Scholte contra de onderwereld

‘Een teken van de totale pervertering van Amsterdam.’ Zo noemde Rob Scholte de aanslag die hem in november beide benen kostte. Afgelopen week richtte hij dan ook een Comite van Waakzaamheid op. De nieuwe burgerzin van Felix Rottenberg en Rob Scholte.

ENIGE WEKEN nadat hij voldoende was hersteld van de aanslag die hem op 24 november 1994 beide benen had gekost, nodigde kunstenaar Rob Scholte PvdA-voorzitter Felix Rottenberg uit om met hem van gedachten te wisselen over de juiste respons op het gebeurde. Scholte beschouwde de bomaanslag in het hartje van de Jordaan als meer dan een persoonlijke vendetta, hij zag er een teken in van de ‘totale pervertering van Amsterdam’ en zinde op een methode om de algemene verontwaardiging die over de aanslag was ontstaan, op een of andere wijze te organiseren tot een politiek protest.
'Ik stapte er met enige schroom naar toe’, vertelt Felix Rottenberg desgevraagd. 'Ik was en ben er ontzettend beducht voor dat men zou gaan zeggen dat ik als PvdA-voorzitter de affaire naar me toe probeer te trekken. Aan de andere kant had de aanslag op Rob me ontzettend aangegrepen. Nog dagen erna was ik er totaal door ontregeld, zozeer dat mensen in mijn omgeving er raar van opkeken. Dat kwam doordat ik als Amsterdammer en als generatiegenoot van Scholte geheel bekend ben met het milieu waarin dit kon gebeuren. Ik kende Rob al jaren. Ik zit bijvoorbeeld al jaren in het bestuur van de Rietveldacademie waar Rob gestudeerd heeft, we bewogen ons in dezelfde kringen, en dat maakte dat die aanslag voor mijn gevoel als het ware in mijn achtertuin had plaatsgevonden. Voor mensen die in Utrecht wonen of zo is dat misschien weer anders. Maar ik heb de toestand in Amsterdam die tot deze tragedie kon leiden van nabij zien ontstaan, ik heb gezien hoe de onzichtbare chaos in deze stad hand over hand toenam. Vandaar dat ik toch op Robs uitnodiging ben ingegaan.
Ik heb hem toen het idee aan de hand gedaan om een comite op te richten, gebaseerd op het Comite van Waakzaamheid van Menno ter Braak en Edgar du Perron in de jaren dertig, dat gericht was tegen het opkomende nationaal-socialisme. Bij het Instituut voor Sociale Geschiedenis had ik wat pamfletten van dat comite opgehaald en die heb ik Rob laten zien. De stijl van aanpak en de intentie bevielen hem zeer, en vandaar dat we besloten om iets dergelijks voor deze tijd te beginnen.
De kracht van het Comite van Waakzaamheid van toen was het feit dat het bovenpolitiek operereerde, dat het een platform was voor mensen uit zowel linkse als rechtse hoek, alsook voor onafhankelijke kunstenaars, intellectuelen en wetenschappers. Het Comite van Waakzaamheid voor de jaren negentig zal ook bovenpolitiek moeten opereren. Het zal mijns insziens moeten fungeren als een verbinding van elitegroepen met totaal verschillende achtergronden, om te komen tot een soort samenspraak die ervoor kan zorgen dat er in dit land eindelijk iets gaat gebeuren ter voorkoming van excessen als dat waarvan Rob het slachtoffer is geworden.’
Het Comite van Waakzaamheid van Ter Braak en Du Perron had een duidelijk doel voor ogen: te waarschuwen tegen het gevaar van het fascisme. Het comite zoals dat Rottenberg en Scholte voor ogen staat, heeft een diffuser gehalte: het richt zich in de eerste plaats tegen de 'maatschappelijke verwildering’ zoals die in steden als Amsterdam is ontstaan als gevolg van de opkomende drugseconomie.
