Menno Hurenkamp

Schoonmaken

We zouden een nieuwe werkster krijgen. Eerst schoonmaken dus. Dan elkaar oppeppen om duidelijke taal uit te slaan over wat in welk tempo moet gebeuren. Badkamer! Keuken! Alles stofzuigen, dweilen! Geen politiek correcte aarzelingen tonen over het feit dat jij de baas bent en zij het personeel is. Als je dat de eerste keer niet doet, ben je het initiatief kwijt en zit je voortaan op een bankje in het park te wachten tot zij vindt dat zij klaar is. Dat had recent Amsterdams onderzoek onder werksters en hun opdrachtgevers weer eens scherp laten zien.

Terwijl we dit overwegen, sleept de jongste zoon met een zware kandelaar over de grond. Dat geeft plotseling een onbestemd gevoel. De aankomende werkster is Marokkaans. Marokkaanse vrienden en kennissen genoeg om je van de dagelijkse berichten over antisemitisme niets aan te trekken. Een onbekende die je privé-domein gaat onderhouden is blijkbaar iets anders, want we kijken elkaar onwillekeurig onderzoekend aan. Zo’n menora is toch een onmiskenbaar joods symbool.

Moet dat ding niet even weg? mompelen we tegelijk, het antwoord al kennend.

Nee natuurlijk niet, zegt mijn meisje gelukkig de seconde daarop. Per slot is zij de aanstichtster en heb ik als voormalig dienaar van Rome een veilige identiteit. Ik val haar snel bij. Gewoon laten staan die kandelaar. Geërgerd omdat we ons allebei hebben laten meeslepen, staren we even uit het raam. Daar zitten we, volkomen voorgeprogrammeerd te wachten op een onbekende die misschien wel jaren bij ons over de vloer gaat komen. Ze gaat haar eigen gang, tenzij we niet bang zijn haar kort te houden. Het blijkt uit onderzoek. En ze lijdt aan rassenwaan, waardoor ze zich vermoedelijk gelegitimeerd weet om naar hartelust te stelen en uitvreten. Dat kun je in de kranten lezen.

We leverden in die twee minuten een typisch laat-twintigste-eeuwse illusie in, die van de vanzelfsprekende vrede. Het was een illusie dat het vanzelf spreekt om een ander mens vervelend werk te laten doen, zonder de hiërarchie (ik praat, jij doet de vaat) te benoemen. Het was een illusie dat het vanzelf spreekt dat culturele verschillen gevaarloos zijn. Welkom in de realiteit, merken critici nu op, goed dat je die verwende welvaarts gedachten uit de jaren negentig laat varen, in deze maatschappij mag niks meer vanzelfsprekend zijn, we gaan alle verschillen benoemen en uitwassen bestrijden! Om zo de vanzelfsprekende vrede voor een vanzelfsprekende strijd in te ruilen.

Illusies hernemen zich ’s nachts, gesterkt door aanvallen uit de werkelijkheid. (Anders was het met de Verlichting, de verzorgingsstaat én de conservatieve golf nooit wat geworden.) Een minder eendimensionale reactie dan het ruilen van de vrede voor de strijd zou zijn te erkennen dat het loslaten van de vanzelfsprekendheid meer opmerkingsgave vergt. Ik had blijkbaar ook de illusie dat verstandige mensen ongevoelig zijn voor politiek en journalistiek geweld waarmee vooroordelen worden opgepompt. Maar we hadden ons onbewust ertoe laten verleiden al een mening klaar te hebben: die werkster zal wel niet deugen. Ze vertrok overigens direct na aankomst. Allergisch voor katten.