Arbeidsmarktparticipatie door vluchtelingen

‘Schoonmaken, jij’

Toen in 2015 bijna zestigduizend asielzoekers en nareizigers Nederland binnenkwamen, paste de overheid haar beleid aan. In plaats van mensen te ontmoedigen te integreren moesten degenen met een verblijfsstatus nu juist zo snel mogelijk aan de slag.

Medium hh 62110083
Amsterdam, 20 januari. Kapper Sari Tomi uit Iran tijdens de opening van Lola Lik in het voormalige hoofdgebouw van de Bijlmerbajes © Berlinda van Dam / HH

Als Amer Soufi de ‘Screeningsbalie Bijzondere doelgroepen’ in Amsterdam-West binnenstapt kijkt hij zijn ogen uit. De vriendelijk glimlachende receptioniste biedt koffie aan terwijl ze Soufi verzoekt in de welkomsthal op zijn screening te wachten. ‘In Syrië worden gemeentehuizen allemaal gebruikt door Assad en zijn geheime dienst. Daar werd ik van tevoren al gescreend’, zegt de 32-jarige Syrische Koerd die in 2015 via Turkije naar Nederland vluchtte.

Soufi praat op ingetogen toon, af en toe valt hij stil en staart door het raam naar buiten. Binnenkort hoopt hij zijn familie die hij al anderhalf jaar niet heeft gezien in Nederland te verwelkomen: moeder, vrouw en drie kinderen, waarvan de jongste ter wereld kwam tijdens zijn vlucht.

Na een drie uur durende digitale enquête, waarin hij vragen over zijn karakter, opleiding en gewenste baan beantwoordt, treft Soufi zijn persoonlijke klantmanager die de resultaten met hem doorneemt. ‘Waarom is je zelfvertrouwen niet hoog?’ vraagt ze wijzend op het bolletje dat halverwege het staafdiagram is blijven steken. Nadat Soufi duidelijk heeft gemaakt dat hij niets wilde invullen dat hij niet kon waarmaken vertelt hij dat hij als docent Engels aan de slag wil. Hij studeerde Engelse literatuur in Syrië en werkte als docent en tolk. Als dat niet mogelijk is, hoopt hij psychologie te kunnen studeren. Zijn klantmanager stelt voor eerst Nederlands te leren. Ze regelt een afspraak met een taalschool en verzekert hem dat de gemeente de reiskosten betaalt.

Sinds 2013 moeten vluchtelingen zelf hun inburgering regelen en binnen drie jaar slagen voor het examen, op straffe van een boete. Bij de gemeenten, tot die tijd de belangrijkste aanbieder van inburgeringscursussen, verdwenen ze daardoor uit beeld. Met de screening en de inzet van klantmanagers en jobcoaches probeert Amsterdam statushouders al in een vroeg stadium te begeleiden naar werk of een opleiding.

De door zijn klantmanager aanbevolen talencursus blijkt voor Soufi een steuntje in de rug. Bij de online taalschool die hij eerder zelf had gevonden leerde hij niks, maar omdat hij in goed vertrouwen een contract had ondertekend, raakte hij met 2400 euro wel bijna een kwart van zijn inburgeringsbudget kwijt. Inmiddels is Soufi, die overdag af en toe bijspringt bij zijn voormalige werkgever Artsen Zonder Grenzen, zijn nieuwe talencursus gestart. Vijf avonden per week volgt hij Nederlandse les. Naast woorden uit het standaard vluchtelingenvocabulaire als ‘afspraak’ en ‘gemeente’ kent hij nu ook de dagen van de week en kan hij klok kijken. ‘Ik begin woorden op te pikken op straat en in de tram’, vertelt hij enthousiast. Voordat hij echt op zoek kan gaan naar een baan heeft hij nog wel een aantal andere zaken te regelen: diploma-erkenning, gezinshereniging en niet te vergeten de inburgeringsplicht.

