Schone kunsten, wankele zielen

Ze worden door menigeen gezien als de paria’s van onze samenleving. Maar de beoefenaren der schone kunsten maken het er ook wel naar. De grens tussen kunst en gekte is somsr wel heel erg wazig. Dat moet echter vooral zo blijven
Dit is de tekst van de lezing die de auteur op 19 oktober 1995 hield in de Westerkerk te Amsterdam. Het geschiedde in het kader van de jaarlijkse uitreiking van de Anjerprijzen, een initiatief van het Prins Bernhard Fonds.
IN DE ZOMER VAN 1995 nam een twintigtal beeldende kunstenaars deel aan de expositie Territoria, belegd in de Amsterdamse Westergasfabriek. Het was kunst ‘die midden in het leven wil staan en niet aan navelstaren doet’. Daarom was een van deze territoria, het washok, gegund aan Martin uit den Boogaard, een kunstenaar die is gespecialiseerd in varkenskoppen, koeielijken en ander organisch materiaal, omdat hij naar eigen zeggen enorm door het rottingsproces wordt geboeid. Vandaar dat hij het kunstwerk Death Equals Life had bijgedragen, bestaande uit een in verregaande staat van ontbinding verkerende hond die zo'n penetrante zoet-weee lijkenlucht verspreidde dat de bezoekers kokhalzend het washok ontvluchtten. Zo bleef dit territorium het exclusieve domein van een wolk bromvliegen, zich massaal voortplantend in het aangezicht des doods.

De recensent van het dagblad Trouw, die blijkbaar over gietijzeren ingewanden beschikt, wist niettemin met mannenmoed tot dit washok door te dringen. Hij sprak over ‘een interessante filosofische kijk op de vergankelijkheid van het leven’. Een hondekadaver als wijsgerig object, tentoongesteld in het washok van de Westergasfabriek - het is een gedachte die tot nadenken stemt.
De tentoonstelling ligt inmiddels alweer een paar maanden achter ons - hetgeen mij noopt tot het stellen van de vraag wat er eigenlijk inmiddels met het object Death Equals Life is gebeurd. Is die dode hond in de Boerenwetering gedumpt? Of ligt het kunstwerk op dit ogenblik decoratief te rotten in de badkamer van de kunstenaar, in afwachting van de Dokumenta te Kassel of de Biennale van Venetie?
EN HET NOOPT MIJ tot het stellen van een andere vraag: zijn (dit soort) kunstenaars krankzinnig, beter gezegd, is de wereld van de contemporaine kunst inmiddels een groot gekkenhuis geworden? Het antwoord ja ligt voor de hand, maar dat is mij vooralsnog te gemakzuchtig. De draak steken met op het oog artistieke onbegrijpelijkheden is immers een nationale sport, zelfs in de wetenschap dat bij het beoordelen van eigentijdse kunst in de loop der eeuwen de meest dramatische vergissingen zijn gemaakt. Madame Bovary werd wegens verregaande lichtzinnigheid voor het gerecht gedaagd en Mozarts Zauberflote werd een 'moffengedrocht’ genoemd, dat daags na de Nederlandse premiere werd vervangen door een oneindig veel beter stuk, de klucht De Malabaarse weduwe. Dit soort historische blamages stemt tot enige nederigheid. Bovendien ben ik van mening dat kunstenaars, wat zij ook doen en hoeveel ogenschijnlijke onzin zij ook plegen uit te kramen, per definitie in bescherming moeten worden genomen. Want kunstenaars zijn de verschoppelingen van onze samenleving. Hun salarissen - orkestambtenaren en schilderende grootgeldverdieners buiten beschouwing gelaten - liggen zelden boven het minimumloon. In geen bedrijfstak is de werkloosheid zo groot. Niemand heeft aan hen een boodschap, de componisten componeren voor eigen parochie, de schilders schilderen bij wijze van contraprestatie voor een hongerloon het visueel behang van troosteloze overheidsgebouwen. Zij zijn maatschappelijk machteloos. Geen mens laat zich iets gelegen liggen aan een stakende schrijver of beeldhouwer. Zij vormen de meest impopulaire beroepsgroep in de samenleving. Het publiek verdenkt hen ervan maar wat aan te rotzooien en de politici bezien hen met kil misprijzen. De eerste de beste Limburgse kweker van moerasknollen heeft een lobbyist in de Tweede Kamer. Maar wie lobbyt voor een incourant artikel als kunst en cultuur? Godzijgeloofd dat de Rabobank en de Robecogroep nog een centje over hebben, anders moest de kunst het doen met 0,02 procent van de rijksbegroting.
