door onder meer slinkse deals met de hoofdredacteuren van de grote liberale dagbladen verwierf Colijn ook in die kringen veel aanhang. Daarnaast genoot hij als enige Nederlandse politicus internationaal aanzien, en beschikte hij over een enorm buitenlands netwerk. En hoewel hij in een aantal denkbeelden én levensstijl sterk afweek van de gemiddelde antirevolutionair werd hij wegens zijn geloof toch gezien als één van hen. Bovendien waren ze er trots op dat deze oorlogsheld, deze topondernemer, deze internationaal vermaarde staatsman één van hen was. Hierdoor hadden zij, de «kleine luyden» van Abraham Kuyper, wellicht het idee dat ze groot waren geworden.

Klaarblijkelijk was Colijn precies de politicus waar Nederland behoefte aan dacht te hebben. In een verwarrende tijd leek hij te weten waar het naartoe moest, en leek hij in staat krachtig te handelen. In jaren van toe nemende oorlogsdreiging werkten zijn oogkleppen rustgevend.

Herman Langeveld

Schipper naast God: Hendrikus Colijn 1869-1944. Deel 2: 1933-1944

Balans, 687 blz., € 37,50