Schop de mensen een geweten

Leon de Winter, Serenade, Boekenweekgeschenk van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, ter gelegenheid van de Boekenweek 1995; 93 blz., gratis. Jan Wolkers, Zwarte bevrijding, Boekenweek-essay, 56 blz., f4,95. HET IS EEN verbijsterend gezicht, al die boeken die in de Boekenweek op de markt worden gebracht. Rond het thema ‘De vijftigste mei’ verdringen ‘de mooiste Nederlandse bevrijdingspoezie’, oorlogsdagboeken en -memoires, verzetsherinneringen en bloemlezingen elkaar op de toonbanken. Er zitten waardevolle titels tussen maar ook veel snel in elkaar gezette, goedkope bundeltjes met oorlogs- en bevrijdingsfragmenten. De allerhoogste stapel wordt gevormd door het Boekenweekgeschenk van de stichting CPNB, die trots meldt dat de oplage van het promotieboekje weer hoger is dan vorig jaar - ook omdat Leon de Winters Serenade niet alleen met iedere boekenkoper meegaat, maar ook aan alle scholieren in de eindexamenklassen cadeau wordt gedaan.

Want, zo zei CPNB-directeur Henk Kraima: ‘Serenade is in onze ogen bij uitstek geschikt om een inhoudelijke bijdrage te leveren aan de herdenking in mei van het feit dat de Tweede Wereldoorlog 50 jaar geleden beeindigd werd.’ Bij mijn weten is nooit eerder een dergelijke opvoedende impact toegeschreven aan een boekenweekgeschenk. En als Nederland zijn jeugd literatuur cadeau doet die hen bewust moet maken van maatschappelijke aangelegenheden, moet er toch iets aan de hand zijn.
Er is ook iets aan de hand. De Boekenweek heeft dit jaar nadrukkelijk een maatschappelijke lading: de propaganda voor het lezen van literatuur moet tegelijkertijd een bijdrage leveren aan de herdenking van de Tweede Wereldoorlog en de waarschuwing laten horen dat het nooit, nooit meer mag gebeuren. Natuurlijk dient iedereen die het niet heeft meegemaakt zich bewust te zijn van het gruwelijke tijdperk tussen 1940 en 1945, en natuurlijk mag nooit ofte nimmer worden vergeten wat er vanaf 1933 in Europa is gebeurd. En wie anders dan de jonge mensen van vandaag moeten er als eerste van doordrongen raken dat fascisme en rassenwaan nooit krachtig genoeg kunnen worden bestreden? Deze Boekenweek wil daaraan bijdragen. Dat is goed: als literatuur in staat is mensen te laten nadenken over hun eigen positie in de samenleving en ze op hun verantwoordelijkheden kan wijzen, dan mogen die eindexamenleerlingen wat mij betreft elke dag een boek krijgen over 'de oorlog’ - welke oorlog dan ook.
Serenade is mede bedoeld om jongeren te waarschuwen voor intolerantie, haat en massale waanzin, om ze te laten praten en nadenken over de 'boodschap’ van het boek: 'dat oorlog, elke oorlog, tot het maken van een keuze aanzet; dat het je dwingt om na te denken over goed en kwaad’, zoals het CPNB zegt.
Dat het geschenk aan de leerlingen door een aantal christelijke scholen is geweigerd - vanwege een aanstootgevend geachte beschrijving van een vitale bejaarde man die zich oraal laat verwennen door een serveerster - is in die context dan ook onbegrijpelijk. Ik hoop dat die scholieren zich niet op hun kop laten zitten en naar de boekwinkel rennen om Serenade alsnog te halen. Dan moeten ze meteen Zwarte bevrijding meenemen, het Boekenweek-essay van Jan Wolkers. Daar zijn weliswaar 718.000 exemplaren minder van gedrukt dan van Serenade, maar het is veel krachtiger dan De Winters novelle, en maakt feilloos duidelijk hoe verkeerd de censuur van sommige christelijke onderwijsinstellingen is. Zwarte bevrijding is een ongenadige klap in het gezicht van alles wat op onverdraagzaamheid lijkt, een zeer persoonlijk en direct essay waarmee Jan Wolkers in zijn eentje meer recht doet aan de intentie van de CPNB dan alle Boekenweek-machinerieen bij elkaar.
