School

Op een middelbare school in het noorden des lands werd een poëziemiddag gehouden en ik was gevraagd te jureren, samen met de docent Nederlands en een meneer die een functie had bij het ministerie van Onderwijs. ‘De leerlingen hebben poëzie van jonge, Nederlandstalige dichters gelezen’, had de docente toegelicht. ‘En daarna zijn ze zelf gaan schrijven.

Het resultaat gaan ze voordragen. Ze vinden het ontzettend spannend!’ Het klonk mij allemaal grondig voorbereid in de oren en hoewel ik het wedstrijd-element twijfelachtig vond, overtuigde de docente mij dat zo’n opzet passend was. ‘Een jury maakt het juist echter voor ze’, legde ze uit. Dat bleek wel, want toen ik op de betreffende school arriveerde zat de aula vol uitermate gespannen pubers. Geschuifel. Geroezemoes. Geklier. Ik zag een meisje op de eerste rij dat nerveus aan haar roze trui ­frunnikte, hoewel ze probeerde volstrekt ongenaakbaar te kijken. Twee jongens met zwarte jasjes zaten zo ver onderuitgezakt dat ze bij de minste beweging van hun stoel zouden vallen. En dan die blikken – een mengeling van weerzin en berekende verveling, met op de achtergrond onvervalste, peilloze angst. De meneer van het ministerie, de docente en ik luisterden naar de voordrachten. Er waren stemmen bij die haperden of monotoon klonken. Er waren giechelige meisjes bij en jongens met de baard in de keel. We hoorden gedichten over broertjes en moeders, over voetbal, de dood en muziek. Er was, fluisterde de docente, één jongen afwezig. Diederik. Zijn gedicht werd voorgedragen door zijn beste vriendin, een mollig meisje met een hoogrood hoofd. Ze liep met vastberaden passen naar voren. ‘Later begint mijn echte leven’, las ze voor. ‘Als ze mij niet meer te pakken krijgen. Met hun woorden en hun blik. Later begint het. Dan zijn zij en ben ik ik.’

Er klonk gejoel uit de zaal. Iemand deed een varken na. Een aantal kinderen lachten. Ik voelde een koude haat in me opwellen. Een griezelige, onevenwichtige haat. Toen ze klaar was en het podium af liep, klonk er een aarzelend applaus, onderbroken door boe-geroep. Maar ik ving haar blik. En er gloeide triomf in die ogen. Felle triomf. Namens Diederik.