Interview met de Hongaars-Servische schrijver László Végel

Schizofreen Servië

Na de bombardementen van de Navo in 1999 op Servië schreef László Végel een aanklacht tegen de ghostwriters van Milosevic’ haatfabriek. Nu is hij medevertegenwoordiger van zijn staat op de Leipziger Buchmesse.

‘HIJ WAS ervan overtuigd dat in de kern van het patriottisme de oorlog op de loer lag. Dat was in dit deel van Europa altijd zo geweest: daar waar het woord patriottisme veel werd gebruikt, ratelden al gauw de geweren.’
Lászlo Végel (Novi Sad, 1941) noteerde deze zinnen in zijn 'oorlogsdagboek’ Exterritorium, dat in 2000 uitkwam. De Scènes van het millenniumeinde, zoals de ondertitel van de roman luidt, sloegen in Midden-Europa in als een bom. De auteur richtte zijn zinderende proza niet tegen de Navo die Servië net daarvoor had gebombardeerd om het op de knieën te krijgen inzake Kosovo. Hij stelde daarentegen de nationalistische hysterie aan de kaak die nagenoeg heel Servië in zijn greep kreeg. Hij beschrijft hoe voorheen overtuigde oppositieleiders, kritische intellectuelen en ervaren journalisten bij de bombardenten opeens ghostwriters werden van de Groot-Servische gedachte. Zelf noemt de auteur Exterritorium spottend een 'documentaire roman over een fictieve werkelijkheid’. Dat was de droomtoestand waarin men zichzelf eeuwige Servische roem aanpraatte.
Het vocabulaire van de Servische Schrijversbond schoof in deze jaren bijvoorbeeld op naar messianistische partijtaal: 'Servië is overal waar Serviërs begraven liggen.’ Het 'Westen’ komt er bij die verenigde schrijvers van af als 'nieuwe fascistisch-corrupte wereldorde’. Végel citeert en fileert zulke retoriek in zijn boek genadeloos. De auteur, terugblikkend vanuit zijn Noord-Servische woonplaats Novi Sad: 'Milosevic verdedigde zich vanuit de gevangenis in Den Haag, kort voor zijn dood, nog met de woorden: “Maar de oppositie was nationalistischer dan ikzelf.” En zo was het ook.’
Exterritorium kon in Servië niet verschijnen, zegt hij: 'Het kwam in 2000 in Hongarije uit. Ik schrijf in het Hongaars, ben van Hongaarse afstamming.’ In dat land viel het boek in de prijzen. 'Maar hier in Servië had de Hongaarse minderheid moeite met het boek; ze vreesde repressailles. Pas toen de democraat Djindjic in 2001 premier van Servië werd, kon de Servischtalige editie op de markt worden gebracht.’
Zoran Djindjic werd in 2003 vermoord.
'Een tragedie. Zijn moordenaars kwamen uit de Servische geheime dienst die hij als premier probeerde te zuiveren. Djindjic was een echte Europeaan die nog bij Jürgen Habermas in Frankfurt had gestudeerd. Eindelijk was er iemand die schoon schip in het land wilde maken.’
En nu? Heerst er schaamte, of althans twijfel, over de propagandaval waar men zo massaal in is gelopen?
'Helaas is er niet veel veranderd, al drukken enige politici zich op het Europese podium nu wat tactischer uit. In mijn land is nog steeds een pre-modern etnisch conflict gaande, waaraan de Navo met hoogst moderne militaire middelen een eind meende te kunnen maken. Maar zo werkt het niet. “Den Haag” heet hier in de volksmond nog steeds “de Goelag”, oftewel “een stalinistische hel”. Het Haagse oorlogstribunaal vormt een excuus voor vreemdelingenhaat, ook onder de intellectuelen, die toch beter zouden moeten weten.’
De auteur slaakt een zucht. 'Alle politieke partijen in mijn land zijn etnocentrisch. Partijoverkoepelend is alleen een soort nationaal-populisme. Daarin is de “verdwenen” Ratko Mladic uitgegroeid tot mythische held. Elke nieuwe regering beweert dat niemand hem de afgelopen tien jaar heeft gezien.’
László Végels grote literaire voorbeeld is Heinrich Böll, met name diens Biljarten om halftien uit 1959, waarin de naoorlogse mens figureert als een opportunistisch kuddedier dat bar weinig uit het recente verleden heeft geleerd. 'Bölls roman is zo actueel, die kun je moeiteloos projecteren op het Servië van nu, waar men de aangerichte gruwelen eveneens zo graag vergeet.’ Net als in Biljarten om halftien spelen in Exterritorium bezweringsformules tegen het vermeende kwaad een grote rol. De dichters, academici, oppositieleiders en andere meelopers van het regime verschijnen als verongelijkte klassieke koren, die gehypnotiseerd blijven herhalen hoe onschuldig ze waren: 'Wij [Serviërs] hebben alleen teruggeschoten.’
'Tegelijkertijd heerst er nog steeds een overwinningsroes’, vult Végel aan. 'Zo van: wij hebben de Navo en Europa vernederd. Een fantasie, maar toch. Men kijkt naar Bosnië en constateert tevreden dat de Servische entiteit er grote macht heeft. In Kosovo ziet men het ook die kant uit gaan.’
Inmiddels vinden veel Serviërs, nuanceert hij, 'Europa’ heus wel de beste oplossing voor hun land: 'Maar de motieven zijn verwarrend. Kijk, intellectuelen van hier zijn met de Franse en Amerikaanse cultuur opgegroeid, reisden graag naar het Westen, gingen in Duitsland werken en lieten hun kinderen Engels leren. Dat kon allemaal onder Tito. Maar na 1990 gingen ze op zoek naar hun Balkan-wortels. Het gevolg is nogal schizofreen gedrag. Ze kunnen vol haat over het Westen spreken en kopen tegelijkertijd artikelen met een Engelstalig merkje erop. Ze willen naar “Europa”, maar wel aan de hand van Poetin. Er heerst in Servië nu eenmaal een hartstochtelijke liefde voor Rusland.’

