Rocken voor de vrije wereld

Schizofreen patriottisme

Zowel Neil Young als Bruce Springsteen ontfermde zich muzikaal over de gebeurtenissen van 11 september 2001 en daarna. Maar ook zij weten de nationale Amerikaanse apathie niet te doorbreken.

Op 4 mei 1970 werden tijdens een grote demonstratie tegen de oorlog in Vietnam op de campus van Kent State University in Ohio, vier studenten doodgeschoten door de Nationale Garde. Opeens zag de protestgeneratie zich in de rol van prooi gepositioneerd. De toch al niet overweldigende populariteit van de regering-Nixon bij de Amerikaanse jeugd zakte tot ver onder het nulpunt.

De woede kreeg twee weken later een stem met het lied Ohio, geschreven en gezongen door Neil Young, de jonge, van oorsprong Canadese bard die zich kort daarvoor had gevoegd bij het supertrio Crosby, Stills & Nash. Young, zo vertelde zijn kompaan David Crosby later, had het nummer binnen een uur gecomponeerd, nadat hij in een krant foto’s had gezien van de dodelijke slachtoffers op de universiteit, onder wie een studente.

De tekst van het lied was even kort als dreigend:

Tin soldiers and Nixon coming

We’re finally on our own

This summer I heard the drumming

Four dead in Ohio

Got to get down to it

Soldiers are cutting us down

Should have been gone long ago

What if you knew her and

Found her dead on the ground

How can you run when you know

De muziek van Ohio, in een recordtempo van twee weken uitgebracht, stond bol van de woede: de elektrische gitaren van Young en Stephen Stills knarsten in een staccato-verontwaardiging, het ritme klonk als dreigend oorlogsgetrommel, de snerpend hoge, overslaande stem van Young zat ver boven de pijngrens, en werd ondersteund door de extatische achtergrondzang van Crosby, Stills en Nash.

Ohio was meer dan een protestlied, het was een regelrechte oorlogsverklaring, en dat gezongen door een groep die na het spetterende optreden op het Woodstock-festival de status had gekregen van het Amerikaanse antwoord op de Beatles.

Nixons toenmalige vice-president Spiro Agnew klaagde naar aanleiding van Ohio over het «on-Amerikaanse» karakter van de rockindustrie. Maar hoewel de csn&y-single door veel radiostations in de ban werd gedaan, steeg hij tot hoog in de Billboards Top 100. Met Ohio werd Neil Young in één klap de stem van een gene ratie.

Twee weken na 11 september 2001 kwam Neil Young voor de tweede keer in zijn rockloopbaan met een politiek geladen gelegenheidssingle. Met Let’s Roll, terug te vinden op zijn album Are You Passionate, liet hij zich echter van een geheel andere kant zien. Het lied is een ode aan Todd M. Beamer, een van de inzittenden van het vliegtuig dat op 11 september werd gekaapt met als kennelijk doel op het Witte Huis neer te storten. Beamer, een computeranalist, was degene die tijdens de kaping een telefoongesprek voerde met zijn vrouw, waarin hij zei dat hij samen met enkele medepassagiers van plan was de kapers te overmeesteren. Zijn laatste woorden luidden: «Let’s Roll.»

Vlucht 93 van United Airlines zou uiteindelijk neerstorten in Pennsylvania. Geen der inzittenden overleefde de crash. Neil Young greep dit relaas aan om een hart onder de riem van de Amerikaanse bevolking te steken.

Let’s Roll wordt ingeluid door een even dreigende gitaarpartij als indertijd Ohio en het gepiep van een mobiele telefoon, waarna Young zich prevelend verplaatst in de persoon van Todd Beamer terwijl hij zijn laatste gesprek met zijn geliefde voert. «Time’s running out, let’s roll», zingt Young, na met enkele korte beschrijvingen de situatie in het gekaapte vliegtuig te hebben geschetst. Het lied culmineert daarna in een soort politieke exegese ten bate van de regering van George W. Bush:

Let’s roll for freedom

Let’s roll for love

Going after Satan

On the wings of a dove

Voor wie de boodschap dan nog gemist heeft, expliceert Young: «You’ve got to turn on evil when it comes after you»:

Let’s roll for justice

Let’s roll for truth

Let’s not let our children

Grow up fearful in their youth

Daarmee leek Neil Young naadloos aan te schuiven bij president Bush, die de laatste woorden van Todd Beamer gebruikte als slogan van zijn «war against terrorism».

