De illusie van maakbare schoonheid is niet zonder gevaar

Schoonheid zit van binnen

Zonder schaamte laten mensen zich voor de camera’s van ‹Make Me Beautiful› cosmetisch omtoveren tot «zelfbewuste schoonheden». Aan de medische en psychologische risico’s wordt echter weinig ruchtbaarheid gegeven. Terwijl de illusie van maakbare schoonheid zeker niet zonder gevaar is.

De cosmetische en esthetische chirurgie zal een nóg ingrijpender rol gaan spelen in de maakbaarheid van het uiterlijk dan nu al het geval is. Zowel mannen als vrouwen laten aan zichzelf knutselen in het vooruitzicht dat ze eindelijk gelukkig zullen worden. Potentiële huwelijkskandidaten moeten er immers zo bekoorlijk mogelijk uitzien. Jonge vrouwen willen vruchtbaar lijken en voormalige prima donna’s willen, ondanks hun lichamelijke veroudering, seksueel aantrekkelijk blijven.

Veruit de meeste cosmetisch-chirurgische ingrepen (75 procent) zijn borstvergrotingen. Nu al zijn er in Nederland grof geschat 140.000 vrouwen met borstprothesen, waarvan de meeste siliconenimplantaten. En het einde van de «marktgroei» is niet in zicht: een toenemende groep adolescenten vraagt om borstimplantatie. «Soms zijn die meisjes nog niet eens vijftien jaar oud. Ze komen de spreekkamer binnen, aan de hand van hun moeder, die het woord voor hun dochter voert», zegt plastisch/esthetisch chirurg A. Molenaar. Hij vertikt het zo’n meisje een ingreep te beloven. Veel te jong, vindt hij.

In Amerika wordt daar soepeler tegen aangekeken: tussen 1994 en 1998 is borstvergroting onder adolescente meisjes fors toegenomen. Meisjes krijgen van hun ouders soms een borstvergroting cadeau als ze hun eindexamen halen. Aangezien Amerika ook ons voorland is, is het niet ondenkbaar dat cosmetische en esthetische ingrepen frequenter en op steeds jongere leeftijd zullen plaatsvinden.

Deze tendens verdient een aantal kritische kanttekeningen. In hoeverre is het vanuit medisch-psychologisch oogmerk wenselijk dat vrouwen kiezen voor borstvergroting? Wordt er door chirurgen wel genoeg gehamerd op de risico’s? Geopereerde vrouwen zouden zich jonger, vitaal en vol zelfvertrouwen voelen. Maar over de lichamelijke kwalen op langere termijn horen we weinig. En over psychische aandoeningen wordt vooral gezwegen.

In Nederland ontstond de vraag naar borst implantatie veel later dan in Amerika. Prothesen werden traditioneel alleen gebruikt door nachtclubdanseressen. Terwijl hier rond 1968 hooguit flaporencorrectie en borstverkleining bekend waren, was men in de VS al ver gevorderd met borstvergrotingen en facelifts. Tot er steeds meer gezondheidsklachten kwamen over siliconenimplantatie. De klachten werden door de Food and Drugs Administration (FDA) zeer serieus genomen, en in 1992 werden deze schoonheidsoperaties aan banden gelegd. Er waren toen inmiddels ruim twee miljoen Amerikaanse vrouwen met ingebrachte siliconenprothesen, waarvan een deel last had van lichtere en ernstige aandoeningen. Onder dertig tot veertig procent van de patiënten doet zich kapselcontractie voor: als de implantaten zich, vanwege afstoting door het lichaam, samentrekken, worden de borsten harder, pijnlijk en misvormd. Gelukkig is kapselcontractie een relatief lichte afwijking, die door het «kraken» van de prothesen te verhelpen is.

