Toneel

Schoonheid en ordening

Toneel: Fragmenten door Het Zuidelijk Toneel

Olivier Provily (1970) nam in 2001 afscheid van de regie-opleiding aan de Theaterschool met een mooie productie, Oorlogje, waarin hij een spel speelde met tijd, met kijkcodes, met verwachtingen van zijn publiek. Hij bleef in de jaren daarna regelmatig dergelijke «ge sprokkelde» voorstellingen («autonoom theater») maken, met teksten en situaties uit de vuilbak en de verwarring van een door elkaar ge schopte tijd. Daarnaast regisseert hij teksttheater. Provily introduceerde de schrijver Jon Fosse, regisseerde Sarah Kane en Anton Tsjechov. Matthijs Rümke heeft Provily nu als huisregisseur binnen het nieuwe Zuidelijk Toneel ge haald. Daar regisseerde hij onlangs zijn eerste «autonoom theater» voor de grote zaal, Fragmenten.
Het speelvlak (Maarten van Otterdijk) is kaal, fraai belicht (Matthijs van Meeuwen), voorzien van een onheilspellend geluids decor (Wim Conradi) – alsof we ons in een spelonk bevinden, waarin zes mensen op de tast elkaar en zichzelf zoeken terwijl we in de verte het lawaai horen van iets griezeligs dat «buitenwereld» zou kunnen heten. Wat we zien? Fragmenten dus. Een voorzichtige toenadering tussen een naakte man en een naakte vrouw, eindigend in een vrijscène. Een choreografie van zes mannen en vrouwen in pak, eindigend in ruzie. Een variété-act met dansjes. Korte scènes in een kooi. Een stamelende monoloog. Een reeks scènes op een bank, eindigend in een lief samen slapen, op de muziek van een koraal van Bach. Donkerslag. Tot zo ver de feiten.
In het eerste uur van de honderd minuten die Fragmenten duurt, tart en tergt Provily ons toeschouwersgeduld. Ik hou daar van. Stilgezette tijd op het toneel kan me niet lang genoeg duren. De naaktscène in het begin is adembenemend. Twee mensen die vanuit het niks hun eigen naaktheid geluidloos ontdekken. Bij de eerste fysieke toenaderingen zijn er een paar kreetjes: «Hm». «Ha». Gaandeweg: realistisch gekreun en gesteun, copulatiebewegingen. Waarom? Is suggestie niet intrigerender dan «de daad»? Seks op het toneel is sowieso pijnlijk. Hier werkt het alsof iemand de deksel van een piano keihard dichtslaat tijdens een Chopin-sonate. De in stilte gechoreografeerde mise-en-scène van zes in grijze pakken gestoken figuren verwordt daarna tot een pandemonium van conflicten. Die weliswaar he-le-maal nergens over gaan, maar de opbouw is groots.
Voor je het weet begint Fragmenten te wringen. Uit de toneelkap zakt een kooi. In de kooi: gekooide mensen, korte scènetjes. Wat de optredenden elkaar en ons in die fragmenten te melden hebben, gaat over weinig minder dan niks. De voorstelling glijdt daar uit, verliest aan kracht. Wie zijn die mensen? Vreemdelingen? Door de krachteloosheid van hun teksten halen de spelers het sterke beeld zin voor zin, woord voor woord omlaag. Want wat we horen is tenenkrommende onzin. Fragmenten wordt pretentieus. Provily suggereert diepgang. Wat hij toont is één-op-één-leegte. Beelden vol troosteloosheid. Die niet werken omdat de ondertitels (de teksten) troosteloos plat zijn. Dat gaat van kwaad tot erger. Deze toeschouwer raakte in de loop van het tweede uur van Fragmenten in een staat van verbijstering. Ik maak het zelden mee dat een theatermaker zijn schatten van het eerste uur in de resterende tijd zó verklungelt, en ons de zaal uit stuurt met impressies van slordig gemaakte rommel.
Aan de toneelspelers ligt het overigens niet. Carola Bärtschiger, Nanette Edens, Thomas Oerlemans, Marcel Osterop, Irene Slotboom, Dimme Treurniet. Ze laten ons zien wat ze in huis hebben, en dat is veel. In het eerste uur tonen ze mooie afdrukken van zwervers in een stilgezette tijd. In die zin is Fragmenten familie van Tirannie van de tijd, de andere voorstelling van Het Zuidelijk Toneel die nu door het land reist. Maar kan iemand regisseur Olivier Provily uitleggen dat ook «autonoom theater» misschien in zou kúnnen houden dat je tijdens het repeteren ontdekte lievelingen tijdig de nek kunt om draaien? Tenminste, als je wilt zien dat ze in het totaal van de voorstelling niet werken?
Toen hij zijn afstudeervoorstelling Oorlogje maakte, had Provily de klassieke Griek Aristoteles steeds bin nen handbereik – geen slechte reisgenoot trouwens. «Schoonheid bestaat uit om vang én ordening. Iets wat mooi is, moet om vang hebben. Deze moet goed te overzien zijn.» Misschien kan Olivier Provily in het maken van «autonoom theater» terug naar Aristoteles’ adviezen. Ik bewonder zijn consequentheid. Maar hij kan nog wat oefeningen in bescheidenheid ge bruiken. Autonomie in de kunsten is geen excuus voor afraffelen. En al helemaal niet voor autisme.
Tournee tot en met 1 maart. www.hzt.nl