Let’s Roll groeide in de bange weken die volgden op 11-9 uit tot de nationale strijdkreet van Amerika. De US Air Force liet per decreet weten dat minstens één vliegtuig per peloton ermee zou worden getooid. Geheel in overeenstemming met de American Way liet de weduwe van Todd Beamer reeds op 26 september 2001 weten dat zij de auteursrechten van Let’s Roll claimde als wettelijk bezit van de inderhaast opgerichte Todd M. Beamer Foundation.

De miljoenen bewonderaars van Neil Young bleven verbijsterd achter. Moesten zij lijdzaam toezien hoe de gewezen keizer van de tegencultuur van de jaren zeventig, de man die op het ultieme hippiealbum Déja vu van Crosby, Stills, Nash & Young (1970) nog vroom had gezongen over de dag dat bommenwerpers zouden veranderen in «butterflies above our nation» (in het nummer Woodstock van Joni Mitchell), transformeerde tot spreekbuis van het meest oorlogszuchtige Amerikaanse regime sinds president Johnson?

Met name in Europa, waar Young met songs als Southern Man (van het album After the Goldrush,1970) en Alabama (van de elpee Harvest, 1972) vanaf de vroege jaren zeventig grote triomfen vierde in de progressieve gemeente, was de schok onmetelijk. De Duitse versie van het tijdschrift Rolling Stone rekruteerde diverse Young-exegeten van het eerste uur, die allen tot de bedroefde conclusie moesten komen dat Let’s Roll inderdaad niets anders was dan een staaltje afschrikwekkende patriottische kitsch, op één lijn te stellen met John Wayne’s Green Barets en het hele cinematografische oeuvre van Bruce Willis — samen met Arnold Schwarzenegger de enige hedendaagse Republican van Hollywood.

«Als er in dit lied meer zit dan stompzinnige, onkritische heldenverering dan wel de oproep tot actieve verdediging van de Amerikaanse waarden, moet het zo subtiel zijn dat het mij in ieder geval is ontgaan», schreef Young-kenner Martin Johns in het blad Intro. Op internet buitelden de teleurgestelde fans over elkaar heen: «The lyrics are so fucking bad you have no fucking idea», aldus een Young-volgeling uit New York, die met een welgemeend advies voor de uitvoerende artiest kwam: «Get better again, please». En een andere teleurgestelde bewonderaarster vroeg zich af: «Are you a speechwriter for George Bush now?»

Toch is Let’s Roll binnen het oeuvre van de zelfbenoemde «dinosaurus van de rock», die nu al decennialang tot de toonaangevende muzikanten van de VS behoort, veel minder een dissonant dan dit koor der deceptie wil doen geloven. De politiek van Neil Young is al sinds eind jaren zeventig, begin jaren tachtig gekenterd naar een vorm van Amerikaans patriottisme, zij het van tamelijk schizofrene aard. Zo distantieerde hij zich al in 1977 van zijn protestlied Ohio: «Het is nog steeds moeilijk te geloven dat ik die song moest schrijven. Het is nog steeds ironisch dat ik de dood van deze Amerikaanse studenten te gelde heb gemaakt. Het is misschien de grootste les die ooit geleerd is op een Amerikaans centrum van onderwijs.»

Terwijl zijn kompanen Stephen Stills, Graham Nash en David Crosby de idealen van het hippietijdperk tot de laatste tand bleven bezingen, werd Young steeds meer een uitgesproken voorstander van de politiek van Ronald Reagan, van «het nieuwe realisme» van de jaren tachtig. Daar gingen cruciale ervaringen aan vooraf, aldus Young. Eén ervan was dat hij tijdens een uitvoering van Southern Man, zijn beroemde aanklacht tegen de apartheidsperikelen in de zuidelijke VS, zag hoe een blanke jongen die in het publiek totaal uit zijn bol ging op de muziek, total loss werd geknuppeld door een zwarte agent. Sindsdien, aldus nog steeds Neil Young, ging hij de vanzelfsprekendheden van de sixties op een andere manier zien.

