Schoon schip

Ooit vierden we vakantie in een uithoek van Bretagne. Ons onderkomen bleek de verbouwde schuur bij een boerderij, het regende, het was donker, de kinderen hadden honger. De boer leidde ons rond, het rook er vochtig, de besteklade was gevuld met kromme vorken en aangevreten pollepels.

Bij ieder ding dat hij liet zien – het ijzeren ledikant met groene puppeltjessprei! De kast waarvan de deuren uit de sponningen hingen! – vroeg hij met een blik op mijn gezicht:

Madame est contente?

Madame had vooral de acute neiging even te gaan liggen.

Achteraf gezien was het natuurlijk de vakantie van ons leven. Tussen de hortensia’s in het voortuintje kon net het opblaasbadje worden neergezet, onder de trap naar zolder werd onmiddellijk een winkeltje ingericht, en aan de lange houten tafel bij de open haard kon eindeloos worden gescrabbeld. Het strand was vlakbij, de wolken trokken weg, en de bakker in het dichtstbijzijnde dorp had snoepjes op de toonbank staan. Vervuld van heimwee denk ik aan het babykoppie van mijn zoon, lek geprikt door de muggen. Af en toe mocht ik bij de boer thuis gebruik maken van zijn telefoon, even laten weten aan m’n ouders dat het allemaal goed ging, de zon aan het doorbreken was, we nu eens een keer níet beroofd waren.

Hoe kom ik hierop? Ten eerste omdat me nog steeds op zeer gezette tijden wordt gevraagd of madame contente is, ten tweede omdat we afgelopen voorjaar weer in de buurt van die boerderij waren en gingen kijken of we het nog konden vinden twintig jaar na dato (mais biensûr), maar ook omdat ik tijdens verblijven in den vreemde vaak over mijn ouders droom en dan eens te meer besef ze niet meer te kunnen bellen. Mijn moeder is er nog wel, maar telefoneren zit er niet meer in. Ik denk dat zo’n beetje haar laatste telefoontje thuis nog op de voicemail staat.

Afgelopen zomer was ik een paar weken van huis, lang genoeg om bij thuiskomst zelfs vergeten te zijn hoe ik de televisie ook weer aan kreeg. Lang genoeg ook om verrast te worden met wat herstel- en opruimwerkzaamheden die in mijn afwezigheid waren verricht. Denk nooit dat je de geheimen van een huis kent, voordat je er daadwerkelijk een tijdje woont. De deuren piepen, de kraan knarst, de toiletbrillen zitten los, de deurklinken zijn afgebroken. En dan zijn er ook nog de in het oog lopende gebreken, zoals de gebarsten tegels van de keukenvloer, de uit z’n krachten gegroeide boom in de voortuin waardoor je altijd vol beesten zit als je je fiets pakt, de door de katten kaal gekrabde stoelen bij de eettafel. First things first.

Ik krijg een rondleiding langs alle renovatiewerken. Het sanitair in de toiletten is vernieuwd, het is alles wit en chroom dat me toeblinkt. Het licht in de tuin doet het weer, zodat je ’s avonds nog wat kunt zien als je buiten wil blijven zitten. De deuren piepen niet meer, waardoor je niet iedere keer opschrikt als er iemand binnenkomt of weggaat. Het hang- en sluitwerk van de deuren is weer compleet; je kunt gewoon een deur achter je dichttrekken zonder ’m een trap naar achteren na te geven. De wrikkende kraan in de keuken is vervangen door een nieuwe, soepeltjes gaat ie heen en weer, de frituurpan is schoongemaakt, evenals het stuk vloer waarop hij stond, er is nóg een kattenbak bij geplaatst en de katten zijn in training.

Madame est contente?

Wanneer groeit de hang naar bewaren eenieder boven het hoofd?

Ik ben een prinses, vermomd als volk, gelukkig is dit in kleine kring bekend. En de boom wordt gesnoeid, er is al een afspraak gemaakt, er gaat een zonnescherm geplaatst worden aan de voorkant op de eerste verdieping, misschien kunnen we beter nieuwe stoelen kopen in plaats van deze te bekleden, en o ja, de voicemail van de vaste telefoon is gewist.

Madame est contente?

‘M’n moeder stond op de voicemail!’

‘Ja, en ze was duidelijk in de war’, luidt het weerwoord. ‘Mijn moeder stond er ook op, en die was niet te verstaan. Oom B. stond erop om te zeggen dat hij ziek was en niet meer beter zou worden, de hartbrekende boodschap van J. uit Peru stond er nog steeds op, en je hebt het telefoontje van C. bewaard die met dat zwaar-Duitse accent zegt dat O. die ochtend is overleden.’

Enigszins gedesoriënteerd kijk ik om me heen. Wanneer groeit de hang naar bewaren eenieder boven het hoofd? De oude kranten zijn weg, de lege flessen en kratten zijn opgeruimd, het kapotte aardewerk is weggegooid, de frituurpan staat nu buiten onder het afdakje. Eén plus één is twee. Over de nog immer gebarsten tegels van de keuken maak ik de gang naar de vriezer. De bovenste lade gaat verrassend makkelijk open. Die daaronder idem.

‘De vriezer is ook schoon’, klinkt het tevreden. ‘Alles wat verrot was, is weggeklapt.’

Madame est contente?

Ze zou niet durven het níet te zijn. Ze wil alleen even huilen om de mosselkroketten die ook al verdwenen zijn.