De ‘Oscar’ voor Herman Hertzberger

‘Schoonheid is geen doel’

Op 9 februari ontvangt architect Herman Hertzberger de Royal Golden Medal ter bekroning van zijn gehele oeuvre. Een oeuvre vol betrokkenheid. ‘Helaas ontbreekt het veel architecten aan belangstelling voor mensen.’

‘ALS JE ME NIET onderbreekt praat ik gewoon door, hoor’, zegt architect Herman Hertzberger (79) na de eerste vijftien minuten van wat een lang, gedreven betoog belooft te worden, terwijl ik nog niets gevraagd heb maar wel verwoed zit te pennen, als een ijverige leerling die een dictaat opneemt. Hij glimlacht geamuseerd, met een mengeling van welwillende spot en zelfspot, want hij kent zichzelf op dit punt: aan ideeën geen gebrek, en ook niet aan woorden om die ideeën eloquent over het voetlicht te brengen.
Goed, laten we dan maar eens beginnen met de directe aanleiding voor dit interview: de prestigieuze prijs die hem door het Royal Institute of British Architects op 9 februari in Londen zal worden uitgereikt, de Royal Golden Medal, ter bekroning van zijn gehele oeuvre. De Oscar onder de architectuurprijzen, zeg maar. In het juryrapport staat onder meer: 'Gedurende zijn gehele carrière is zijn menselijkheid tot uiting gekomen in zijn scholen, woonhuizen, theaters en werkplaatsen. Het verheugt de RIBA om het belang van zijn architectuur te erkennen, evenals het effect dat zijn ontwerpen hebben op mensen en hun omgeving.’
'Nee’, zegt hij, weer met die ironische glimlach, 'aan die prijs is géén geldbedrag verbonden, helaas. Wat dat betreft doet dat evenement in Londen mij wel een beetje denken aan een prachtig verhaal van tekenaar Jo Spier, over de leuze van een verzekeringsmaatschappij die ongevallen dekte. In de wachtkamer van zijn vader, die arts was, hing een poster van die verzekeringsmaatschappij aan de muur waarop stond: “Het enige wat u krijgt is het ongeluk, de rest moet u zelf betalen.”
Maar ach, eervol blijft het, je moet het gewoon leuk vinden. Ik wil best in het rijtje staan van Nederlandse architecten die deze prijs eerder gekregen hebben. Kuypers, je weet wel, de man van die katholieke gebouwen vol heilige poppen, zoals het Rijksmuseum en het Centraal Station, vind ik misschien wat minder, maar na hem kwamen Dudok, Aldo van Eyck en Rem Koolhaas. En nu ik dus. Iedereen heeft zo nu en dan behoefte aan erkenning van de buitenwereld, dat hebben mensen nodig. Gebeurt dat niet, dan zit er niets anders op dan in je eentje stug doorwerken, en dat is alleen weggelegd voor heel sterke figuren. Die bestaan, maar dat zijn wel vaak koppige en weinig gevoelige mensen. Je bent als architect toch bezig met iets wat verstaanbaar moet zijn voor anderen. Ik geloof niet in de wonderbaarlijke abstractie van een virtueel persoon, die in afzondering iets maakt wat alleen hijzelf kan begrijpen. Je hebt respons nodig. Zo'n prijs is een bijzondere opwekking, die sterkt je in wat je al wist.’
Wat niet wegneemt, blijkt even later in het gesprek, dat hij wel eens de indruk krijgt dat er niet zo heel veel andere architecten zijn van de jongere generatie die dat ook weten en in dezelfde geest van maatschappelijke betrokkenheid werken als hij. Tot zijn verbazing en teleurstelling. 'De huidige architectuur is erg ingesteld op glitter en glamour, gedreven door het populistische verlangen om in de eerste plaats een attractief ding te maken. Consumentistisch. Architecten van nu zijn niet bezig met iets wat in wisselwerking staat met cultuur en maatschappij. En dat is nu juist wat ik altijd wel heb nagestreefd en nog steeds de kern vind van wat architectuur moet zijn.