Nadat er in 2015 bijna zestigduizend asielzoekers en nareizigers waren binnengekomen, is er een hoop veranderd in Nederland. Decennialang is het integratiebeleid er in Nederland op gericht geweest nieuwkomers niet te laten wortelen. Door asielzoekers op afstand van de samenleving en de arbeidsmarkt te houden zou een ‘aanzuigende werking’ en verdringing op de arbeidsmarkt voorkomen kunnen worden. Vorig jaar ging het roer, onder druk van de kleine zestigduizend mensen en de maatschappelijke reactie erop, om. Mensen met een verblijfsstatus moeten nu juist zo snel mogelijk integreren.

In december 2015 raadden de wrr, het scp en het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (wodc)in het gezamenlijke rapport Geen tijd verliezen de regering aan al in de opvangfase te beginnen met het activeren van vluchtelingen. De huidige integratiewet, met zijn bestraffingselementen en nadruk op eigen verantwoordelijkheid, is daarvoor een belemmering, constateerde de Algemene Rekenkamer eerder dit jaar.

De vvd was in de afgelopen kabinetsperiode pertinent tegen eerder werken – nu mogen asielzoekers zes maanden na aankomst 24 weken per jaar werken. Het kabinet besloot zich daarom te richten op vrijwilligerswerk, als opstap naar betaald werk. Welzijnsorganisatie Pharos kreeg daarvoor een subsidie van één miljoen euro van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In een handjevol gemeenten door het hele land rolt Pharos nu het project Aan de Slag uit waarin bewoners van azc’s warm worden gemaakt voor vrijwilligerswerk.

‘Ik zie vaak een denkbeeldige muur tussen ons en de rest van de samenleving. Waarom weet ik ook niet’

De voordelen van vrijwilligerswerk – het gevoel hebben nuttig bezig te zijn en kennismaken met de samenleving – zijn evident. Het aantal vervolgstappen naar een baan is echter vele malen groter, vertelt projectleider Marieke Stopel op kantoor in Utrecht: ‘Mensen zitten vaak niet lekker in hun vel en spreken nog geen Nederlands. Dan is het misschien niet realistisch om direct na te denken over hoe ze aan een baan kunnen komen.’

Op een druilerige middag heeft Ellen Pals zich samen met een collega van de Vrijwilligers Centrale Regio Alkmaar achter een tafel in een zaaltje van het azc genesteld. Aan de muren hangen ballonnen en vlaggetjes. De A4’tjes op tafel geven in het Nederlands, Engels, Arabisch, Farsi en Tigrinya informatie over het beschikbare vrijwilligerswerk: wandelen met ouderen, schilderen en pannenkoeken eten met dementerende bewoners. Er zijn zelfs tolken opgetrommeld om te assisteren, maar in tweeënhalf uur melden zich welgeteld twee bewoners. Hadja Binta Barry uit Guinee wil iets doen om haar zorgen te vergeten. Ze verloor haar man en kinderen in haar thuisland. Over drie weken gaat ze een middag wandelen met bejaarden. ‘Vorige keer kwamen we tijdens het wekelijkse stempelmoment en hadden we een hele lijst vol’, vertelt Pals terwijl ze aanstalten maakt om de A4’tjes en brochures weer op te bergen. Dan komt er toch nog iemand binnen, maar hij verkiest de tafel naast die van het vrijwilligerswerk, waar de huismeester en een medewerker bewoners proberen warm te maken voor ‘zelfwerkzaamheid’. Tegen een kleine vergoeding kunnen bewoners allerlei klusjes in het azc uitvoeren, van de kelder opruimen tot onkruid wieden in de tuin. ‘Vroeger hadden we allerlei activiteiten voor de mensen, ik herinner me zelfs hele bingoavonden’, vertelt de medewerker. Maar toen werd de opvang versoberd. Ze zag hoe het lange wachten zonder iets om handen te hebben de moraal van de bewoners brak. En omgekeerd: hoe mensen opfleuren als ze bezig zijn, al is het met de meest simpele activiteiten.