IN DE DRIE interviews die Scholte na de aanslag afstond (aan Nova’s Paul Witteman, aan Theo van Gogh van de Amsterdamse zender AT5 en aan Bart Middelburg van Het Parool) maakte Scholte er geen geheim van dat hij 'met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid’ weet wie de aanslag op zijn geweten heeft. Het zou een totaal aan lager wal geraakte fotokunstenaar betreffen met wie Scholte in de jaren tachtig, in zijn hoogtijdagen als kampioen van de hoofdstedelijke avant-garde, veel optrok.
In het verhaal dat de gerenommeerde misdaadverslaggever Bart Middelburg afgelopen zaterdag op grond van Scholtes persoonlijke getuigenissen in Het Parool publiceerde, worden de achtergronden van dit drama geschetst. Het verhaal beschrijft hoe een Amsterdamse scene van jonge kunstenaars in de jaren tachtig steeds meer in de greep raakte van een gezelschap kapitaalkrachtige cocainedealers. In ruil voor hun kunstwerken en voor hun bohemegezelschap kregen de vrolijk-onbezonnen artiesten van deze dealers de beschikking over riante appartementen en de nodige voorraden Colombiaans neusgenot. Het waren de hoogtijdagen van het postmodernisme in de kunst, de kraakscene heerste over de stad, hedonisme, anarchie en engagement gingen hand in hand, het regende nieuwe bendes in cultuur en samenleving. De Maximalen en de Nieuwe Wilden introduceerden een nieuw, energiek levensgevoel in de tijdens de jaren zeventig wat ingeslapen stad. 'Jullie rechtsorde is de onze niet’, zo luidde het credo van de kraakbeweging, waarbinnen ook Scholte en zijn medekunstenaars zich luidruchtig manifesteerden.
Met zijn tomeloze daadkracht en charismatische uitstraling kwam Scholte, die in die tijd naar eigen zeggen ook gaarne een lijntje snoof (zie daarvoor ook het interview met hem in De Groene van 23 maart 1994), al snel bovendrijven als de ongekroonde koning van de scene. Toen hij vervolgens ook doorbrak als internationaal geroemd kunstenaar, en steeds meer los kwam te staan van zijn oude Amsterdamse makkers, was de voedingsbodem voor de diepwortelende jaloezie die hem naar eigen zeggen afgelopen jaar fataal werd, definitief gelegd. 'De fascinatie voor mijn persoon was enorm, de jaloezie ook’, zoals Scholte tegenover Theo van Gogh verklaarde.
Terwijl Scholte in het buitenland fortuin en faam bijeengaarde, begon de scene die hij in Amsterdam achter zich had gelaten steeds verder te desintegreren. Het anarchistisch hedonisme van de vroege jaren tachtig, zoals Scholtes vriend Joost Zwagerman die in zijn roman Gimmick! zo treffend vastlegde, raakte 'geperverteerd’. Een vrolijk gestarte jongensdroom kreeg de contouren van een nachtmerrie. De banden tussen de Amsterdamse cocaineboeren en het artistieke milieu begonnen zich nu te wreken als een faustiaanse deal. Sommige kunstenaars raakten verslaafd, hun loopbaan kwam in het slop, paranoia en afgunst begonnen hun stemming te bepalen, en het object van al deze samengebalde negatieve energie was makkelijk gevonden: de man die ooit een van hen was, maar zich aan de scene had weten te ontworstelen en op eigen kracht verder was gegaan.
Ziedaar, in een notedop, de reeks van gebeurtenissen die in de ogen van Scholte leidde tot die verschrikkelijke explosie in het hartje van de Jordaan. Met al deze informatie moet het voor de politie niet zo moeilijk zijn om de uiteindelijke verantwoordelijke(n) op te sporen. Weliswaar wordt de mogelijke dader in het Parool-relaas slechts genoemd met het initiaal Z. (hetgeen volgens de rondzoemende berichten in de stad ook nog eens een verzonnen initiaal is), maar als Scholtes vermoedens juist zijn, kan een arrestatie niet lang meer op zich laten wachten.
