VERWENDE ACADEMICI

Schop de uitvreters de tempel uit!

Critici van de belabberde toestand van de universiteit hebben een geromantiseerd beeld van de teloorgegane alma mater. Het echte probleem is dat het hoger onderwijs alleen in naam meritocratisch is. Met verwende academici als gevolg.

ER WORDT DE LAATSTE jaren veel gediscussieerd over de toestand van het Nederlandse onderwijs. Na decennia waarin dit vooral een gezelschapsspel voor beleidsmakers, pedagogen, didactici en andere technocraten was, is dat aanzienlijke winst. In de kranten, op tv en radio gaat het over de voors en tegens van realistisch rekenen, het nieuwe leren, de zin en onzin van ophok-uren, de kwaliteit van leerkrachten, schooluitval en zelfs over de voor- en nadelen van vroege selectie.
Verrassend stil is het echter over de universiteit. Onlangs zijn twee boeken verschenen die de alarmbel luiden over de lamentabele toestand van de Nederlandse universiteit. Grof gezegd luidt de stelling van beide boeken dat de ‘industrialisering’ van de universiteit het einde betekent van de ‘kritische intellectueel’ dan wel van de burgerlijke ‘Bildung’, en dus moet worden gestuit.
Dat het ten koste gaat van de intellectueel wordt betoogd door de Groningse hoogleraar cultuurfilosofie René Boomkens in zijn pamflet Topkitsch en slow science: Kritiek van de academische rede. Dat de burgerlijke Bildung het slachtoffer is staat centraal in de bundel If You’re So Smart, Why Aren’t You Rich? Universiteit, markt en management, die is geredigeerd door de Amsterdamse geschiedfilosoof Chris Lorenz. Hoewel beide boeken analyse en diagnose delen, verschillen ze in hun waardering van de effecten, en dat heeft op haar beurt alles te maken met de belangrijkste functie die de twee boeken aan de universiteit toeschrijven: kritiek, emancipatie en ontheiliging in het geval van Boomkens, cultuuroverdracht, statusreproductie en elitevorming in het geval van Lorenz en de zijnen.

In krap 150 pagina’s onderneemt Boomkens een brede cultuurfilosofische analyse van het reclamejargon dat universiteitsbestuurders de laatste jaren zijn gaan bezigen. Tweederde van het pamflet is gewijd aan de ‘topkitsch’ uit de titel; het gezwollen gebral van over het paard getilde bestuurders die de mond vol hebben van ‘toponderwijs’ en ‘toponderzoek’ en die menen met imponerende folders een ‘Harvard aan de Amstel’ te kunnen neerzetten, terwijl in werkelijkheid gebouw, organisatie en infrastructuur met plakband en elastiek bij elkaar worden gehouden. Als docent en onderzoeker die werkzaam is aan een universiteit die zelf hofleverancier van dit soort hormoongedreven proza is, kan ik niet verhullen dat ik mij, afgaand op de titel, verkneukelde op lezing van dit boek. Het vooruitzicht om de eigen ervaringen over 150 pagina’s uitgesmeerd te zien, was onweerstaanbaar.
Na een gierend begin bleken het echter vooral teleurstellende uren. Te grof, te snel en te gemakkelijk is Boomkens te werk gegaan. Geen onthullende tekstanalyse, nauwelijks lachwekkende kleinoden van bestuurlijke domheid en machtswellust, geen hemelschreiende voorbeelden van bestuurlijke wanprestaties. In plaats daarvan komt hij met de gemakkelijke, van Ad Verbrugge’s Beter Onderwijs Nederland bekende uithalen naar de prestatie-eisen, transparantieplichten en bestuurlijke waterhoofden die het zogenoemde New Public Management de Nederlandse publieke dienstverlening heeft gebracht.
Er is één verschil. Bij Boomkens is het niet de cultuurdragende universiteit die het slachtoffer is van de industrialisering van de alma mater. Het is de kritische intellectueel, afkomstig uit de romantische mythologie van de Frankfurter Schule, de half vergeten school van cultuurmarxisten uit het interbellum waar Boomkens vrijwel zijn hele oeuvre aan heeft opgehangen. Het pamflet kent dan ook na tweederde een radicale stijlbreuk als Boomkens doodleuk aan een nauwelijks ter zake doende herinterpretatie van enkele passages uit de bijbel van de Kritische Theorie begint, de Dialectiek van de Verlichting van Adorno en Horkheimer. Dat zal de brallerige universiteitsbestuurder geen pijn doen en zal de niet-filosoof als hij eerlijk is maar matig bekoren. Maar ja, wie durft ten overstaan van zoveel geleerdheid nog eerlijk te zijn?

