Onder: Nargas Mohammadi, Onzichtbare handen, 2022. Installatie © Maria Swietlicka

In haar boek On Freedom: Four Songs of Care and Constraint (2021) vertelt de Amerikaanse schrijver Maggie Nelson over een uitnodiging die ze kreeg van een museum om deel te nemen aan een paneldiscussie over ‘de esthetiek van zorg’, met als centrale vragen: hoe kunnen wij zorgen voor de kunst, en hoe kan kunst zorgen voor ons? Nelsons eerste reactie op de uitnodiging? Yuck. In het boek probeert ze die intuïtieve afkeer – ze spreekt zelfs van walging – te verklaren. Ze blijkt zich vooral te keren tegen een op voorhand vastgestelde definitie van kunst als ‘zorgzaam’. Hoewel een specifiek kunstwerk op een specifiek moment voor een specifieke beschouwer zeker verzorgend kan werken, moet zo’n helend effect volgens haar geen bestaansvoorwaarde worden voor de kunst. Gevoeligheid voor het mogelijk kwetsende – ‘onzorgzame’ – effect van kunstuitingen is belangrijk, stelt Nelson, maar een gezond wantrouwen tegenover de alomtegenwoordige omarming van expliciet ‘zorgzame’ kunst is dat ook. Wat is het toch met het zorgthema in de kunst dat Nelson er zo de kriebels van krijgt?

In Zorg: Een betere kijk op de mens (2022) geeft Lynn Berger een concrete en nuchtere definitie van het soms al te abstracte en bewierookte begrip. Zorg, zo schrijft ze, is ‘begrijpen wat iets of iemand nodig heeft, en vervolgens zorgen dat er in die behoefte wordt voorzien’. Het probleem met het idee van kunst-als-zorggebaar is dat je als toeschouwer vaak helemaal niet zit te wachten op begrip van een kunstwerk. Nelson in ieder geval niet. Kan een telefoontje van een bezorgde vriend soms al met tegenzin ontvangen worden, een betuttelend kunstwerk voelt al helemaal als onnodige bemoeienis.

De weerzin die Nelson ervaart is waarschijnlijk te danken aan het opdringerige en fluffy voorkomen dat vertellingen en verbeeldingen over zorg kunnen hebben. Neem het werk Between You and Me is a Third Space (2022) van Deirdre M. Donoghue, dat momenteel te zien is in de Rotterdamse presentatieruimte A Tale of a Tub. Aan het plafond hangt een rode hangstoel die een vruchtzak moet voorstellen. De bezoeker wordt uitgenodigd in die met talloze kussentjes ingerichte vruchtzak te kruipen en te luisteren naar de borrelende geluiden die erin worden afgespeeld, om zich zo te wanen in de beschermende omgeving van een baarmoeder. Zo wordt er ‘een ruimte geopend voor een doordringbaar, ecologisch besef van onszelf in en met de wereld’. Yuck, denk ik terwijl ik heen en weer schommel in die vruchtzak.

Inzending Prix de Rome Architectuur 2022: Healing Sites, Arna Mac?kic´ © Arna Mac?kic´

Het werk maakt deel uit van een groepstentoonstelling met de titel Where Shall We Plant the Placenta? die moederschap en ecologie met elkaar wil verbinden ‘vanuit wederzijdse noties van verzorging en zorg’. Naast Donoghue’s vruchtzak zijn er onder andere gipsen afgietsels van placenta’s te zien, van Eric Giraudet de Boudemange, en een verfijnde wortelhouten vulvasculptuur van Femmy Otten. Zulke beelden waren tot voor kort zeldzaam in de beeldende kunst. Ze vormen een verrijking voor het lange tijd toch erg beperkt gebleven visuele arsenaal waarmee vrouwen lichamelijke ervaringen zoals die van het (zorg) dragen van een kind kunnen representeren. Mannelijke lichamen en ervaringen vormden eeuwenlang, en in zekere mate nog steeds, de norm. De afgelopen maanden werd het hoge aantal verkeerde medische diagnoses bij vrouwen ten gevolge van dat gebrek aan aandacht voor het vrouwelijk lichaam aangekaart in de Tweede Kamer. Je zou kunnen zeggen dat de kunstwereld de laatste jaren eveneens afrekent met een misdiagnose, en wel die van de kunstenaar als macho-genie dat geen moer hoeft te geven om hoe zijn werk tot stand komt of ontvangen wordt.