SERENADE IS EEN novelle over een moeder en een zoon, Anneke IJsman en Ben Weiss. Ondanks haar respectabele leeftijd, vierenzeventig jaar, is zij een levendige vrouw, die na de dood van haar echtgenoot slechts contact heeft met haar zoon. Hij leeft van het componeren van reclame- ondersteunende melodietjes en heeft het zo druk met zijn werk, zijn huis en zijn vrouw dat hij zijn moeder niet de aandacht kan geven die ze verlangt. Op een dag verdwijnt ze spoorloos. Ben merkt dat pas als haar 'nieuwe vriend’, de vitale bejaarde Fred Bachman, hem erop attendeert. De twee mannen besluiten haar op te sporen. De laatste jaren is ze wel vaker zomaar verdwenen, maar dan belde ze altijd meteen haar zoon, uit een of andere Europese stad. Dat is haar manier om te bewijzen hoe springlevend ze nog is.
De laatste keer dat Ben haar had gesproken had ze weer eens iets op televisie gezien dat ze hem moest vertellen, iets vreselijks in de wereld. Hij had geen tijd om te luisteren, want hij moest werken. Pas toen hij haar met Fred achterna was gereisd naar Split in Kroatie, begreep hij wat er met zijn moeder aan de hand was. Ze zag op televisie een uitzending waarin een Bosnische vrouw vertelde hoe ze met haar familie door Servische soldaten uit haar huis was gehaald. Haar vader waarschuwde dat zij moest vluchten als hij zich op de grond liet vallen en deed alsof hij gek was, om de aandacht af te leiden. De vrouw vluchtte, haar familie zag ze nooit meer terug.
Nadat ze die documentaire had gezien vertrok Anneke IJsman naar Kroatie, om 'de mensen daar te gaan helpen’. Haar spaargeld nam ze mee - om wapenleveranties te financieren. Haar motivatie: 'We zitten voor de televisie en kijken toe hoe mensen zoals jij en ik worden afgeschoten! Als honden! Bennie, als honden! Er zitten sluipschutters in de bergen en de mensen in de stad worden als honden afgeschoten! En in die stad woonde iedereen door mekaar, katholieken, moslims, Serviers, joden ook, die woonden daar ook al honderden jaren, Ben, en nu schieten ze met kanonnen en raketten en wat doet de wereld? De wereld kijkt toe hoe de bandieten weer de baas worden. Mooie wereld is dat, he Bennie?’
WANNEER ANNEKE IJsman in handen valt van een zwendelaar, die er met haar hele fortuin vandoorgaat, eindigt haar impulsieve maar oprechte actie. Korte tijd later overlijdt ze aan kanker, zonder dat zelf te weten. Dat wilde haar zoon haar niet vertellen. Pas na haar dood ontdekt Ben Weiss dat zijn moeder de Tweede Wereldoorlog alleen kon overleven doordat haar tweelingbroer Benjamin, toen ze door Nederlandse politiemannen werden gegrepen, de aandacht afleidde door te doen alsof hij gek werd. Zij ontsnapte doordat haar broer zich opofferde.
Serenade wil een verband leggen tussen de Tweede Wereldoorlog en de brandhaarden van vandaag. Dat het van de twee generaties de moeder is die inziet dat de oorlog in Bosnie vraagt om ingrijpen, is opvallend. Ben Weiss personifieert de dadenloosheid van de westerse wereld: 'Voor het eerst sinds 1945 werd er weer op georganiseerde schaal gewapende strijd geleverd in Europa, een terugval in de beschaving, een breuk met de tere vredelievende traditie die op het puin van het fascisme tot bloei was gekomen, zo las ik overal. En net als iedereen bezwoer ik de onrust door de gedachte dat anderhalf uur vliegen vanaf mijn bed weliswaar niet ver was maar nog altijd ver genoeg om me te blijven wijden aan mijn persoonlijk welvaren.’