'HET ERGSTE van het titoïsme was wat erna kwam.’ Dat zegt László Végel al jarenlang. Niet dat hij de ondergang van de socialistische staat betreurt; Joego-nostalgie is hem vreemd. Zijn eerste roman, Bekentenissen van een souteneur, waarmee hij in 1967 doorbrak, biedt zelfs een schaamteloos nihilistische blik op een Joegoslavië waar de jeugd willoos rondhangt, neukt en zuipt.
Maar hoe kleiner Végels staat werd, van de Federale Socialistische Republiek Joegoslavië tot een gedecimeerde bondsrepubliek waarvan nu slechts Servië rest, des te eenzamer begon de etnisch-Hongaarse schrijver zich te voelen: 'Veel Hongaren van hier, maar ook regeringskritische Serviërs - ze bestaan gelukkig wel degelijk - zijn het land uit gegaan. Novi Sad herbergt nu vele etnisch-Servische vluchtelingen uit Kroatië, Bosnië en van elders die vol wrok zitten en anti-Europees denken.’
In het Servië van rond 1999 leidde Végel, net als zijn alter ego in Exterritorium, een min of meer ondergronds bestaan. 'Ik had meer angst voor de Servische politie dan voor de Navo-bommen. In die tijd leidde ik in Novi Sad het bureau van de Soros-stichting, dat de democratisering een zetje moest geven. Ons bureau was al een keer verboden, dus je wist nooit waar je aan toe was. En als Hongaar heette ik, in de hetzerige stemming van toen, naar believen een “Amerikaanse spion”, een “Hongaarse ultra-nationalist” of een “ontheemde bastaard”.’
Végel heeft in zijn land nog maar weinig literaire zielsverwanten, geeft hij toe: 'Er is wel een nieuwe generatie schrijvers opgekomen, maar die is niet erg politiek gericht, en nogal soft en postmodern. Hun werk bevat geen waarheden, zeggen ze.’
Zowel zij als hijzelf, inmiddels een nestor, zijn half maart present op de Leipziger Buchmesse, de literaire draaischijf tussen Oost en West die dit jaar Servië tot zwaartepunt heeft gekozen. Midden in het Europese literaire gewoel zijn - bij die gedachte leeft Végel, met zijn neiging tot somberen over het geestelijke leven in de uithoek Servië, altijd weer op.
'Eigenlijk ben ik pas de laatste paar jaar als auteur weer wat zichtbaarder geworden’, legt hij uit. 'In Duitsland voel ik me thuis, terwijl ik hier een soort ontheemde ben geworden - de titel Exterritorium duidt daarop. Maar deze hoedanigheid verbindt me, troost ik me dan, met de schrijver Joseph Roth en vele andere grote ontheemden van het ondergegane Oostenrijks-Hongaarse Rijk, waartoe ook Novi Sad behoorde. De taal was Roth’s enige Heimat, zoals hij zei.’