Hoewel dit een initiatief van de huismeester en de medewerker was, maakt het coa, de uitvoeringsinstantie voor de opvang van asielzoekers, sinds kort werk van de zogenaamde ‘voorinburgering’, waarvoor het tweeduizend euro per traject beschikbaar heeft. Direct na het verlenen van een verblijfsvergunning vragen coa-medewerkers de statushouders naar hun beroep en gewenste vestigingsgemeente. Dat gebeurt aan de hand van 35 door het uwv ingedeelde arbeidsmarktregio’s. Het gebied rond Eindhoven is bijvoorbeeld een geschikte vestigingsplek voor vluchtelingen met een technische achtergrond en in het Groene Hart kunnen vluchtelingen met een achtergrond in de cosmetica-industrie weer goed terecht. Plaatsing in de juiste gemeente blijkt vaak van groot belang voor de baankansen van de statushouder.

Maar omdat statushouders evenredig naar bevolkingsaantallen in gemeenten moeten worden geplaatst, blijkt dat vaak nog een hele puzzel.

‘Tien, twintig jaar hebben medewerkers van het coa en beleidsmakers hun werk gedaan met het idee: “Pas op, want anders integreren ze.” Dat heb je niet binnen twee jaar uit hun geheugen gewist’, zegt Tesseltje de Lange. Ze deed, samen met drie collega’s, de afgelopen maanden onderzoek naar de arbeidsmarktintegratie van vluchtelingen tussen aankomst in het azc en plaatsing in de gemeente. Er bestaan voor hen nog altijd talrijke belemmeringen op weg naar de arbeidsmarkt, stelt de juriste die verbonden is aan de Universiteit van Amsterdam en Tilburg. Asielzoekers moeten bijvoorbeeld te lang wachten voordat ze daadwerkelijk toegang hebben tot arbeid en statushouders moeten eerst inburgeren, wat de mogelijkheid te werken in de weg staat. Toch heeft er na 2015 binnen veel (overheids)instellingen wel degelijk een omslag in het denken plaatsgevonden, constateert De Lange: van ontmoediging tot integratie naar een versnelde integratie. Maar de reflex om de integratie af te remmen is in het bureaucratisch systeem nog altijd sterk aanwezig.

Tegelijkertijd veranderde het politieke en maatschappelijke klimaat. De nadruk op bescherming van vluchtelingen verschoof naar bescherming tegen vluchtelingen. Het terrorismeframe domineert het debat en gesloten grenzen en vluchtelingenquota komen steeds vaker terug als ‘oplossingen’.

Amer Soufi, die onlangs zijn familie op Schiphol verwelkomde, vindt dat de nadruk bij discussies over integratie te veel op praktische zaken ligt, zoals het afval buiten zetten. ‘Dat is iets dat je even moet leren. Als je me één keer vertelt hoe het werkt, weet ik het.’ Of het kopen van medicijnen: ‘In Syrië kan ik bijvoorbeeld direct alle medicijnen in de apotheek kopen. Maar hier moet ik eerst naar de huisarts. Ik kan je alles over Shakespeare uitleggen, maar zulke simpele dingen moet je even leren.’ Dat gaat het makkelijkst via contact met mensen die hier al lang wonen. ‘Maar ik zie vaak een denkbeeldige muur tussen ons en de rest van de samenleving. Waarom weet ik ook niet. We hebben een meer open benadering nodig van beide kanten’, aldus Soufi.