Het maakt de afschrikwekkendheid van de aanslag er niet minder om. Wel neemt het iets weg van de aanvankelijk zo heersende dreiging die samenhing met de totale onbekendheid van dader en motief. Tijdens zijn aangrijpende persconferentie op Schiphol, vlak voor zijn vertrek naar zijn huis op Tenerife, meldde Scholte nog dat hij daags voor de persbijeenkomst per brief met 'definitieve eliminatie’ was bedreigd door een groep die zich bediende van de naam Neerlandica Nostra. Dat leek eerdere in het circuit rondzingende verhalen te bevestigen dat Scholte zich op een of andere manier de gramschap van fascistoide lieden op de hals had gehaald. In dat laatste geval zou een heroprichting van het Comite van Waakzaamheid zonder meer gerechtvaardigd zijn. Maar een Comite van Waakzaamheid tegen aan lager wal geraakte, jaloerse ex-vrienden?
'IK ZIE ROB als een schoolvoorbeeld van politisering’, zo zegt Felix Rottenberg. 'Die aanslag heeft hem aan het denken gezet over zaken als burgerzin en eigen verantwoordelijkheid voor wat er met de stad gebeurt. Wat er is gebeurd in Amsterdam, is dat er een vermenging heeft plaatsgevonden tussen het drugscircuit en de bovenwereld, zoals het milieu van kunst en cultuur.
Rob komt net als ikzelf uit een milieu dat in de regel altijd wat geringschattend op verhalen in die richting reageerde, zo van “dat zal toch wel meevallen”. Het is een circuit waarin geen panische angst heerst voor drugsgebruik, integendeel, zeker in de jaren tachtig hoorde het er gewoon bij. Nu komen we er met z'n allen achter dat het helemaal niet meevalt. Nooit zal ik vergeten hoe in mijn favoriete discotheek, Richter, eens een topman uit de reclamewereld finaal in elkaar werd gebeukt. Echt, dat was zo erg dat ik werkelijk dacht dat ik getuige was van een moordaanslag. Achteraf hoorde ik dat dat ook allemaal met cocaine te maken had. Daar is nooit een woord over in de pers verschenen. Het werd er gewoon uitgehouden.
In mijn tijd als eigenaar van De Balie heb ik ook vaak genoeg moeten vaststellen hoe het cocainekapitaal de omgeving van het Leidseplein probeerde te veroveren. Ik heb het altijd buiten De Balie weten te houden, maar ik wist donders goed dat dat elders in de buurt niet het geval was. Dan moet ik toch denken aan een pionier als Eric Nordholt. Die waarschuwde mij twee jaar geleden al over de mate waarin de onderwereld van de drugseconomie zich in de bovenwereld had weten te dringen.
Hoe verschrikkelijk het ook is, het is natuurlijk een enorme winst als juist mensen als Rob Scholte besluiten zich te engageren op een dergelijk punt. Het is heel goed als de culturele elite zich met zo'n ingrijpend vraagstuk als de drugsproblematiek gaat bezighouden. Dat betekent misschien dat er toch versneld kan worden nagedacht over zaken als legalisering en vrije verstrekking. Het is heel goed dat dit soort vraagstukken niet alleen wordt overgelaten aan de politie en de politiek, waar de IRT-affaire bovendien toch al een desintegrerende werking heeft gehad in het nadenken over dat soort dingen. Zo'n Comite van Waakzaamheid kan ervoor zorgen dat heel die discussie niet alleen vlotter, maar ook veel democratischer verloopt.’
Tijdens zijn persconferentie gaf Rob Scholte aan dat het nieuwe Comite van Waakzaamheid via 'commentaren, referenda, whatever’ snel van zich zal laten horen, al tijdens het zes maanden durende verblijf buiten Nederland dat hij zichzelf heeft opgelegd. 'Morele burgermoed’ zou de motor moeten zijn van het comite. 'Ik denk dat het op dit moment nodig is, buiten politieke partijen om, aansluiting te zoeken bij kunstenaars, intellectuelen en wetenschappers, en invloed uit te oefenen op de politieke situatie’, zei Scholte. 'Elke inzet van intellectueel gedachtengoed en saamhorigheid van mensen kan bepaalde gevolgen hebben.’
Zo is de ultieme kunst- en kraakrebel van de jaren tachtig getransformeerd tot voorganger in het zoveelste offensief van hernieuwde burgerzin in de jaren negentig. Het postmoderne levensgevoel van de roaring eighties lijkt daarmee voorgoed begraven.