Toen het overgrote deel van de Amerikaanse rockaristocratie zich in 1976 achter het presidentschap van Jimmy Carter stelde — de eerste president die tijdens interviews en speeches teksten van Bob Dylan citeerde — begon Young aan een tegengestelde beweging. In een interview in 1985 keek hij op de Carter-jaren terug als een periode van gevaarlijke verzwakking van de Amerikaanse natie. Met name de mislukte poging de Amerikaanse gijzelaars in het Iran van ayatollah Khomeini te bevrijden en het feit dat Carter zich had ontdaan van het Panamakanaal, zetten kwaad bloed bij de voormalige hippiekoning: «Tijdens de Carter-jaren liep iedereen met de staart tussen de benen en praatte iedereen met het hoofd naar beneden, weet je wel, omdat ze dachten dat Amerika zo slecht was geweest, dat we zoveel verkeerde dingen hadden gedaan. Maar vooral op militair gebied kregen we toen een paar rampen te verwerken en veel dingen die nooit hadden mogen gebeuren en die misschien fouten waren, hoewel dat moeilijk te bepalen is.»

In hetzelfde interview nam Young vierkant stelling achter Reagan: «Ik sta achter Reagan als het gaat om opbouw, om standvastig te zijn, om in staat te zijn hardball te spelen met andere landen die agressief staan ten opzichte van de vrije landen. Ik zie daar niets verkeerds in. In 1967 zou ik niet zo hebben gedacht. Maar ik ben nu ouder, ik heb een gezin, ik zie andere mensen met gezinnen. Er is nu geen directe bedreiging voor de Amerikaanse families, maar er is wel directe dreiging tegen families in andere landen, weet je wel, veel van de landen op de grens van het IJzeren Gordijn.»

Toch was er ook binnen dit nieuwe realisme geen plaats voor al te veel bewondering voor Reagans opvolger George Bush. In 1988 verklaarde Young dat een voormalige directeur van de CIA in zijn ogen zeker geen president zou mogen worden, en sprak hij zijn sympathie uit voor de democratische kandidaat Jesse Jackson. Op zijn album Freedom (1989) presenteerde Young met Rocking in the Free World een sardonische visie op het Amerika van Bush sr. en de steeds meer geïsoleerde positie van de VS binnen diens «New World Order»:

There’s a warning sign on the road ahead

A lot of people saying we’d be better off dead

Don’t feel like Satan but I am to them

So I try to forget it anyway I can

En:

We got a thousand points of light

For the homeless man

We got a kinder gentler machine gun hand

We got department stores

And toilet paper

Stylofoam boxes for the ozone layer

We got a man of the people

Says keep hope alive

Got fuel to burn

Got roads to drive

Ook ten opzichte van Bush jr. staat Young lang niet zo positief als men op grond van Let’s Roll zou kunnen vermoeden. Integendeel, tijdens recente interviews nam Young op zijn bekende bloemrijke wijze stelling tegen de oorlogs president, die zich volgens hem gedraagt als «a fucking drunk sitting at the wheel».

Wellicht is hier sprake van een stukje rock ’n roll-pr-management, gegeven het feit dat de hedendaagse Amerikaanse vredesbeweging die van de Vietnam-jaren inmiddels in ruime mate overtreft. Maar even goed zou er alweer een daadwerkelijke kentering kunnen zijn opgetreden in de positie van Young als politiek commentator. «Flying after Satan on the wings of a dove», valt in elk geval op meer dan één niveau te interpreteren. Bovendien staan er op Are You Passionate ook nog wel andere songs, die zich veel minder lenen als onderdeel van de bushiaanse oorlogspropaganda.

Zo wordt in het lied Going Home op weinig politiek correcte wijze gerefereerd aan de ondergang van generaal Custer tijdens diens slag tegen de indianen in de Little Big Horn in South Dako ta. Nog steeds zit er in het patriottisme van Young een interne tweestrijd verscholen tussen de havik en de duif.