Een kunstenaar! Je kunt nog beter een Somalische asielzoeker zijn.
Kunstenaars! Zij worden zo weinig serieus genomen dat hun niet eens een eigen minister is gegund, zodat zij met een staatssecretaris zijn afgescheept.
Maar gemakkelijk maken zij het ons niet. Er bestaat, wordt mij verteld, in met name de beeldende kunst een tendens het persoonlijk leed tot onderwerp van discussie te maken. Een voorbeeld is bijvoorbeeld het 'conceptueel meesterbrein’ Bob Flanagan. Hij heeft zijn mond dichtgenaaid, zijn scrotum aan een houten krukje vastgespijkerd en zijn geslacht met naalden doorboord. Tijdens zijn performances laat hij zich vierentwintig uur lang vastketenen aan een waterleidingbuis met een infuus in zijn neus en een plug in zijn anus. Hij is naar eigen zeggen de gereincarneerde Jezus Christus. Vandaar dat hij een doornenkroon rond zijn penis heeft laten tatoeeren.
Andermaal stel ik, aarzelend en weifelend, de vraag: Zijn kunstenaars krankzinnig? Andermaal gun ik hen om voornoemde redenen het voordeel van de twijfel. Of is zo'n Flanagan niet zozeer krankzinnig respectievelijk godsdienstwaanzinnig, maar een doodgewone oplichter? Dat kan. Ook kunstenaars staan niet boven de wet. De malafide kunstenaar is trouwens een uitzondering in het artistieke milieu, waarin niet zoveel leugen en bedrog bestaat - niet omdat kunstenaars betere mensen zijn dan wij, maar omdat de meeste culturele disciplines verifieerbaar zijn. Artistiek liegen en bedriegen is minder gemakkelijk dan het lijkt. Een schrijver, hoe vooruitstrevend ook, bedient zich van een klassiek stelstel van lettertekens, het alfabet genoemd; de componist, van Theo Loevendie tot Karlheinz Stockhausen, werkt met een instrument of een instrumentarium, hetgeen een zekere kundigheid vereist. Zoals de schilder Carel Willink ooit zei: 'Een componist moge nog zulke atonale en in onze oren kakofonisch pijnigende muziek schrijven, een gedegen kennis van compositie- en harmonieleer is onontbeerlijk, wil deze muziek uiteindelijk door een orkest ten gehore gebracht worden.’
De beeldende kunstenaar verkeert in een andere positie. Zijn ambacht is onverifieerbaar. Hij kan ons, als hij dit wenst, wijsmaken wat hij wil. Een klassieke schilder, constateerde W./F. Hermans, beheerste zijn vak in technische zin tot in de perfectie. Terwijl voor de contemporaine schilder de kunst van het schilderen, van het mengen van de verf tot het mikken van de lichtvlek op de vaas, allang geen vanzelfsprekendheid meer is. Hermans schreef dit in de jaren vijftig, een periode waarin Willink te weinig eigentijds werd bevonden om in het Stedelijk Museum te mogen worden geexposeerd, Cobra de hoogste wijsheid was, zowel in de poezie als achter de schildersezel, en de criticus J./M. Prange zijn eenzame strijd voerde tegen 'het gehuil der moderne kunstnozems’. Willink, Hermans, Prange, het waren wellicht aartsconservatieven, met weinig begrip voor de geest des tijds. Niettemin hadden zij een ijzersterk argument tot hun beschikking: een vak impliceert vakkennis. Een boekhouder moet kunnen rekenen. Een boekbinder moet een boek kunnen binden. Een huisschilder moet kunnen kwasten. Maar een kunstschilder - laat staan een 'conceptueel meesterbrein’ - is oncontroleerbaar. 'Hij laat zich gaan, hij leeft zich uit’, constateerde W./F. Hermans. 'Hij is verbaasd dat hij geen opdrachten krijgt, maar hij vergeet dat hij aan geen enkele opdracht zou kunnen voldoen. Hij zou misschien nog niet eens het meest schoolse tekenexamen kunnen afleggen! Hij zou nog geen affiche voor een bioscoop kunnen ontwerpen!’