Los van de mogelijke kapselvorming ervaren veel vrouwen pas later in hun leven de negatieve fysieke en psychische gevolgen van siliconenprothesen. Veel van de geopereerde vrouwen klagen over aandoeningen die zich aandienden nadat de siliconenprothesen waren verwijderd. Alleen al in Nederland zijn binnen enkele jaren vele duizenden klachten geregistreerd, in Amerika honderdduizenden. Voor een deel kunnen die klachten worden toegeschreven aan bleeding, doorzweten, een mankement dat alle siliconenimplantaten kenmerkt. De siliconenmoleculen persen zich als het ware door de buitenste laag van de prothese, de envelop, heen, om zich voorbij de borst verder door het lichaam te verspreiden. Bij veel geopereerde vrouwen worden in het gehele lichaam siliconenmoleculen aangetroffen: in de nieren, longen, hersenen, et cetera. Omdat het onnatuurlijke stoffen zijn, doen ze een groot beroep op het afweersysteem van het lichaam. In 1995 toonden Amerikaanse onderzoekers aan dat de dunne siliconenenvelop waar de siliconengel in verpakt zit in de loop der jaren steeds zwakker wordt. Na een jaar of tien zijn bijna alle implantaten kapot en hebben de siliconen een nieuw heenkomen gevonden elders in het lichaam.

Doordat het lichaam voortdurend op de vreemde stof «moet» blijven reageren raakt het overbelast. Uitputtingsverschijnselen kunnen optreden, waarbij vermoeidheid, spier- en gewrichtspijnen de meest gehoorde klachten zijn. Maar omdat voor dit leed nog geen keihard wetenschappelijk bewijs is gevonden, luidt het onwrikbare meerderheidsstandpunt nog altijd dat de «siliconenklachten» net zo goed wél als níet (impliciet) met gezondheidsklachten kunnen samenhangen.

Met andere woorden: de lijfelijke en wellicht psychische pijn die zonneklaar wordt veroorzaakt door de implantaten bestaat niet, omdat hij wetenschappelijk niet bestaat. Volgens gynaecoloog en onderzoeker R. Vermeulen is het schrijnende «dat aandoeningen als gevolg van borstprothesen kwalitatief noch kwantitatief interessant zijn. Het lijkt soms net of de ‹siliconenziekte› wordt genegeerd, of zelfs een beetje weggelachen.»

De grote multinationals Mentor en Inamed maakten onlangs wereldkundig dat gezondheidskwalen zich nauwelijks direct door de aanwezigheid van siliconenprothesen laten verklaren. Mentor wist enkele gerenommeerde onderzoeksinstellingen en klinieken achter zich te krijgen, en samen verkondigde men dat zich bij «siliconenvrouwen» géén (significante) weefselaandoeningen, kanker, of neurologische kwetsuren hadden voorgedaan. Vermeulen: «Dat is te beperkt. Van de vrouwen met siliconenprothesen die ik beroepshalve ken, bleek negentig procent implantaten te dragen die tijdens de borstoperatie al lek waren.» En Diana Zuckerman van het National Center for Policy Research, for Women & Families in Washington stelde dit jaar: «In de door Mentor aangehaalde research wordt domweg de langere termijnwerking van siliconenprothesen genegeerd. De meeste vrouwen met implantaten van meer dan tien jaar oud gaan met minstens één gescheurde prothese door het leven. Vrouwen die lekkende implantaten dragen, lopen meer kans op kwetsuren dan vrouwen met intacte implantaten.»

Ander onderzoek laat zien dat vrouwen met siliconenimplantaten significant vaker specialisten consulteren en ook veel vaker naar het ziekenhuis moeten (vier keer zo vaak als gemiddeld). En hoewel tweederde van de vrouwen met prothesen zei zich goed te voelen, werd de helft van hen gediagnosticeerd als drager van een chronische ziekte. Verder werd duidelijk dat ruim de helft van deze vrouwen opnieuw geopereerd moest worden. Bijna de helft van hen wil geen nieuwe prothese meer.

Na alle minder rooskleurige cijfers rond de siliconenimplantaten vond multinational Inamed dit jaar de tijd rijp om een niet-riskante prothese te lanceren. Maar Inamed verkijkt zich op de planning. Hoewel de FDA er al eerder op had gewezen dat implantaten na een jaar of zes à zeven pas «breken» en gaan «lekken», en de pijnklachten zich vaak na zo’n tien jaar aandienen, beperkte Inamed zich tot een kort, driejarig onderzoek. Dat is veel te kort, vindt de FDA; die kan het verzoek van Inamed om goedkeuring daarom niet inwilligen. Begin dit jaar werd voor de tweede maal publiek gemaakt dat siliconenimplantaten niet op de commerciële markt worden toegelaten. Anders dan in West-Europa, waar het inbrengen van siliconenprothesen gebruikelijk blijft, is herintroductie in de VS van de baan.

