Arjen Duinker

Schoonmaak

De dichter schrijft: «Ik zie een fiets». De recensent vraagt zich af wat de betekenis is van: «Ik zie een fiets». De dichter kijkt nog eens naar het gedicht en stelt vast dat hij «Ik zie een fiets» heeft geschreven, hij kijkt misschien voor de zekerheid nog een keer of wat, haalt de kauwgom uit zijn mond, plakt de kauwgom onder het blad van de tafel, voor later, draait zijn stoel naar het raam toe, legt zijn armen over elkaar en sluit zijn ogen. Dat heb ik toch wel mooi geschreven, denkt hij, «Ik zie een fiets», de rest van de dag hoef ik niet veel meer te doen, ik zou even kunnen gaan slapen, straks een broodje kopen, een pak melk, een zak chips… Hij denkt niet aan de recensent, neuriet tevreden in het wilde weg en realiseert zich plotseling dat hij de keuken zou schoonmaken. Hij komt overeind, controleert of er nog steeds «Ik zie een fiets» staat, gelukkig, het staat er, en loopt naar de keuken. Hij pakt een emmer.

De recensent is ontevreden. Hij leest opnieuw «Ik zie een fiets», maar de betekenis van «Ik zie een fiets» blijft hem ontglippen. Duizenden mogelijkheden dienen zich aan, de recensent heeft moeite met kiezen, welke mogelijkheid is nou toch de goede, betekent «Ik zie een fiets» in dit geval iets aardrijkskundigs, iets romantisch, iets treurigs? Wat wil de dichter toch zeggen? Wat zegt hij? Dat poëzie de straat weerspiegelt of moet weerspiegelen, dat het groeien van blaadjes aan bomen een proces is, vergelijkbaar met het rondtrappen van de pedalen, dat zien ten koste kan gaan van ruiken, dat emotie in het leven van de dichter geen rol speelt? Of zou «Ik zie een fiets» vanuit de politiek begrepen moeten worden? Alle kans, denkt de recensent, dat de dichter me voor de gek houdt en gewoonweg duidelijk maakt dat het leven de mens voor problemen stelt, dat het ene probleem oplosbaar is en het andere niet of nauwelijks. Of dat hij een afwijkend beeld voor het verglijden van de tijd heeft willen maken. De recensent heeft het idee dat hij de kern van de zaak begint te naderen, hij moet alleen nog wat meer lagen verwijderen.

De dichter vindt dat de keuken schoon genoeg is, hij kan niet overal even goed bij, maar heeft geen zin om zich in de lastigste bochten te wringen. Hij trekt zijn jas aan, gaat naar buiten, knoopt zijn jas dicht, zingt «Una paloma blanca» en ziet dan pas dat zijn fiets niet tegen de muur staat. Hij kijkt om zich heen, vloekt en mompelt bedroefd: «Homo homini lupus est.»

De recensent heeft inmiddels volgende lagen verwijderd, het aantal mogelijkheden is vele malen kleiner geworden, hij is er bijna. Hij haalt diep adem en leest: «Ik zie een fiets». Dan begint hij hard te lachen, hij heeft door wat de betekenis is, hij heeft het kloppende hart gevonden en wat ligt het voor de hand! Dit bedoelt de dichter: de mens is de mens een wolf.

Hij trekt de deur achter zich dicht en gaat een nagelvijl kopen. Hij ziet mannen en vrouwen lopen, en jongens en meisjes, hij ziet auto’s stoppen voor een stoplicht, een container met bouwafval, de winkel met feestartikelen, hij slaat een hoek om en ziet iemand bij een muur bedroefd om zich heen kijken.