Die nieuwe aandacht voor aandachtige kunstpraktijken juich ik toe. Mijn twijfels over de Rotterdamse tentoonstelling betreffen de manier waarop zij de moederbuik inzet, namelijk als een soort beschermmodel. In het tentoonstellingsboekje presenteert A Tale of a Tub een progressief beeld van moederschap: door te spreken over moederfiguren laat ze doorschemeren onder ‘moederschap’ niet een biologische mogelijkheid maar eerder een bredere sociale verantwoordelijkheid te verstaan. Door te spreken over het belang van ondermijning van ‘het concept van moederfiguren als zorgverleners’ maakt zij bovendien duidelijk de aard van die verantwoordelijkheid niet stereotiep te willen duiden. Toch dreigt de nadruk op de placenta en haar beschermende vermogen de rijkgeschakeerdheid van de moeder-kindrelatie te reduceren tot precies die eenduidige en ‘natuurlijke’ zorgrelatie die de tentoonstelling wil overstijgen.

Dat doet Ianthe Mosselman wel in haar boek Al die liefde en woede (2022). Vijf jaar nadat zo’n beetje de hele wereld over Orna Dornaths Regretting Motherhood viel, durft Mosselman het aan om openhartig over haar wroeging te vertellen. Hoewel het hebben van een kind haar liefde en blijdschap heeft gegeven doet het moederschap haar soms ontvlammen in razernij. Ze verdedigt de tegenstrijdigheid die het moederschap typeert: ‘Alles aan het moederschap heeft het vuil en de vermenging in zich (…) alleen al de relatie van een moeder met haar kind, die zo indringend is en intense emoties met zich meebrengt, is per uitstek ambigu en dus verscheurend en interessant als [kunstzinnig] onderwerp.’

Het lichaam van de huishoudelijk werker is als een gum, stelt Nargas Mohammadi

Vuil, vermenging en verscheuring vinden in deze tentoonstelling vooral ademruimte in de video’s die in de kelder te zien zijn. Met ritmische bewegingen en poëtische bewoordingen verhaalt Buhlebezwe Siwani over het moederschap dat tot slaaf gemaakte vrouwen, die kinderen moesten baren die als slaaf te werk gezet konden worden, werd ontnomen. Het theatrale werk van Anni Puolakka gaat over een parasiet die een foetus omlegde. De miskraam blijkt toegebracht uit jaloezie voor de oneerlijke hoeveelheid aandacht die de foetus ontving van het mens dat hun gedeelde huis vormde. Gefrustreerd bonst de parasiet nu tegen de rode, ranzige wanden van het lichaam waarin hij zich bevindt, zijn armen ongeduldig op en neer wapperend voor respons: ‘Can you hear me?’

De voorstelling van Puolakka is totaal absurd en maakt nieuwsgierig naar meer van zulke kunstwerken over kroost en klimaat. Naar meer ambigue verbeeldingen van ons zorgen voor, en van onze zorgen over. Ontmoeten moederschap en ecologie elkaar niet ook juist in die paniekerige pogingen het juiste te doen, terwijl je met elke blik op Aarde of op het gezichtje van een slapend kind bang bent dat het zomaar en op elk moment totaal mis kan gaan? Can you hear me?

Inzending Prix de Rome Architectuur 2022: Healing Sites, Lesia Topolnyk © Midas van Boekel

De toegenomen interesse in moeder-, medische en zelfzorg blijft tandeloos als de ongelijke manier waarop mogelijkheden daartoe verdeeld zijn, niet worden erkend. In 1972, nu vijftig jaar geleden, richtten Selma James, Silvia Federici, Mariarosa Dalla Costa en Brigitte Galtier daarom Wages for Housework op. Met hun campagne uitte de groep marxistisch feministen zich kritisch over de roep om gelijke arbeids- en scholingskansen die tijdens de eerste feministische golf op protestborden prijkte. Want de structurele onderwaardering van zorgarbeid wordt daarmee niet aangepakt, zo stelden ze, maar wordt enkel in de schoenen geschoven van onzichtbare derden: kinderoppassen, schoonmakers, sekswerkers en (thuis)zorgmedewerkers, die ook vandaag de dag onder slechte omstandigheden een nog steeds ongeziene vorm van arbeid verrichten.