Behalve medische risico’s zijn er ook psychologische effecten die nauwelijks aandacht krijgen. Zo zijn niet alle mensen «esthetisch» maakbaar. Vijf procent van de groep die maar al te graag door esthetische ingrepen wil worden geholpen, zou op psychische gronden daar niet in aanmerking voor moeten komen: ze lijden aan Body Dysmorphic Disorder (BDD), ofwel ingebeelde lelijkheid. Mensen met BDD ontwikkelen een dusdanig excessieve preoccupatie met hun uiterlijk dat het hun hele leven gaat beheersen.

Klinisch psycholoog T. Bouman: «Op den duur ontwikkelt zich een neerwaartse spiraal. Uit onderzoek blijkt dat de combinatie van BDD met een depressie bij veertig procent tot suïcidepogingen kan leiden. De ontevredenheid met het uiterlijk leidt vaak tot een verzoek om correctieve chirurgie. Dit is voor mensen met BDD géén effectieve behandeling. De kans is groot dat deze groep tussen wal en schip valt. Huisartsen zouden een verzoek van deze groep moeten onderkennen.»

Als er al wordt besloten tot een consult bij een psychiater of psycholoog zal menige BDD-patiënt juist vanuit een verlangen naar een snelle chirurgische ingreep rechtstreeks op de kliniek afstevenen. Daar wachten de volgende frustraties. Bouman: «In die kliniek zit men niet op ‹moeilijke› mensen te wachten, en zeurverhalen zijn te duur. Men wil normale klanten.» Maar ook bij de «normale» groep valt op het psychologisch succes af te dingen. Tussen de zeventig en negentig procent van de geopereerden met implantaat voelt zich na afronding van de chirurgische behandeling aanvankelijk content. Wat betreft «lichamelijke uitstraling» en «levenskwaliteit» ervaren ze een grote verbetering. Maar ander onderzoek toont aan dat zo’n twee jaar na de operatie de scores op «geestelijke gezondheid» en «levenskwaliteit» veel lager zijn dan net na de operatie. De conclusie dat het dragen van implantaten de geestelijke gezondheid, op de langere termijn, niet ten goede komt, wordt gestaafd door recent onderzoek onder vrouwen die hun implantaten (tijdelijk) lieten verwijderen: esthetische chirurgie bracht hen zelfs naar een lager niveau van «psychisch welzijn».

Uit een onderzoek van het National Cancer Institute in de VS blijkt dat «vrouwen met borstimplantaten significant vaker zelfmoord plegen dan vrouwen die geen prothesen dragen», zelfs vier keer zo vaak. Deze vrouwen droegen hun implantaten acht jaar of meer. Het hoge percentage suïcides schrijven de onderzoekers toe aan het lage zelfbeeld dat bij mensen met zelfmoordpogingen vaak een rol speelt, en dat dikwijls nog wordt versterkt als de vrouwen de gewenste effecten onvoldoende vinden, of omdat de implantaten anderszins problemen geven. «Onzekere vrouwen die hun borsten laten vergroten, zullen relatief zeer teleurgesteld zijn als het resultaat tegenvalt. Zij dachten dat een vollere boezem hun problemen zou oplossen. In plaats daarvan raken ze in een depressie.»

Volgens onderzoekster Diana Zuckerman kunnen pathologische componenten niet de enige variabelen zijn waaruit zelfmoord voortvloeit. Want waarom plegen mensen met esthetische operaties aan andere lichaamsdelen (facelifts, haarimplantaties) dan significant minder vaak zelfmoord dan vrouwen met siliconenborsten? Zuckerman: «De wanhoop die bij de gedupeerde vrouw ontstaat bij het kapotgaan van een implantaat, plus het besef dat de siliconen door het lichaam gaan zwerven, zodat er geleidelijk pijn in de organen ontstaat, zou wel eens eerder de drijfveer achter zelfmoord kunnen zijn dan psychopathologische trekken.»