Hans Hoekstra, Bij de Walfridusbrug,2021. Acryl op doek, 130 x 130 cm; © Hans Hoekstra

Voor ik zag wat er te zien is, een wonderlijk verzinsel van waarneming, was het de schrale kleur die mij bezighield in dit schilderij. Door de strak gebogen constructie van de brug heen kijken we aan tegen een lucht van hangende wolken van waterig grijs. Het lijkt me in de winter. Tussen de dunne wolken hangt ook nog bleek geel. Het is een tafereel, lijkt me, in de loop van de ochtend. Het bleke gele licht, tussen het grijs, dat zijn sporen van zonlicht. Op koude wintermorgens wordt dat geel nooit warmer. Het doek is geschilderd in acryl. Dat is een pigment dat wordt aangelengd met water. Hans Hoekstra smeert de kleur vrij vochtig uit zodat er in het oppervlak nauwelijks sporen van handschrift achterblijven. De kleur droogt als water, veel droger dan bijvoorbeeld olieverf. Als die langzaam droogt blijft er iets van vet in de huid. De kleur is zwaarder; in dit schilderij is de kleur droog, iets heel anders dan zonnig impressionisme.

Om het doek enigszins te beschrijven kwam ik op een ander woord. Het schilderij is schor geschilderd. Ik bedoel dat het niet atmosferisch van karakter is. Het is geen lyrisch tafereel dat in zijn opzet, als bij de drijvende waterlelies van Monet, mooi doorglijdt, waarbij de blik van de kijker mee glijdt. Dit stuk land onder een brug is een stug schilderij. De waarneming van het beeld zit vol interrupties die dwars liggen. De waarneming bestaat uit stukken. Het is een constructie van waarneming.

Ik heb begrepen dat om te schilderen Hans Hoekstra een motief uitzoekt dat beeldkrachtig is. Dat was hier een korte boogbrug over een kanaal aan de rand van Groningen. De schilder had een blikpunt gevonden iets terzijde van de brug op de oever aan deze kant van het kanaal. De oever is groen begroeid. Het groen is drassig. Het kanaal is niet breed. De brug verbindt eindpunten van een verhoogde weg. Aan de overkant, maar links in het midden van het vierkante schilderij, zien we een groen begroeid talud.

Georg Herold, Cyber Work,1998. 272 x 232 cm © Gert Jan van Rooij / Stedelijk Museum Amsterd
Door het staketsel heen zag hij de winderig grijze, bleekgele lucht

Wat we daar ook, onder het donkergrijze wegdek, zien neerkomen zijn de V-vormige uiteinden van de boogconstructie van de brug. Zo te zien worden die uiteinden, omdat de oever drassig is, daar vastgehouden door ijzeren stutwanden. Aan de overkant lijkt de brug flauw naar rechts te buigen. Verder rechts in beeld loopt, iets verhoogd, een stuk autoweg. Er rijdt een rode vrachtwagen met aanhanger over. Het is een winderig landschap daar in Groningen. In zijn schrale kleur is die brug in het land een motief zo typisch als Cézanne’s Mont Sainte-Victoire in de lavendelblauwe Provence.

Voor Cézanne was het motief het gewicht van de berg en zijn contour. Hij keek van een afstand. Intussen bekeek Hans Hoekstra het motief eerder van binnenuit. Hij stond iets terzijde, maar zo dat hij van onder tegen de brug aan keek. Hij zag de brug eerst als wegdek, dan de metalen bogen die bovenin bij elkaar komen, verder rechte stukken en pijlers die de constructie bij elkaar houden.

Hans Hoekstra, studie voor Bij de Walfridusbrug, 2021. Potlood en kleurpotlood op papier, 32,5 x 25 cm © Hans Hoekstra

Over het kanaal heen zag hij een vreemd staketsel hangen. Dat was wit en grijs: daar doorheen zag hij de winderig grijze, bleekgele lucht. Het land was schraal groen. Hij zag de lucht stuk voor stuk, in fragmenten gedeeld door de harde constructie van de brug. In de dunne Groningse lucht hing toen zomaar een stug spektakel van vorm waar eindeloos als in een ruim landschap van alles te zien was. Vreemde vorm en vervorming – bijvoorbeeld als in Cyber Work van Georg Herold. Dat is een reliëf van blokjes hout bij elkaar gehouden door latten, een onvoorspelbare verwarring van vorm gedacht vanuit de nobele regelmaat van abstractie.

Hoekstra zoekt dergelijke onvoorspelbaarheid in andere waarnemingen – in de dwarse gewone werkelijkheid die hij dagelijks ziet. In de ruimte voor en onder de brug loopt, in zijn schilderij, de strakke gestalte door het beeld van een jongeman met een rode muts. Dat was een model. In een mager uitziende tekening, voorafgaand aan de figuratieve constructie van het schilderij, loopt die jongen daar met een fiets aan de hand. Kijk naar het frame van de fiets, en dan naar de constructie van de brug verderop. Ik zou zeggen: de fiets was te veel van het goede – eigenlijk te slim realistisch. Zonder de fiets ziet de jongeman, in het gras en de rode takken van een struik, er raadselachtiger uit. Hij is een eenzame aanwezigheid die daar loopt, of stilstaat, om nog meer ongerijmdheid in het schilderij achter te laten. Het is een mooi schilderij, vreemd en schor. Wat is er gaande? De jongeman gaat zijn weg en loopt de brug voorbij.