Schotland na de hype

ZO'N KLEINE twee jaar geleden wist iedereen het zeker: vanaf nu kwam literatuur, althans als zij hip en actueel moest zijn, uit Schotland. Schotland?! Ja, Schotland. Het land dat het tot dan goeddeels had moeten doen met een dodelijk doedelzak-en-Monster-van-Loch-Ness-imago werd plotseling uitgeroepen tot hét literaire walhalla van Europa. ‘Schotland schrijft!’ juichten de kranten, en in boekhandels kon je je nauwelijks nog een weg banen door de bergen verzamelbundels met werk van Schotse schrijvers. The Picador Book of Contemporary Scottish Fiction, Ahead of its Time, New Scottish Writing, het is maar een kleine greep uit het aanbod, want, zoals schrijver (en uitgever) Kevin Williamson in het voorwoord van het onlangs verschenen Rovers Return schrijft: ‘In de uitgeverswereld kun je, net als in de filmindustrie, van één ding zeker zijn: als er een hype is, van wat voor aard ook, zijn luie uitgevers de eerste om zich op de golven ervan te laten meevoeren.’

Het is een uitspraak die misschien vreemd aandoet in een bundel waarin drie van de zes ‘lange korte verhalen’ van de hand van jonge Schotten zijn, maar wie de achtergrond van Williamson kent, weet dat hij wel een beetje recht van spreken heeft. Hij was erbij toen de letteren in Edinburgh opstonden. Sterker, hij was een van de mensen die ervoor zorgden dat dat gebeurde. JE KUNT ER over twisten waar het allemaal precies is begonnen. Maar waarschijnlijk werd de kiem gelegd in het intens sombere Glasgow, waar in de jaren tachtig schrijvers als Alasdair Gray, Tom Leonard en vooral ex-busconducteur James Kelman lieten zien dat het ook anders kon in de Schotse literatuur. Geen folkloristische huiskamerdrama’s op het platteland meer - het zogenaamde kailyard-genre - maar literatuur van de grote stad, geschreven met de stem van de 'gewone man’ in gedachten. De rauwe taal van Kelman sloeg in het Britse literaire centrum van dat moment, Londen, niet direct aan (in 1984 sprak de juryvoorzitter van de Booker Prize, Richard Cobb, nog misprijzend van een roman die 'geheel in het Glaswegian’ leek te zijn geschreven en toen Kelman de prijs tien jaar later wél kreeg voor het briljante How Late it Was, How Late meende een van de juryleden nog steeds dat zijn werk crap was), maar in eigen land zorgde het werk van The Glasgow School voor een ware ommekeer. Overal in het land begonnen jonge aankomende schrijvers te experimenteren met hun stem. En hun stem betekende óók het dialect van hun streek. Voor het eerst werd de Schotse taal niet gezien als een handicap maar als een krachtig stijlmiddel, mooi en authentiek. Begin jaren negentig kwam een groep van zulke jonge schrijvers in Edinburgh bij elkaar. Rond de universiteit, in de pubs en de house scene, maar ook in de Openbare Bibliotheek van de wijk Muirhouse, waar Duncan McLean in 1991 zijn schrijflessen gaf. McLean was een van de schrijvers die gegrepen was door het Kelman-virus, en hij was niet van plan te wachten tot het Londense establishment zijn werk zou oppikken. Hij verzamelde een groep geestverwanten om zich heen en richtte met vriend en collega James Meek het uitgeverijtje Clocktower Press op, genoemd naar de klokketoren van het gemeentehuis waar hij werkte, als portier. Clocktower werd al snel een begrip, zij het in zéér beperkte kring. Er verschenen novelles van Kelman en de nog volstrekt onbekende Irvine Welsh, maar hoewel de oplage met driehonderd stuks per boek niet al te optimistisch was, bleef McLean toch met grote stapels onverkochte exemplaren en uiteindelijk een failliete uitgeverij achter. Maar toen dat gebeurde, had Kevin Williamson het gangmakersvaandel al van hem overgenomen. In 1992 richtte hij het tijdschrift Rebel Inc. op, en daarna ging het