Dat is een sociologisch uitgangspunt, zoals Bram de Swaan terecht heeft opgemerkt in een heel mooi essay, uitgegeven ter gelegenheid van de oeuvreprijs die mij in 2004 is toegekend door het Fonds van de Beeldende Kunsten. Later is die tekst ook gebruikt als inleiding voor het boek Alle scholen; ik mocht zelf een inleider kiezen, en tot grote verbazing van de collega’s koos ik niet voor een architect om mijn werk in perspectief te zetten maar voor een socioloog.
De Swaan wees in dat artikel op de overeenkomst tussen mijn manier om een zodanige ruimte te scheppen dat mensen daar gemakkelijk met elkaar in contact kunnen treden, maar zich desgewenst ook terug kunnen trekken, alleen of met een paar anderen, en de manier waarop een socioloog als Erving Goffman analyseert voor welke onderscheiden functies de openbare en semi-openbare ruimte zoal geschikt moet zijn. Om te dienen als ontmoetingsplaats bijvoorbeeld, zoals een marktplein, maar ook als een ruimte die verschillende gradaties van openbaarheid en beslotenheid te bieden heeft, want op dat marktplein komen weer nauwe straatjes uit, met winkels en cafés en terrasjes, met nissen en verborgen hoekjes. Je kunt jezelf laten zien in de openbare ruimte, en naar de anderen kijken, maar er moeten ook kleedkamers en coulissen voorhanden zijn om je voor te bereiden op zo'n publiek optreden, en jezelf even aan de blik van anderen te onttrekken, net als in een theater. Wat dat betreft kun je een gebouw, zoals de scholen die ik heb ontworpen, heel goed vergelijken met een stad in het klein.’
De stad van zijn kinderjaren is Amsterdam, en dan met name de Churchilllaan waar hij geboren is en de Corellistraat waar hij naar school ging. Vooral de portieken in die buurt spraken tot zijn verbeelding. 'Die portieken vormden ook zo'n tussenruimte als ik zojuist schetste, een overgangsgebied tussen de privacy van het huis en de openheid van de straat. Mijn vader was arts en mijn moeder was verpleegster, heel sociaal betrokken mensen allebei. En in mijn latere leven ben ik getrouwd met een vrouw die ook sociaal ingesteld is, die kan niemand passeren zonder even een praatje te maken en heeft de gave dat zo iemand dan binnen tien seconden een heel leven blootlegt. Die eigenschap moet je hebben, dat kun je niet leren. En helaas ontbreekt het veel architecten aan die belangstelling voor mensen, dat is terra incognita voor ze.
In de periode dat ik als middelbare scholier de architectuur ontdekte, nog voor ik bouwkunde ging studeren in Delft, was Le Corbusier eigenlijk de enige die zich op een voor mij direct begrijpelijke wijze bezighield met de manier waarop mensen leefden, met de alledaagse kleine dingen van het bestaan. Hij was weliswaar ook degene die waanzinnige, veel te grote stadsplannen ontwierp, waar hij vaak op aangevallen is en die nooit gebouwd werden. Maar daarnaast zag ik dat hij oog had voor de intieme, particuliere gebruiksmogelijkheden van een gebouw.
In zijn beroemde - en beruchte! - flatgebouw in Marseille tref je bijvoorbeeld balkons aan met zijmuren waarin een nisje uitgespaard is, zodat de bewoners daar een plantje of een beeldje in kunnen zetten. Bovendien heeft dat gebouw een autonome winkelstraat en een fantastisch dak, waar mensen kunnen samenkomen om te praten of te spelen, want er is ook een pierenbadje op dat dak voor de kleine kinderen. En dan kun je wel zeggen: wat heeft dat nou helemaal te betekenen? Maar het is wel een aanwijzing voor het inlevingsvermogen van Le Corbusier, zijn empathie met vooralsnog onbekende mensen die het gebouw zullen gaan gebruiken. Dan spreek je een ander vermogen in jezelf aan dan architecten die eropuit zijn om iets te maken wat alleen maar mooi en indrukwekkend is.