ZOU IEMAND HET ANNO 1995 in zijn hoofd halen te beweren dat Carel Willink een onbelangrijk kunstenaar is, die bovendien geen verstand van perspectief heeft? Ik betwijfel het, al moet worden toegegeven dat hij nooit zijn hond in de formaline heeft geconserveerd. Net zomin als een schrijver als W./F. Hermans, zijn verdiensten niet te na gesproken, ooit het kunststuk heeft volbracht zijn scrotum aan een houten krukje vast te spijkeren. Zo ziet men maar weer dat het begrip vakmanschap zijn betrekkelijke kanten heeft.
Nee, kunstenaars zijn over het algemeen bedriegers noch krankzinnigen. Aan de meesten hunner zit niettemin onmiskenbaar een steekje los. Dat is namelijk een onmisbaar bestanddeel van hun beroep. Zij ontsluiten de Nachtseite der Natur, de droomwereld van fantasie en hallucinatie, voor ons, boekhouders en deurwaarders, politici en verslagkloppers. Een zekere mate van geestelijke instabiliteit is zelfs een voorwaarde voor het verrichten van creatieve arbeid. Otto Normalverbraucher heeft nog nooit een gedicht geschreven of een strijkkwartet gecomponeerd.
Hoe geestelijk instabiel mag of moet een kunstenaar zijn? Het is een fascinerend onderwerp waarover verrassend weinig wetenschappelijk materiaal bestaat, want net zomin als de kunst veel belangstelling heeft voor de wetenschap, heeft de wetenschap veel belangstelling voor de kunst. Zelfs een geletterd man als Sigmund Freud is niet verder gekomen dan de theorie dat de creativiteit in feite terug te voeren is op een streven naar compensatie, een symbolische bevrediging voor het onvermogen eer, macht, weelde, roem en vrouwen te veroveren. Ik spreek Freud niet graag tegen. Niettemin is het mij niet duidelijk waarom dit een exclusief kenmerk van de kunstenaar zou zijn. Waarom zou deze compensatietheorie niet navenant centraal staan in leven en streven van de doorsnee autocoureur of doorsnee autohandelaar, om over een erkende frustraat als de doorsnee automobilist maar genadiglijk te zwijgen?
Materiaal over kunst van geesteszieken, anders gezegd: de kunst als arbeidstherapie bij geestelijk gestoorden, is er in overvloed. Maar het vuistdikke standaardwerk over de psychopathologische elementen in het oeuvre van Ludwig von Beethoven, Louis Couperus, Gunter Grass en Peter Schat moet nog steeds worden geschreven.
Ik ken slechts een uitzondering. Dat is Hans Henkemans’ veelbejubelde studie over Sublimatiestoornissen bij kunstenaars. De schrijver, niet toevallig zowel concertpianist als psychotherapeut, releveert (onder vele voorbeelden) de casus van een blazer in een provinciaal symfonieorkest die na een black out in paniek het orkestpodium had verlaten. 'Ze kunnen me van achteren, onder m'n armen, vastpakken en optillen’, huiverde de man - en dat was wat zijn moeder (tot zijn frustratie) had gedaan toen hij als peuter op zijn potje zat. Veertig jaar later kreeg hij de rekening gepresenteerd.
Wanneer, vroeg de psychotherapeut, had deze podiumangst zich voor het eerst gemanifesteerd? 'Het gebeurde toen ik samen met mijn naast me zittende collega een noot moest inzetten’, sprak de patient. En welke noot was dat geweest? Het was een fis. Conclusie: 'Het openlijk samen fis doen had hem vermoedelijk de angstaanval bezorgd.’
Want het percentage neurotici ligt bij musici opvallend hoog, moeten wij na lezing concluderen. 'Hoboisten en klarinettisten vinden zich exhibitionisten, plegen fellatio, masturberen en public, lokken kinderen met hun spel - men zou dit het Hameln-complex kunnen noemen.’ Paukenisten, zo begrijp ik op mijn beurt, zijn in hun pre- oedipale fase door hun oudere broer geslagen, harpisten lijden aan het Gretchen-am-Spinnrade-syndroom, trombonisten zijn in het diepst van hun gedachten gecamoufleerde verkrachters, en over het broeierig onbewuste van die fallocraat-in-frack op het dirigeergestoelte, met dat rechtstandig geheven stokje, kunnen wij beter zwijgen.
Natuurlijk heeft de kunstenaar zijn psychische en fysieke beroepsziekten, van podiumangst tot een tennisarm, en die moeten worden genezen, door een traditionele huisdokter hetzij door een psychotherapeut. Maar van zijn schedelinhoud dienen de heren medici verre te blijven. Het is geconstateerd door Vladimir Nabokov, die niets van de 'Weense toverdokter’ en de zijnen wilde weten, in navolging van Karl Kraus, die de psychoanalyse de trait d'union tussen de psyche en de anus heeft genoemd.