Dat is kenmerkend voor 'onze’ opstelling in de kwestie-Bosnie. Omdat Bens persoonlijk welvaren voor alles gaat, schenkt hij nauwelijks aandacht aan wat zijn moeder bezighoudt. Hij ontloopt daarmee zijn verantwoordelijkheid, net zoals - volgens Anneke IJsman - wij allemaal.
Louis Paul Boon schreef onder het motto 'Schop de mensen tot zij een geweten krijgen’ hartstochtelijk geengageerde boeken, tegen de onrechtvaardigheid in de wereld, en dus ook tegen de oorlog. Boon was compromisloos, confronterend en erg boos. Zijn proza kon inderdaad als een trap zijn, tussen je benen of in je maag, daar waar het het hardst aankomt. Want soms moeten mensen pijn lijden voor ze gaan nadenken, meende hij. Een boek over 'de oorlog’ moest dus een schop zijn, zo krachtig dat degene die hem ontvangt vanzelf een geweten krijgt.
Serenade had zo'n schop moeten zijn, pijn moeten doen. Maar dat is het niet, en dat doet het niet. Het is een geforceerd verhaal, dat niet voelbaar maakt wat 'de oorlog’ was of wat 'een oorlog’ kan zijn, en waarin 'de boodschap’ erg zwaar weegt: het gaat om de wereld waarin we nu leven, de samenleving waarvoor we nu verantwoordelijk zijn. Dat het een oude vrouw moet zijn die de consequenties trekt uit haar verleden en daardoor de gruwelijkheden van het heden juist inschat, zou Ben Weiss aan het denken moeten zetten. Waarom doet hij zelf niets? De oorlog in het voormalige Joegoslavie, hoe dichtbij ook, blijft voor hem toch een ver-van- mijn-bedshow. Na de dood van zijn moeder trekt hij zich terug: 'Ik heb mijn reclamerelaties verteld dat ik de komende tijd niet beschikbaar ben. De notitieboekjes zijn van de duisternis van de la bevrijd en liggen nu kwetsbaar op de Roland. Ik schrijf iets waarboven ik schaamteloos “Serenade no. I” noteer. Ik schrijf een stuk voor mijn moeder.
Als ik beelden van de Bosnische Oorlog zie, hoor ik haar klacht dat de bandieten zegevieren terwijl de beschaving toekijkt. Gewapend met pen en piano, gekleed in een bordeauxrood vest met zwart werkje, zal ik ze in haar naam bestrijden.’
Met pen en piano als wapens beeindig je niet echt gemakkelijk een oorlog. Ben Weiss geeft er de voorkeur aan te herdenken in plaats van te handelen. Dat is ook de tegenstelling tussen de twee generaties: waar de moeder actie onderneemt, komt de zoon niet verder dan het zich herinneren, terugblikken. Voor hem is de Tweede Wereldoorlog niet meer dan een echo die in zijn drukke leven hangt. Hij weet alles van horen zeggen - kenmerkend is dat zijn moeder en hij voortdurend per telefoon communiceren; er is geen directe confrontatie, alles komt uit de tweede hand. En een televisieprogramma is uiteindelijk de reden dat Anneke IJsman naar Split vertrekt. We kennen de werkelijkheid door de techniek, van een afstandje. Het is ook veel comfortabeler om een oorlog op tv te zien dan 'in het echt’.
Serenade is een voorzichtige novelle, een vlakke vertelling die is toegesneden op een groot, divers publiek en in een grijze stijl een bloedeloze middenweg bewandelt. Maar misschien willen we ook helemaal geen uitgesproken opvattingen. Misschien verlangen we alleen amusement, willen we niet worden geschopt, en willen we al helemaal geen geweten.