Later, in mijn studietijd, maakte ik kennis met Aldo van Eyck, die me in die kant van het vak bevestigde. Die man had het in zijn bloed en heeft me op het spoor gezet. Als ik het niet in me had gehad was ik daar natuurlijk niet ver mee gekomen, maar zijn benadering sprak me meteen aan, dat was een gelukkige coïncidentie. Van Eyck was toen al bezig om zijn Weeshuis te ontwerpen, en de principes die hij daarbij hanteerde zijn voor mij de belangrijkste inspiratiebron geworden, het thema waar al mijn werk op voortborduurt. Van Eyck zei als het ware niet: kijk daar eens, wat mooi! Want mooi is een ongevaarlijk en in wezen niet veelzeggend begrip. Hij wilde gebouwen neerzetten waar mensen werkelijk iets aan hébben.
Ik ben uiteraard niet tegen mooie gebouwen, maar ik vind dat de schoonheid van een gebouw vooral dienstig is om de boodschap van de architectuur beter te doen overkomen. Schoonheid is geen doel op zich, maar een vehikel. Denk in dat verband ook even aan een muziekstuk: hoe mooier dat gespeeld wordt hoe beter je kunt horen wat de bedoeling en de structuur ervan is.’

DE SOCIOLOGISCH georiënteerde richting in de architectuur, bijvoorbeeld die van de jaren dertig in de vorige eeuw, heeft - ook recentelijk - nogal eens tot de kritiek geleid dat daar een vorm van 'paternalisme’ in schuilt, leg ik Herman Hertzberger voor. De portieken en gemeenschappelijke trappenhuizen die bedoeld waren om het burencontact te bevorderen, konden ook aanleiding geven tot ruzie en ergernis. Om van de opzettelijk (te) hoog geplaatste ramen in sommige Amsterdamse School-woonblokken, die moesten voorkomen dat (volks)vrouwen uit het raam zouden gaan hangen om met elkaar te roddelen en te kletsen, zoals in de Jordaan te doen gebruikelijk was, nog maar te zwijgen.
'Maar dat er wel eens geruzied werd en wordt kun je die trappenhuizen en portieken toch niet verwijten!’ briest Hertzberger, nu oprecht verontwaardigd. 'Dat krijg je indien men die ruimte niet ervaart als deel van zijn eigen leven, van zijn eigen domein, zodat ook niemand zich er voldoende bij betrokken voelt om dat deel van het gebouw netjes te onderhouden en te gebruiken voor sociale doeleinden. Ik woon zelf in een huis met een portiek, aan zo'n typisch Amsterdamse, steile trap waar de bovenbuurvrouw soms een kinderwagen tegenop moet zeulen, en dat is altijd een welkome gelegenheid om eens even te pauzeren en te vragen hoe het met haar is. Een portiek omvat dat contact en bevestigt dat we betrekkingen met elkaar onderhouden. Iemand als Rem Koolhaas legt een diepe minachting voor dat soort zaken aan de dag, maar dat lijkt mij eerlijk gezegd vooral een pose.
Ja, kijk, zo'n portiek vráágt om enige interactie, inderdaad, dat is waar: het verkleint de afstand tussen buren. En als je toevallig iemand bent die daar niet van houdt, bijvoorbeeld omdat je een beetje contactgestoord bent, kun je misschien beter geen portiek met anderen delen. Maar ik zie werkelijk niet in hoe de samenleving gebaat kan zijn bij gebouwen die mensen ertoe aanzetten om zwijgend langs elkaar heen te lopen! In ons land kennen we toch al zo weinig sociale structuren die erop berekend zijn om mensen samen te brengen. In elk Amerikaans dorp vormt de kerk het centrale punt in het sociale leven, dat hebben wij hier niet, of althans niet meer. In Duitsland heb ik eens een flatgebouw gemaakt dat voorzag in zitplekjes op de trappen en bordessen tussen de woningen, en je kon zien dat die ook echt gebruikt werden, want overal stonden asbakken vol sigarettenpeuken: daar was een heel aardig soort sociaal leven ontstaan. Naar mijn smaak leggen moderne architecten veel te veel nadruk op een aspect als privacy, terwijl dat hoogstens de helft van het verhaal is.
