Toneel

Schommelen in schemerlicht

Toneel: Drei Schwestern

BERLIJN – De Duitse regisseur Jürgen Gosch vraagt zijn vaste vormgever Johannes Schütz om afgesloten ruimtes. Zonder deuren, zonder ramen, geen uitweg. De toneelspelers zijn steeds op. Vaak achterin, ver weg. Willen ze aan de handeling op het voortoneel ontsnappen, dan zijn er twee mogelijkheden: terug naar achter, of naar de eerste rij publiek, die ook voor hen is gereserveerd. Het is niet zozeer een concept. Het is eerder een afspraak. De toneelspelers verliezen elkaar geen moment uit het oog. Regisseur Gosch en zijn ontwerper Schütz hebben de afgelopen jaren (in toneelhuizen als Düsseldorf en Hannover) ook iets anders bedacht. De factor tijd maakt deel uit van de vormgeving. Voorbeeld. Maxim Gorki’s kleinburgerdrama Sommergäste werd onlangs (in Gosch’ regie) gespeeld bij Schauspiel Düsseldorf. Drie uur, zonder pauze. In die drie uur schoof de achterwand van het decor (een kale muur) van links naar rechts langzaam open. Gedurende de reële tijdsduur van de voorstelling werd zo een landschap onthuld, het beeld van een omgewaaide (of omgehakte) boom met een weelderige kruin, waarin de toneelspelers aan het eind verdwenen. Omdat er vóór die zich tergend langzaam openende achterwand van alles gebeurde, had je het als toeschouwer in het begin nauwelijks in de gaten. Toen de gevelde boom helemaal zichtbaar was, ging het licht uit en was de voorstelling voorbij.

Recent voorbeeld van hoe de tijd zichtbaar voort tikt is in Tsjechovs Drei Schwestern, onlangs in Berlijn te zien op het toneelfestival Theatertreffen. In Drei Schwestern rijdt gedurende de voorstelling een grote toneelspot op het voortoneel, op een rail, van links naar rechts. Een reusachtig bewegend voetlicht is het, Streiflicht noemen ze dat hier – slaglicht. De schaduwen zijn ook geen gewone schaduwen, het zijn slagschaduwen, enorme schimmen. Het decor is een grijze doos, en in die doos worden de slagschaduwen almaar enger, alsof we in een Duitse horrorfilm uit de jaren twintig zijn beland. De schommel die voor in de toneellijst hangt, waar in de eerste akte nog fier op wordt gezweefd tot boven de hoofden van de eerste rijen publiek, hangt er in het laatste bedrijf een beetje verlaten bij, van onderop belicht, want het bewegend voetlicht heeft ondertussen de andere kant van de lijst bereikt. De schaduw kreunt en piept. Het is een scène uit een Hitchcock-film én een tergend beeld van afscheid in één: dood, dood, en: voorbij, voorbij!

Hier wordt geen melancholische Tsjechov gespeeld. Nostalgie is ver te zoeken. De steriel belichte figuren bezien elkaars verrichtingen en luisteren naar elkaars geklets. «Wenn Männer philosofieren ist es ja schon schlimm genug. Aber eine Frau… oder gar zwei…!» En het zijn er hier drie! Zusjes die filosoferen. Ze hebben geen schijn van kans. Hun verlangen is niet «Moskou», dat maakt deel uit van het geklets. Ze willen die ene grote liefde. En ze krijgen van Tsjechov niks. Gosch’ enscenering is meedogenloos. Ook de bromtol die de jongste zuster, Irina, op haar verjaardag krijgt mag maar heel even zingen. De kus die de middelste zus, Masja, de meest hartstochtelijke van de drie, steelt van haar minnaar Versjinin – het is een pijnlijk bevochten omhelzing, die niks voorstelt en die tot niets zal leiden. De oudste zus Olga, de vermoeide schooldirectrice, komt er eigenlijk nog het best vanaf. Ze mag berusten in haar moeheid.

In de slotscène van Drei Schwestern komen twee kinderwagens op. In de ene ligt het zoveelste kind uit een ongelukkig huwelijk. In de tweede kinderwagen zit een van de militairen uit het garnizoen waarmee de drie zusjes zo waren vergroeid. Een uitgebluste invalide uit een oorlog die nog moet beginnen. Gosch en zijn ensemble spelen niet alleen mét de tijd, ze springen ook dóór de tijd. Bitter slot van een grandioze voorstelling.

Drei Schwestern van Tsjechov op het repertoire van schauspielhannover: www.schauspielhannover.de