Het is zelfs geconstateerd door de psychoanalyse zelf, in de persoon van Freuds leerling August Starcke die zo ongeveer diagnostiseerde dat een kunstenaar binnen redelijke grenzen krankzinnig hoort te zijn, zonder dat de wetenschap probeert de bronnen van zijn inspiratie droog te leggen. 'Zal de mol de nachtegaal leren hoe hij zingen moet?’ vroeg Starcke zich af. Nee, de kunstenaar heeft geen belang bij 'verstandelijk denken’. Gun hem zijn dagdroom, zijn schuldgevoelens, zijn vadermoord, zijn verdrongen religieuze aanvechtingen en zijn bloedschennige fantasieen. Dus: 'Analyseert niet!’ adviseerde Starcke.
HET ZIJN WERKELIJK wijze woorden. Neem het voorbeeld van de dichter Gerrit Achterberg. Toen hij op 15 december 1937 zijn hospita om het leven bracht, meende de maatschappij terecht dat enig corrigerend optreden geboden was. Maar omdat Achterberg in een vlaag van waanzin had gehandeld, belandde hij niet in de gevangenis, maar werd hij 'ter beschikking van de regering gesteld’. Met andere woorden, hij werd in een psychiatrische inrichting geplaatst. Vervolgens probeerden de psychiaters hem te genezen. Dat was wellicht medisch verdedigbaar, maar artistiek hoogst aanvechtbaar. Wilde Achterberg eigenlijk wel beter worden? Wilde hij eigenlijk wel tot geluk worden gedwongen? Helaas, de medische stand had weinig begrip voor de poetische nachtzijde des levens en voerde Achterberg naar de normaliteit terug. Het is dan ook geen toeval dat er na 1955, het jaar dat de terbeschikkingstelling werd opgeheven, nauwelijks meer een behoorlijk gedicht uit zijn vingers is gekomen.
Stel dat de psychiatrie een onmiskenbare zenuwenlijer als Franz Kafka in zijn vingers had gekregen. Het had geleid tot een oeuvre dat nauwelijks de moeite van het verbranden waard was geweest. Vincent van Gogh. Antonin Artaud. Men had hun een vrediger levenseinde toegewenst, maar zij waren onmiskenbaar even gek als geniaal. Richard Wagner was een megalomaan, een sadist en een masochist, een man wiens levenslange moederbinding zijn leven en werk diep heeft beinvloed. Wat was er van hem - en van zijn Elsa, Elisabeth, Siegmund en Siegfried - terechtgekomen als hij naar de Berggasse 19 te Wenen was afgereisd? Gelukkig (voor hem en voor ons) oefende de aartsvader van de psychoanalyse toen nog geen praktijk uit, zodat is voorkomen dat de componist de cultuurgeschiedenis is ingegaan als de schepper van risicoloos vermaak: derderangs opera’s en vierderangs operettes.
Dus: Analyseert niet! De couch is een regelrechte bedreiging van kunst en cultuur - er kan niet genoeg tegen dit meubelstuk worden gewaarschuwd.
DE LAATSTE BERICHTEN van het artistieke front komen andermaal uit Amsterdam, de stad waar het alemaal gebeurt. Daar opereert inmiddels het gezelschap Art-Porn, dat zich in 'kunstzinnige porno’ heeft gespecialiseerd. De grote gangmaakster is de kunstenaresse Jeanette. Zij treedt op als levende oesterbar, waarbij de bezoekers de zeevruchten vanuit haar kruis krijgen geserveerd. Haar collega, de kunstenaar Zoot, is de initiator van het 'anaal restaurant’. De bezoeker hiervan wordt op een draaiende tafel vastgebonden. Dan wordt hem een gepureerde massa groenten en andere etenswaren in de anus gespoten, waarna het voedsel vervolgens publiekelijk wordt uitgescheten. 'Een afgrijselijke stank begeleidt het geheel’, meldt het dagblad Het Parool.
Johannes Vermeer, Antonio Allegri Correggio, Carel Willink en Jean-Baptiste Michelin waren vanaf hun wolk getuige van dit tafereel. Discreet verhulden zij de neus in hun zakdoek, zoals zij even eerder hadden gedaan toen de lijkenlucht vanuit de Westergasfabriek ter hemel steeg. Toen vermanden zij zich.
Zij zagen dat het goed was.