Het zal ook iets te maken hebben met de toegenomen welvaart: als je arm bent heb je allicht meer behoefte aan contact en samenwerking met de mensen in je omgeving. Omdat je elkaar nodig hebt. Maar daarnaast vrees ik dat het zware accent op privacy in de huidige architectuur wordt ingegeven door de angst om voor “burgerlijk” versleten te worden. Of zelfs kleinburgerlijk. Mijn vrouw en ik hebben een tuintje met een heg, waar het dochtertje van de buurvrouw vroeger wel eens doorheen kroop, wat wij over het algemeen best leuk vonden. Dat soort burencontact kun je truttig vinden, met elkaar praten over de heg, maar het is een misverstand dat architecten zich niet met burgerlijke dingen zouden moeten bezighouden. Dat idee grijpt terug op de tijd dat kunstenaars zich gedroegen als bohemiens, de avant-garde, voor wie andere regels golden. Bij schilders werd niet afgewassen na het eten, maar voor het eten.
Architecten daarentegen moeten zich nu juist wél begeven in de atmosfeer van gewone mensen in het dagelijks leven, want dat zijn degenen voor wie ze bouwen. De gebruikers, daar doen we het tenslotte allemaal voor.’

IN HERTZBERGER’S Amsterdam, een overzicht van zijn Amsterdamse projecten dat werd uitgegeven ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, doet hij in een nawoord uit de doeken hoe hij zich voorstelt om zijn eigen bureau, herdoopt tot het meer neutrale 'Architectuurstudio HH’, geleidelijk over te dragen aan een aantal medewerkers, in verband met zijn gevorderde leeftijd. Wat overigens niet hoefde te betekenen dat hij dan niet meer actief zou zijn als architect.
Hoe is dat nu, vijf jaar later? Heeft hij er nog zin in, of is hij onderhand wel klaar met de architectuur? 'Klaar?’ vraagt hij oprecht verbaasd. 'Nee, op dit moment, nu ik net die grote prijs heb gekregen, heb ik het juist drukker dan ooit: het regent invitaties en e-mails en zo. Maar bovendien houdt het vak me nog even intens bezig als vroeger, ik ben dagelijks bezig met het bedenken van dingen die zinvol zijn. De samenleving werpt allerlei interessante problemen op en ik werk graag mee aan het vinden van antwoorden.
Dan denk ik bijvoorbeeld aan het vraagstuk van de kantoorgebouwen die nu - mede als gevolg van de economische crisis - leeg blijven staan. Hoe kun je die van functie en bestemming laten wisselen? Overheidsinstanties, maar ook particuliere bedrijven hebben zich onvoldoende gerealiseerd wat de consequenties zouden zijn van de digitale revolutie, zoals het gegeven dat steeds meer mensen thuis gaan werken. Maar die kantoorgebouwen staan er wél voor de komende honderd jaar! Daar moet over nagedacht worden. En neem al die dorpskerken die leeggelopen zijn, daar zou je leuke dingen mee kunnen doen. Ik denk sowieso dat we heel anders moeten gaan bouwen, meer op de manier waarop je een koffer gebruikt. Je pakt tenslotte niet voor elke reis die je onderneemt een andere koffer, want je kunt dezelfde koffer steeds anders vullen. Iets dergelijks zou ook moeten gaan gelden voor gebouwen met een multifunctionele opzet.
De scholen die ik heb ontworpen zijn allemaal rijk geschakeerd, met verschillende plekken voor verschillende activiteiten, en volgens dat concept kun je elk willekeurig gebouw een flexibele indeling geven die tot gebruik en hergebruik uitnodigt.
Nee, ik heb allerminst het gevoel dat ik mijn statement onderhand wel gemaakt heb en dat mijn boodschap duidelijk genoeg is overgekomen, zodat ik er verder het zwijgen toe kan doen. Integendeel zou ik willen zeggen, als ik zie waar de jongere generatie architecten zich mee bezighoudt. Ik voel me niet miskend, dat zou ook een beetje kinderachtig zijn als je werk net bekroond is, maar ik vind wel dat er op grote schaal sprake is van verkeerde doelstellingen en verkwisting van talent. Zuiver cosmetische oplossingen, weinig diepgang.
Mijn generatie wilde werken aan een betere wereld, of daar toch op z'n minst de condities voor helpen scheppen, en ik als naïeve idioot geloof dat nog steeds. In die zin ben ik iemand met een missie, uit noodzaak en overtuiging.’