Schmier, zwelg en huiver

Filmtheater t Hoogt in Utrecht, 10 april om 15.00 uur. Het Filmmuseum te Amsterdam herhaalt dit programma deze zomer in de serie openluchtvoorstellingen.
In het gunstigste geval is de kijker zich niet bewust van de muziek, meende Stravinsky. Zijn devies aan componisten van filmmuziek luidde dan ook: Zodra de kijker erop gaat letten, moet je het hem zo snel mogelijk weer doen vergeten. Het lijkt een paradox, omdat elke doorsnee bioscoopfilm haast zijn bestaansrecht ontleent aan de muziek. Maar zoals in veel gevallen, had de oude maestro gelijk: de beste filmmuziek stuurt als een onzichtbare hand de gebeurtenissen.

In het geval van het Basho Ensemble, dat deze week vier stomme films van live muziek voorzag, was dat om praktische redenen al onmogelijk. Dit ongeveer vijftienkoppige ensemble stuwde een ware orkaan van decibellen door het kleine zaaltje van het Filmmuseum, waardoor de muziek nu eens symfonische proporties aannam (Marc van Vugt en Henk Alkema), dan weer een big band deed vermoeden (Willem Breuker).
Tussen de vier componisten onderling, die elk een bijdrage aan het programma Oud-Hollands melodrama hadden geleverd, was wel degelijk een verschil in benadering merkbaar. En de conclusie luidde al snel: hoe simpeler de muziek, hoe beter deze hilarische instant-dramas (daterend uit de jaren tien) uit de verf kwamen.
Natuurlijk hebben ze er alle vier een eer in gelegd cliche’s te onderstrepen. Op het moment dat Joachim in Joachim Goethal & het geheim van het staal een fractie van een seconde de handen van de door hem aanbeden Maria vasthoudt, trommelt Marc van Vugt ogenblikkelijk alle beschikbare strijkers op. In De wraak van het visschersmeisje heeft Henk Alkema zijn tanden gezet in de gifdood van de overspelige Hendrik en zijn geliefde: de slangebeet, die binnen een paar seconden fataal blijkt te zijn, vindt zijn weerslag in een hoge, panische xylofoonsolo. Henny Vrienten, die het meer dan de anderen op sfeertekening gooit, voert in Telegram uit Mexico een mondharmonicadeuntje a la Once Upon a Time in the West ten tonele om de Hollandse cowboy Willem te karakteriseren. Meest inventief en humoristisch is Willem Breuker, die in Molens die juichen en weenen de herinnering van een klein jongetje aan zijn kapotgeslagen molen met een larmoyant glissando weergeeft.
Het schrijven van een filmpartituur roept bij componisten de meest banale sentimenten op. Dat moet ook. Er moet geschmierd, gezwolgen en gehuiverd worden. En het kan niet goedkoop genoeg zijn. Zo bleken de stukken van Van Vugt en Alkema het minst gelukkig uit te pakken, omdat beiden toch probeerden meer in de partituur te stoppen dan voor de film noodzakelijk was. Dat werkt ogenblikkelijk averechts - zodra de kijker op zijn intellect en niet op zijn gevoel wordt aangesproken, delft de film het onderspit.
Henny Vrienten heeft dat principe beter begrepen en scoorde zonder meer het hoogst in de categorie simplisme. Een oerwoud komt met een paar eenvoudige ratels, slome paukenslagen en geheimzinnige tamboerijnbelletjes al snel tot leven. Voor het cree"ren van spanning is louter een crescendo al voldoende. En daarnaast hanteert hij de oeroude regel (Mozart) om een melodische frase altijd direct te herhalen.
Van het door en door sentimentele idioom van Vrienten - hoogstpersoonlijk op de gitaar schroomde hij niet wat mee te neurien - moet je houden. Zelf vond ik de muziek van Breuker het leukste, die even effectief maar met meer fantasie het letterlijke polderdrama onderbouwt. Niet alleen doen de aanstekelijke ritmes, kleurrijke instrumentatie en vloeiende overgangen hun werk, ook kleine vondsten - zoals kinderleed dat door een houterig fluitmotief wordt verbeeld - geven het verhaal op een onopvallende manier een extra duwtje. Toegegeven, Breukers talent op dit vlak hoeft niemand te verbazen. Is tenslotte niet zijn hele oeuvre te karakteriseren als oer-Hollands melodrama?