Toch ziet De Lange ook positieve ontwikkelingen. Zo staan azc’s vaker dan voorheen in (het centrum van) de stad. ‘Toegang tot de arbeidsmarkt is niet alleen juridisch, maar ook fysiek. Als een azc in het bos staat is er niet alleen geen arbeidsmarkt in de buurt om je op te oriënteren, maar mis je ook de interactie met de maatschappij.’ In de Bijlmerbajes in Amsterdam is daarvan een goed voorbeeld. Naast een azc is er sinds kort ook de culturele broedplaats Lola Lik gevestigd. Verschillende kleine bedrijfjes hebben een onderkomen gevonden in de leegstaande gevangenis. Zo ook de Refugee Company, in 2015 opgezet door Fleur Bakker. Bakker werkte lange tijd in azc’s voor Stichting de Vrolijkheid en kon niet stil blijven zitten toen de vluchtelingencrisis via de televisie haar huiskamer binnenkwam. Nu helpt ze met de Refugee Company bewoners van het azc, die vaak wachten op een woning in Amsterdam, om hun tijd nuttig te besteden. Ze kunnen er in contact komen met werkgevers, hun baanmogelijkheden verkennen, en zo alvast een netwerk opbouwen.

‘Als je niet werkt, dan gaat de samenleving aan je voorbij als een rivier waar je vanaf de kade naar kijkt’

Terwijl een aantal bewoners uit het azc druk in de weer is een koffiebar op te tuigen, vertelt Bakker vol trots over ‘meneer Khaled’. Op het raam hangt een artikel uit Het Parool. De Syrische kleermaker is op de foto te zien in het atelier in de bajes, waar hij tot voor kort smokings maakte. Inmiddels doet hij dat in Emmen na hulp van Bakker die hem hielp aan lokale contacten zodat hij ook in het oosten van het land zijn beroep kon blijven uitoefenen.

Bij de officiële opening van de broedplaats, in januari, maakte hij nog een keer zijn opwachting in zijn oude atelier. De manier waarop zijn handen de stof beroeren en de twinkeling in zijn ogen verraden de liefde van een vakman die blij is zijn beroep te kunnen uitoefenen.

Met de ongebreidelde energie van Bakker biedt de Refugee Company vluchtelingen als Khaled een netwerk waarmee ze makkelijker kunnen manoeuvreren in het bureaucratische doolhof waar iedere vluchteling in belandt. Bakker pleit voor een niet al te haastig optreden in eerste instantie. ‘Je moet even ontdekken wat iemand kan en wil. Als ik met meneer Khaled niet een aantal ontmoetingen had gehad, was dat niet gelukt.’ Wachttijd in het azc zinnig gebruiken om mogelijke richtingen te verkennen en het vertrouwen van mensen winnen blijkt uit haar ervaring van enorm belang. Die aanpak staat soms op gespannen voet met het zo snel mogelijk aan het werk krijgen van vluchtelingen. De Refugee Company ontving subsidie van de gemeente en moet daarom terugrapporteren over wat hun werk concreet oplevert. ‘Dan ga je eigenlijk met andere initiatieven concurreren om wie het vinkje krijgt’, meent Bakker.

‘Kwartiermakers’ als Bakker vormen volgens onderzoekster De Lange een belangrijke schakel op weg naar werk. Omdat kwartiermakers de persoonlijke situatie van vluchtelingen goed kennen, kunnen ze als geen ander inschatten of een vluchteling inderdaad snel aan het werk kan of eerst nog een andere stap moet maken. Als zo’n schakel mist in de versnelde integratie loopt het spaak. Ook klantmanagers en jobcoaches met ‘de Amsterdamse aanpak’, een aanpak die ook in enkele andere gemeenten wordt gehanteerd, kunnen in hun rol maatwerk leveren. Veel gemeenten hebben echter niet het geld, de kennis of de tijd voor zo’n speciaal traject. Dan liggen vereenzaming en isolatie op de loer.

Sham en Raam lopen op en neer door de kamer. Ze hebben alleen oog voor hun smartphone waarop ze spelletjes spelen en video’s bekijken. Mahmoud Abousamra knuffelt zijn dochters als hij ze te pakken krijgt. In 2015 kwam de 42-jarige Syrische Palestijn uit Damascus naar Nederland, anderhalve maand terug reisde zijn gezin hem achterna. Nu vieren ze samen in Den Haag hun eerste krokusvakantie. De komst van zijn gezin vergroot zijn zorgen. ‘Ik integreer niet in de samenleving, verdoe mijn tijd’, zegt Abousamra, die in Syrië in de bouw werkte.