De bundel van Chris Lorenz vergaat het wat mij betreft niet beter. Hoewel bijna drie keer zo dik, drie keer zo ambitieus – na vier brede analyses volgen drie internationale vergelijkingen en daarna nog eens vier ‘berichten van de werkvloer’ – en wel veertien auteurs van naam en faam in één band verzamelend, onder wie (weer) René Boomkens, Ad Verbrugge, Thomas von der Dunk jr., Louise Fresco, Herman Philipse, Vincent Icke en Grahame Lock, gaat ook dit boek gebukt onder de loodzware ballast van de totale maatschappijkritiek. Net als Boomkens nemen ook Verbrugge, Lock, Lorenz en Philipse geen genoegen met een precieze weergave van de gierende kloof tussen retoriek en werkvloer die de Nederlandse publieke dienstverlening kenmerkt. De ontreddering van de universiteit moet dienen als pars pro toto van neoliberalisering, commodificering, economisering, vermarkting, kwantificering, industrialisering, ja van alles wat conservatief links en rechts in Nederland de laatste jaren zo vreselijk is gaan tegenstaan. Anders dan bij Boomkens staat deze kritiek echter niet ten dienste van de schaterlach van de waarheid sprekende nar die heeft ontdekt dat de keizer zonder kleren gaat. Het gaat om een nostalgische restauratie van een humanistisch Bildungsbürgertum dat door de neoliberale geest die momenteel op Nederlandse universiteiten rondwaart verweesd is geraakt.
Het meest expliciet steekt deze restauratie de kop op in de bijdrage van Verbrugge. Die bestaat het, in een onbedoeld grappige pastiche op het werk van Heidegger (‘Ieder filosoferen begint echter met het bevragen van het vanzelfsprekende’, ‘fundamenteel ophelderen’, ‘wat geeft dit ons te kennen’, enzovoort), om zonder blosjes op de wangen te schrijven over de ‘geestelijke ruimte van onze cultuur’. Alsof iemand weet wat we onder ‘geestelijke ruimte’ of ‘onze cultuur’ zouden moeten verstaan. Onwillekeurig vraag je je als lezer af hoe Boomkens en medeauteur Rene Gabriëls, beiden toch echt meer de mannen van de emancipatie dan van de restauratie, zich in dit gezelschap moeten hebben gevoeld.

Wat beide boeken kenmerkt – en zo teleurstellend maakt – is dat ze primair geschreven zijn door mensen afkomstig uit de geesteswetenschappen. Loodzware maatschappijkritiek van de grote greep is de pathologie van de filosoof die een sociaal-wetenschappelijke broek aantrekt. Dit gaat onherroepelijk ten koste van het cynisme waarin de socioloog, econoom en politicoloog grossieren en dat altijd ook de bevrijdende lach van de ironie omvat. De burgerlijke universiteit wordt in de handen van Lorenz en de zijnen verbeeld als een paradijselijke tempel van kennis en wijsheid, als een leerschool van beschaving en onbaatzuchtigheid. Daartegenover staan sociologische studies als die van Pierre Bourdieu, die toch overtuigend heeft aangetoond dat het aan universiteiten niet zozeer om Bildung gaat, als wel om de reproductie van sociale posities via kennissen, tafelmanieren en kunstzinnige praat. De universiteit is een wapen in de klassenstrijd. Zij heeft niet zozeer economisch als wel sociaal nut. Het is veelzeggend dat Bourdieu in beide boeken niet één keer figureert en dat de cynische ontmaskering van het bestuurdersvertoog als holle praatjes alleen in de bijdragen van Icke en Fresco weerklinkt, niet toevallig twee natuurwetenschappers.
De geesteswetenschapper lijkt het van nature aan relativeringsvermogen te ontbreken als het gaat om de eigen professie. Wellicht omdat deze professie, bij ontstentenis van een externe legitimatie, per definitie wankel is. Universiteiten krijgen van de weeromstuit taken en functies van ‘wereldhistorische’ omvang toebedeeld. Lorenz presteert het om universitair onderwijs een zaak van ‘spirituele aristocratie’ te noemen. Verbrugge duidt de universiteit aan als ‘het geestelijk brandpunt van de hoge cultuur’. En Philipse beschrijft de universiteit als ‘hoeder van het waarheidsethos’.
Ja, wie zulke arcadische verwachtingen op de Nederlandse universiteiten projecteert, kan niet anders dan teleurgesteld worden. Universiteiten zijn ook maar gewone, vaak niet altijd even goed bestuurde onderwijs- en onderzoeksfabrieken, waar gewone niet altijd even gedreven mensen werken.