NAAR HONGARIJE verkassen is ook geen optie?
'Mijn hele literaire oeuvre is met dit Újvidék, zoals de oude Hongaarse naam van Novi Sad luidt, verbonden. Hongarije is een vreemd land voor me. Mijn stadsgenoten hier riepen ten tijde van de Navo-bombardementen tegen mijn oude moeder dat ze een verraadster was: “Ga terug naar Hongarije, jij!” “Terug”, nota bene: ze was precies één keer van haar leven in het huidige Hongarije geweest, een dagje uit met mij in 1969. Ik bezat toen voor het eerst een som Hongaars geld, omdat in Boedapest mijn roman Bekentenissen van een souteneur verfilmd zou gaan worden.’
De verfilming van zijn boek ging niet door. 'Na de sovjetinvasie van 1968 in Praag nam ook in Hongarije de repressie weer toe. En een schrijver uit het socialistisch afvallige Joegoslavië was sowieso al verdacht.’ Het boek zelf was dan wel in de Hongaarse taal geschreven, maar kon in dat land alleen onderhands worden aangeschaft. 'Pas na de opening van het IJzeren Gordijn kon ik daar officieel publiceren.’
De schrijver Péter Esterházy noemde Bekentenissen van een souteneur een 'mijlpaal’ voor de moderne Hongaarse literatuur. 'Ik beschreef het taalgebruik en het levensgevoel van de jeugd van 1967 te Novi Sad’, legt Végel uit. 'In Hongarije kwamen veel dissidenten uit de hoek van de avant-garde, of andersom, en bij hen sloeg mijn boek aan. In mijn Joegoslavië speelde de avant-garde niet zo'n rol. Maar het geestelijke leven was hier tot in 1968 behoorlijk vrij. Daarna werd ik weggezet als een representant van de onwelgevallige Crni Val, de Zwarte Golf van kritische, systeemnegatieve '68'ers in de kunst.’
Végels beroemdste stadsgenoot, Aleksandar Tisma, had Bekentenissen van een souteneur direct in het Servokroatisch vertaald. 'Dat was een geluk voor me. We raakten bevriend en hij heeft me gestimuleerd verder te schrijven, ook essays en theaterstukken. Zijn dood in 2003 maakte me nog ontheemder.’ Tisma was, benadrukt Végel, net zo'n 'Europese bastaard’ als hijzelf, en wellicht nog méér: 'Hij was de zoon van een Hongaarse jodin en een Serviër.’

IN HET CAFÉ in Novi Sad komt een man om muntjes bedelen. Végel dient hem van repliek. 'Hij zei: “Als je me wat geeft, helpt God je.” “Nee, God helpt niet”, antwoordde ik. Iemand moet hier nog atheïst zijn. Want alle voormalige communisten zijn plotseling religieus geworden.’
Hij schiet in de lach. 'In Amsterdam worden de kerken in de verkoop gedaan, vertelde mijn vriend Dragan Klaic. Hij was jarenlang directeur van het Amsterdamse Theaterinstituut, en daarvóór theaterwetenschapper in Belgrado. Dragan heeft mij gewaarschuwd dat het weer oorlog zou worden.’
Végel zocht Klaic een paar jaar geleden in Amsterdam op. 'Hij toonde mij zijn Holland, een zeer onkerkelijk land. “We hebben hier een scheiding tussen kerk en staat”, legde hij enthousiast uit. In Servië hebben we die namelijk helaas niet. De minister van Buitenlandse Zaken spreekt van een “synergie” van kerk en staat, dat geeft te denken. Onze staat is zeer arm, maar voor grote nieuwe orthodoxe kerken is altijd geld beschikbaar. We gebruiken daarvoor gewoon de financiële steun die we van organisaties uit Noorwegen of Nederland krijgen om armoede te bestrijden en culturele kansen te creëren. Zaken doen met donaties heeft op de Balkan een lange traditie.’


Leipziger Buchmesse, 17 t/m 20 maart. Het werk van een zestigtal Servische auteurs wordt voorgesteld en is daartoe deels voor het eerst vertaald (in het Duits). www.leipziger-buchmess.de/
Exterritorium is in het Duits verschenen bij Matthes & Seitz (2007). Dezelfde uitgeverij brengt de komende week de eerste Duitse versie van László Végels debuutroman (1967) uit: Bekenntnisse eines Zuhälters