Het contrast tussen de opgeleefde interesse in zorg als thema binnen de muren van het museum en het gebrek aan aandacht voor degenen die ons in het leven daarbuiten verzorgen is een andere reden dat cynisme en yuck altijd op de loer liggen. Kunstenaar Narges Mohammadi werkte in aanloop naar haar tentoonstelling Onzichtbare handen: Een ode aan de thuiszorghulp in het Stedelijk Museum Schiedam een aantal maanden als thuiszorgmedewerker. Ze zag vanaf de grond waar zorg stroomt en waar zij stokt; welke warme ontmoetingen het werk kan opleveren en met welke koude vooroordelen het je kan confronteren.

Het lichaam van de huishoudelijk werker is als een gum, stelt Mohammadi: het maakt schoon maar raakt daarbij zelf langzaam maar zeker uitgeput en uitgewist. Voor haar ode aan de huishoudelijke hulp, en haar moeder in het bijzonder, verspreidde Mohammadi door de zolder van het museum daarom tal van gumsculpturen. Objecten die tijdens het schoonmaken vaak over het hoofd worden gezien, zoals deurklinken en zeepflacons, zijn nagebootst in een witte kleur die ze ook hier weer doet wegvallen in de ruimte. Al dat onzichtbaar maken, maakt het onzichtbaar maken van de zorg zichtbaar.

Ook in de kunst- en cultuurwereld stapelen getuigenissen van machtsculturen, precaire leefomstandigheden en onveilige situaties zich de laatste jaren op. Kunstenaars, schrijvers en curatoren die oneerlijk beloond worden voor hun werk, studenten die discriminatie of misbruik ervaren op kunstacademies en in gebrekkige klachtenprocedures verzeild raken, en cultuurwerkers die over de gehele sectorbreedte tegen vriendjespolitiek, tijdelijke contracten en bijbehorende angstculturen aanlopen: de omarming van ‘zorg’ als thema lijkt soms vooral een gebrek aan zorg te moeten verbloemen. Healing Sites in Het Nieuwe Instituut in Rotterdam doet juist het tegenovergestelde. De groepstentoonstelling met de vier genomineerden voor Prix de Rome Architectuur presenteert voorstellen tot ‘genezing’ van verschillende traumatische plekken, maar stelt daarbij geregeld de noodzaak tot genezing van het eigen architecturale vakgebied, van zijn tomeloze en schadelijke bouwdrang bijvoorbeeld, voorop. Vooral Arna Mačkić en Lesia Topolnyk vallen hierin op.

Geconfronteerd met de medeplichtigheid van haar werkveld in de ontwrichting van allerhande leefrelaties – ze noemt de sloop van sociale huur ten gunste van dure koophuizen een ‘architectural disaster’ - vraagt Mačkić zich af: hoe kan architectuur een daadwerkelijk opbouwend vakgebied worden? Ze onderzoekt dat zorgvuldig en zoals het de architectuur betaamt: met een overzichtelijk gestructureerde presentatie die voorzien is van tal van driedimensionale modellen en filmpjes. Topolnyks aanpak, inmiddels gehonoreerd met de prijs, is op een prettige manier rommeliger. Sculpturen van afvalmaterialen slingeren de lucht in op menshoge pedestalen. Dit is geen voorstel voor te bouwen safe spaces, maar een fundamentele bezinning op de rol en wenselijkheid van het bouwen zelf. Het is alsof de Oekraïense architect, geconfronteerd met de vernietigende oorlog in haar land, ondergronds naar aanwijzingen wroet voor hoe het verder moet. Healing verwordt hier tot een houding: zoekend, zelfkritisch, en zeker niet yuck.

Where Shall We Plant the Placenta? t/m 22 januari in A Tale of A Tub.
Narges Mohammadi, Onzichtbare handen: Een ode aan de thuiszorghulp, t/m 10 april in het Stedelijk Museum Schiedam.
Prix de Rome Architectuur 2022: Healing Sites, t/m 9 april in [Het Nieuwe Instituut](hetnieuweinstituut.nl)