Mijn belangrijkste bezwaar tegen de twee boeken betreft echter hun, wat ik noem discursief fetisjisme. De afrekencultuur die universiteiten momenteel in haar greep lijkt te hebben en waar de auteurs van deze boeken zo opgewonden over doen, is namelijk vooralsnog een papieren tijger. De soep van de prestatie-eisen wordt nimmer zo heet gegeten als ze wordt opgediend. Alleen in naam is de Nederlandse universiteit een meritocratie; in de praktijk is ze een reservaat van verwende academici. Lorenz bespreekt controletechnieken (prestatiebeloning) die nog nooit aan Nederlandse universiteiten zijn toegepast.
Achter de retoriek van ‘top’ en ‘excellentie’ gaat een werkelijkheid schuil die nauwelijks verschilt van die van decennia terug. Nog altijd worden aan Nederlandse universiteiten hoogleraren aangesteld die nimmer in het Engels hebben gepubliceerd. Nog altijd worden medewerkers getolereerd die zich met minimale inspanning van hun academische verplichtingen kwijten. Nog steeds staan Nederlandse universiteiten het toe dat medewerkers maandenlang niet op het werk verschijnen. Nog steeds mogen dezelfde medewerkers bij pensionering hun jarenlang opgebouwde stuwmeer van vakantiedagen te gelde maken. In naam bestaan weliswaar strikte prestatie-eisen, in feite gelden deze alleen de dertigers en veertigers; de vijftigers en zestigers staan keurig buiten schot.
De werkelijkheid is dat Nederlandse academici van voor 1955 zo ongeveer tot de meest verwende werknemers ter wereld behoren. Ze geven minder les en kennen meer vrijheid dan hun Britse en Amerikaanse collega’s. Ze hebben grotere budgetten en betere ondersteuning dan hun Duitse en Franse collega’s. Ze verdienen meer en hebben betere secundaire arbeidsvoorwaarden dan hun Italiaanse en Spaanse collega’s.
Loop voor de grap eens een faculteit binnen. Wat ziet u? Lege gangen, lege kamers, doofstomme computers en een handenzittend secretariaat. De Nederlandse academicus werkt immers thuis; de (schamele) investeringen van werkgever in gebouw, organisatie en infrastructuur ten spijt. Het zijn de vele indicaties van misbruikte collectieve generositeit (goudgerande arbeidscontracten, ‘spookprofessoren’, snoepreisjes) die de directe aanleiding zijn geweest om academici te dwingen meer rekenschap af te leggen over de besteding van wat uiteindelijk publieke middelen zijn.
Mijn bezwaar tegen de bestuurskundige revolutie die universiteiten op dit moment ondergaan is niet dat zij een arcadische droom zou vervangen door een industriële nachtmerrie, maar dat zij vooralsnog alles bij het oude laat en tot nu toe louter retoriek blijkt. Schop de uitvreters eindelijk eens de tempel uit!
Deze academische werkelijkheid ontbreekt volledig in de twee boeken, wat vragen oproept over de motieven van de auteurs. Hoe kunnen wij ervan op aan dat ze geen behartigers van eigen belangen zijn die via de omweg van grote woorden, diepzinnige frasen en imponerende maatschappijkritiek uiteindelijk niets anders dan de bescherming van de eigen privileges dienen?

Chris Lorenz (red.), If You’re So Smart, Why Aren’t You Rich? Universiteit, markt en management. Boom, 362 blz., € 24,50
René Boomkens, Topkitsch en slow science. Van Gennep, 143 blz., € 12,95