Veel minder dubbelzinnig is de cd The Rising, waarmee een andere gigant van de Amerikaanse rock, Bruce Springsteen, stilstaat bij de Amerikaanse tragedie van 11-9. Springsteen maakte net als Young gedurende zijn carrière een merkwaardige politieke ommezwaai, zij het tegen wil en dank.

Voortgekomen uit de tegencultuur van de Big Apple betoonde Springsteen zich vanaf het begin van zijn loopbaan een legitieme erfgenaam van de legendarische linkse folkzanger Woody Guthrie, zij het minder partijgebonden dan de laatste. In 1984, op het toppunt van zijn roem, werd Springsteen onvrijwillig ingelijfd door Ronald Reagan, die tijdens zijn presidentiële campagne gretig citeerde uit Springsteens hymne Born in the USA. Sindsdien geldt ook Springsteen als een oer-Amerikaan, hoewel zijn visie op de Amerikaanse samenleving toch op zeer essentiële terreinen hemelsbreed verschilt met die van het Reagan-Bush-kamp.

The Rising is net als Are You Passionate een directe reactie van een rockster op de gebeurtenissen van 11-9. Maar anders dan Young waagt Springsteen zich niet aan geopolitieke poëzie over de rol van Amerika in het strijdgewoel. In The Rising brengt Springsteen een ode aan de gewonde stad, het New York dat hem heeft grootgemaakt. De songs zijn gebaseerd op gesprekken die «the Boss» zelf voerde met nabestaanden van de aanslag op de Twin Towers, en dienen als kleine portretten van de levenslust die New York na de traumatische gebeurtenissen van 11 september heeft behouden.

Kortom: een project dat overloopt van de goede bedoelingen. Maar helaas niet van echt goede muziek. Het enige muzikale hoogtepuntje van het album is World Apart, waarin Springsteen zijn archetypische Amarikaanse powerrock laat samengaan met een Arabische melodielijn. Het is het enige moment in The Rising waarop de meta foor van 11 september daadwerkelijk tot leven komt, hetgeen een wat magere score is gezien de ambitiegraad van het project.

Het lijkt erop dat ook de supernova’s van de Amerikaanse rockindustrie nog niet in staat zijn geweest de collectieve apathie van de Amerikanen sinds 11-9 op probate wijze van zich af te schudden en te verwoorden wat er werkelijk speelt in de onderstromen van het Amerikaanse bewustzijn.

De enige icoon van de rock die echt boven op de gebeurtenissen lijkt te zitten, is de inmiddels 61-jarige Bob Dylan. Dylans nieuwste cd Love & Theft kwam precies uit op 11 september 2001. Het algemene levensgevoel van Love & Theft valt op bovennatuurlijke wijze samen met de gebeurtenissen op die dag in de VS, zodat criticus Greg Tate van het New Yorkse weekblad Village Voice zich al verbijsterd afvroeg: «What did Dylan know, and when did he know it?»

«Things are breaking up out here», zingt Dylan op Love & Theft, en dat is misschien wel de beste samenvatting van de gebeurtenissen op en na 11-9. Hij lijkt niet te pochen als hij zingt: «I can see what everybody in the world is up against.» Maar de waarheid gebiedt te zegen dat Dylan natuurlijk al sinds een jaar of dertig warmloopt voor de Apocalyps. World Gone Wrong, zo luidde niet voor niets de titel van het werkstuk dat hij voor Love & Theft uitbracht, en die boodschap was zo overtuigend dat nu ook de paus — een Dylan-head van recente datum — verkondigt dat «God zich walgend van de wereld heeft afgekeerd».

Het is misschien niet de meest opwekkende bijdrage van de wereld van de lichte muziek aan de hedendaagse ramptaferelen, maar het is in ieder geval een stuk meer op zijn plaats dan het padvinderspathos van het lied We Want Peace, dat de jonge rocker Lenny Kravitz deze maand uitbrengt ter kering van het oorlogstij.

En misschien is het ondertussen ook de hoogste tijd voor de heruitgave van een Dylan-klassieker als Masters of War. Leren de jonkies ook eens hoe je echt moet protesteren.