ZWARTE BEVRIJDING daarentegen moet je twee keer achter elkaar lezen, hardop, of aan iemand voorlezen voor het slapengaan. Dan begrijp je niet alleen hoe verschrikkelijk die vijf jaren waren, dan voel je het ook. Dan hoor je bevelen gesnauwd worden, ruik je de stank van de honger, krijg je kippevel bij de aanblik van een uitgemergeld, uitgeput volk. Zwarte bevrijding is de schop die Louis Paul Boon wilde geven, de schop die mensen een geweten kan geven. Wolkers’ boek doet pijn, het schuurt en het schrijnt. Het is direct, hard en persoonlijk.
Wolkers roept in zijn typerende, zwangere stijl beelden op uit de tijd van 'de oorlog’ die zo krachtig zijn dat er niets meer hoeft te worden uitgelegd. Zwarte bevrijding is niet echt een essay, dat was helemaal niet nodig. Wat de auteur wil beweren, laat hij zien zonder het ook nog eens te hoeven uitleggen. Op de avond van de vierde mei, als iedereen de bevrijding voelt komen, krijgt de verteller van een 'duitse soldaat’ (Wolkers gebruikt geen beginkapitalen bij 'duits’, 'canadezen’ of 'amerikaans’) een vergrootglas. Het is alsof Jan Wolkers met datzelfde vergrootglas zijn persoonlijke geschiedenis heeft doorgebladerd, om een paar scenes daaruit tot in de kleinste details te kunnen tonen. Hij zoekt het in kleine, diep-menselijke tragedies, die in hun gewoonheid harder aankomen dan abstractere verhalen over haat en vernietiging.
De boodschap komt over, omdat het vergrootglas alles haarscherp laat zien: 'In het bos van Oud-Poelgeest, waar onder de eeuwenoude eiken en beuken de bosgrond overgroeid was met een struikgewas aan legertenten, stonk het naar sperma en chocolade als naar de geur van vleesetende planten. Over het mos lag een verlepte bloei van condooms. Ongewild ben ik daar getuige geweest van zo'n geexalteerde vrijpartij in het riet waar het te drassig was om tenten op te zetten. Op zoek naar de plekken van vroeger liep ik ertegenaan. Haar kleren en zijn uniform lagen zo gewelddadig om hen heen dat het leek of ze elkaar met woede en lust de kleding van het lijf hadden gerukt. Zij was zo ontstellend mager dat haar houterige wilde omhelzingen pijn gedaan moeten hebben aan zijn vlezige lichaam. Ze haalde haar nagels verkrampt en heftig over zijn roze rug alsof ze zich zijn vlees wilde toeeigenen. Al was de hele legereenheid om hen heen komen staan, ze zouden het niet gemerkt hebben. Voor het eerst van mijn leven zag ik in de werkelijkheid, in de schaduwen van haar witte ingevallen vlees, het gemene groen waarmee de duitse expressionisten hun naaktfiguren schandaliseerden tot tuberculeuze heksen.’
DE KANTTEKENINGEN die Wolkers plaatst bij de herdenkingsindustrie, zou iedereen zich moeten aantrekken. De media en de politiek lijken soms te 'denken dat Vijftig Jaar Bevrijding hetzelfde is als een spektakel als Sail Amsterdam’. Dat kan nooit de bedoeling zijn geweest. De herdenking van de Tweede Wereldoorlog is niet bedoeld als een stompzinnig nationalistisch evenement of een commercieel interessante asset, maar als een harde, onverbiddelijke waarschuwing tegen de redeloze waanzin: ’(…) die onafzienbare rijen doden om me heen. De gesneuvelde soldaten die ik gezien heb in de meidagen van 1940, de gevallenen aan de fronten waar we na de bevrijding de huiveringwekkende beelden van zagen, de heuvels van uitgeteerde menselijke resten in de concentratiekampen. En de redeloze waanzin van dat alles bevangt je en je verandert in De Schreeuw van Edvard Munch.’