Zittend op de bank nipt hij aan de door zijn vrouw meegebrachte Syrische koffie. Hij vertelt over zijn banenjacht, die voor hem steeds meer op een queeste begint te lijken. Op zijn smartphone laat hij de talloze gestandaardiseerde afwijzingen op zijn sollicitaties zien. De haast die hij heeft om een baan te vinden, lijkt door te klinken in de snelheid waarmee hij praat. ‘Je zal in geen enkele samenleving integreren als je niet werkt’, zegt hij. ‘Dan gaat de samenleving aan je voorbij als een rivier waar je vanaf de kade naar kijkt. De rest is allemaal cosmetisch.’

Natuurlijk is hij dankbaar dat hij veilig in Nederland kan verblijven. Hier wil hij oud worden, vertelt Abousamra beleefd. Maar de frustratie ligt aan de oppervlakte. Twintig jaar ervaring in de bouw in Syrië bleek weinig waard in Nederland. ‘Mijn baan zoals ik die in Syrië had, bestaat hier eigenlijk niet. Het zit ergens tussen voorman en timmerman in.’ Het is een probleem waar veel mensen mee te maken krijgen: de diploma’s worden niet of laag gewaardeerd of het werk is anders georganiseerd. Het vergt veerkracht en aanpassingsvermogen om in je eigen beroep aan de bak te komen.

Eénmaal werd hij tot zijn verbazing wel uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. ‘Door een tuinder, terwijl ik in die sector helemaal geen ervaring heb. Ik vroeg nog of het geen vergissing was, maar dat was niet het geval.’ De werkgever wilde met Abousamra aan de slag, maar dan zou hij wel om zeven uur moeten beginnen in het Westland. De eerste bus vertrekt om half zeven, waardoor hij nooit op tijd op zijn werk zou kunnen zijn. Hij zag zich gedwongen voor de baan te bedanken. Een ander probleem was dat hij niet over het vereiste veiligheidscertificaat (vca) beschikte. Toen hij bij zijn contactpersoon van de gemeente aanklopte, kreeg hij te horen dat de gemeente alleen voor vca-examens in het Nederlands betaalt. Hoewel Abousamra al vrijwel alles begrijpt in het Nederlands is het doen van een examen nog te moeilijk. Daarom probeert hij de gemeente te overtuigen toch de kosten, die hij zelf niet kan ophoesten, te betalen voor het examen.

De Lange kwam tijdens haar onderzoek veel vergelijkbare verhalen tegen. Ze noemt het problematisch dat vluchtelingen gelijkgesteld worden aan andere werklozen. Zo wordt geen rekening gehouden met hun kwetsbare positie en is differentiatie uitgesloten. Voor ambtenaren van de gemeenten die een vluchteling tegenover zich krijgen gelden de geijkte mechanismen, waarbij het zo snel mogelijk uit de bijstand helpen van de werklozen het voornaamste doel is: ‘Dan is het inderdaad van: waar kan ik een baantje vinden als schoonmaker? (…) Jij, ga maar schoonmaken!’ zegt De Lange.

Als Abousamra de gemeentebureaus binnenkomt voelt hij de schoonmaakvacatures hem vanuit alle hoeken aanstaren. ‘Er zijn tien deuren. Ze vertellen: je mag overal naar binnen. Maar er is er maar één open. Ik ben bijna moedeloos’, zegt hij. Maar daaraan toegeven is geen optie, zeker niet nu zijn vrouw en kinderen in Nederland zijn gearriveerd en hij hen een toekomst wil bieden. Hij is druk bezig zijn rijbewijs te halen en hoopt de gemeente te overtuigen toch zijn vca-cursus te betalen. ‘Alles wat ik nodig heb is een kans om te leren hoe de bouw hier werkt’, verzucht hij.