Anton Valens in zijn appartement in Amsterdam-Oost, 2012 © Julius Schrank / ANP

Anton Valens overleed vorig jaar november. Ik heb hem één keer ontmoet toen hij in 2016 de Bordewijkprijs kreeg voor zijn roman Het Compostcirculatie Plan. Ik besprak hem destijds, en zocht de recensie van toen op, ik vond het een mooie mengvorm van tragiek, klucht en epos. Banaliteit en Hoog Verlangen, dwars tegen elkaar in geschreven. ‘Geen mooischrijverij van een estheet, eerder de verwoede pogingen van een sombere, dwarse ziel, om in het lelijke, het dode, het aardse, toch altijd nog het mooie te willen zien’, schreef ik. En geestig als geen ander was het, zonder dat je het in de gaten hebt, dat er dus geweldig hard gelachen kon en mocht worden. De lach van de melancholicus, je moet het wel zien, of willen zien, anders mis je alles in zijn boeken die op het eerste gezicht de levens van losers in kaart brengen. Maar dan wel van losers bij wie het Verlangen hoog op de agenda staat. Symbolisch schrijver pur sang. Een grootheid. Wars van schrijfopleidingstrucjes, geen gladde praatjes, geen zelfmedelijden over gemiste kansen, maar zinnen die altijd knarsen en kraken en tintelen, vol weerbarstige en plastische taal van het dagelijks bestaan.

We spraken destijds even met elkaar aan een tafel in een wachtruimte achter de zaal waar de prijsuitreiking zou plaatsvinden. Ik durfde niet te zeggen dat ik zijn werk geweldig vond, zoiets doe je niet, tenminste ik doe zoiets niet, maar had er later spijt van. ‘Gefeliciteerd’, dat heb ik vast en zeker gezegd, ‘mooi boek’, zoiets ook, maar meer durfde ik niet.

Op mijn vraag hoe het met hem ging, ik wist dat hij ziek was, vertelde hij hoe het ervoor stond, misschien zou er binnenkort verbetering optreden. We zwegen verder, hij was een voorzichtige zwijger, dacht ik, op café kon je vast en zeker bijzonder veel plezier met hem hebben. Ik was en ben jaloers op zijn ongegeneerde blik op de wereld.

Zinnen die altijd knarsen en kraken en tintelen

Ook in zijn postuum verschenen novelle Een wagon vol duivels blijft hij zijn thematiek trouw. De ik-figuur, een niet erg geslaagde schrijver en schilder, met een vriendin die te veel geld uitgeeft en vaak in bed ligt, is al jaren bevriend met Stanley, een uit Suriname afkomstige ex-danser, die zichzelf ervan overtuigt dat er een zangcarrière voor hem in het verschiet ligt. Stanley leidt een totaal onduidelijk leven, waar de ik zich toch sterk toe voelt aangetrokken. Hij vermoedt in hem een groot talent. Valens zou Valens niet zijn wanneer hij zich niet uitputte in hartverscheurende beschrijvingen van Stanley’s interieur. ‘De sfeer in de woning omschrijf ik bij gebrek aan beter als rommelige ascese. De krakerslook. Het was er niet spic en span, maar zeker ook niet smerig.’ ‘Rommelige ascese’, in de retorica heet zoiets een oxymoron, innerlijke tegenstrijdigheid, typerend voor Valens’ literatuuropvatting, waarin alles met elkaar in tegenspraak is. Schoonheid en Weerzin, Verlangen en Afkeer, Pathetiek en Minimalisme. En iets verderop staat het er zo: ‘Tegenwoordig beschikte Stanley over een min of meer normale badkamer.’ Bij mij een opborrelende lachbui. Stanley is een figuur die steeds in de verte blijft, een schim met onduidelijke drijfveren, een droom waar de verteller zich door laat opjagen. Weliswaar twijfelt de ik aan de enorme pretenties (die nergens op rusten) van de labiele Stanley, maar toch geeft hij hem al zijn vertrouwen. En zelfs helpt hij hem bij de organisatie van optredens in een onduidelijke zaal. De Broedplaats. Over de ik krijgen we niet al te veel informatie, hij woont tegenwoordig met Nadia en werkt keihard aan een schilderijtje: Canyon met Nevels. Het wil maar niet vlotten. Over hem lezen we nog: ‘Wie was ik toen zelf? Dat is moeilijk terug te halen. Ik denk dat ik in die periode nog met Josefien ging. De huisdokter had me naar de Riagg doorverwezen. Waarom snapte ik niet.’ Over zijn moeder vertelt hij: ‘Mijn moeder was al gescheiden maar had haar latere vriend, die inmiddels overleden is, nog niet weten te veroveren.’

Waarom zijn deze beschrijvingen zo onweerstaanbaar geestig? En krijg je er ondertussen een beeld bij van mensen en hun samenleving, plus de pretenties en de rationalisaties die erbij horen? Hoe doet Valens dat? Hij roept de wereld op met een paar zinnen, zonder oordeel, hij kijkt en beschrijft. Je kunt niet zeggen dat hij over een schrijftheorie beschikt die hij steeds in zijn romans met een vertelling illustreert. Die theorie lijkt bij hem te ontbreken, wat uiteraard niet mogelijk is, elke schrijfkunst werkt met een theorie daarover, maar bij Valens is die aan het oog onttrokken. Hij zwijgt erover. Hij demonstreert.

Het laatste deel van deze bijzonder fraaie en geestige novelle bestaat uit de beschrijving van Stanley’s optredens. De ik blijft enthousiast maar je zou er ook een wezenloze performance in kunnen zien van iemand die de schaamte helemaal voorbij is. Na afloop van de voorstellingen discussieert het weinige publiek over het gebodene waarbij vooral de verstaanbaarheid van de teksten een item is. De een vindt verstaanbaarheid een must, de ander gaat het eerder om de sfeer van de voorstelling. Ondertussen blijft de fascinatie van de ik voor Stanley recht overeind: ‘Hij deed me denken aan Jezus. Hij was de Zwarte Verlosser, omringd door zijn volgelingen. Ik zette de ene pot thee na de andere.’