hard. Een jaar na oprichting waren er al romans verschenen van verscheidene medewerkers, maar de eerste doorbraak kwam in 1993 met Welsh’ Trainspotting. De roman die doordrenkt is van het Edinburghse drugsmilieu werd door 'iedereen’ gelezen en de verfilming uit 1995 werd binnen de korte keren een wereldhit. Williamson dacht dat zijn werk gedaan was en hij hief het blad op, maar een jaar later kwam Rebel Inc. terug. Als imprint van Canonogate gaf men de bundel Children of Albion Rovers uit waarin, met Irvine Welsh als publiekstrekker, vijf andere jonge Schotten werden gelanceerd. En hoe. Foto’s van de Edinburgh Six werden op voetbalplaatjes gezet en uitgedeeld in zorgvuldig geselecteerde discotheken. De boodschap was duidelijk: Laura Hird, Gordon Legge, Paul Reekie, James Meek, Alan Warner en Irvine Wesh waren hét te kloppen team in de internationale letteren. INMIDDELS ZIJN we twee jaar verder, en van dat team-verhaal lijkt weinig meer over. De hype is voorbij. Vaak betekent dat dat je van de schrijvers uit zo'n groep ook weinig meer verneemt, maar bij de Rovers ligt dat toch wat anders. Van vrijwel alle ex-leden kwam in het afgelopen jaar wel een boek uit, en twee van hen trokken in het bijzonder de aandacht. Allereerst was er, uiteraard, Filth, van aartsvader Irvine Welsh. Een roman waar door sommigen lang naar was uitgekeken, maar toen hij er eenmaal was, viel hij niet mee. Op het omslag (verkrijgbaar is geel, groen, roze en blauw) prijkt een varkenskop met een politiehelm op. Het zegt veel over hoe Welsh denkt over politieagenten in het algemeen - 'pigs’ nietwaar - maar nog meer over de hoofdrolspeler in dit boek, detective Sergeant Bruce Robertson. Robertson is namelijk een walgelijke klootzak, en daarvoor hoeft u me niet op mijn woord te geloven. Hier volgt een scène die zich afspeelt nadat hij een (rijk) meisje heeft betrapt met een zakje xtc: 'She’s looking at it then looking at me with large pleading eyes, but I’m holding the bag of Es in my other hand - I’ll be roond that posh school. Suck. I’ll be sure Dadday Conrad Q.C. gets to know the whole story. Suck. My balls feel scaly and crusty. The skin is flaking off them. My eczema’s getting fuckin bad alright. Too many dirty thoughts. Too many bad places. But not now. What a lovely wee gob on it. She puts her mouth around the tip of my cock and winces. That’s it baby. Suck me like you suck your boyfriend… get that tongue working… you’re a beautiful wee lassie, ye ken that? Touch ma baws. Touch ma fuckin baws wi yer hands! I command. Daddy’s girl.’ Afijn. Het zijn drie alinea’s, maar veel van het karakter is duidelijk. Robertson is een Schots sprekende 'bad cop’ van het ergste soort. Wreed, seksistisch en allround-schofterig. Hij neukt elke vrouw die hij in zijn vingers krijgt, van hoeren tot de echtgenotes van zijn 'vrienden’ onder het motto: 'Geef ze regelmatig een beurt, en ze doen alles voor je.’ Hij is een schaamteloze racist, hij snuift coke en drinkt zich laveloos, en tussen die bedrijven door heeft hij er werkelijk alles voor over om promotie te maken. Inclusief het zwartmaken van zijn collega’s, want met wie hij ook te maken heeft, zijn gouden regel is meedogenloos: 'Same Rules Apply’, iedereen wordt even proleterig behandeld. Als lezer wordt ons ondertussen door Welsh ook niets bespaard. Van de uitslag op Robertsons achterwerk en het eczeem op zijn geslachtsdeel, tot zijn lintworm, alles wordt in detail beschreven. Bij de meeste dingen vraag je je af waarom, maar de rol van de lintworm wordt gaandeweg helder. We hebben hier namelijk te maken met een sprekend (of op zijn minst denkend) exemplaar, dat zich met zijn gedachten letterlijk door de 'hoofdtekst’ heen eet. Aanvankelijk beperken zijn bespiegelingen zich nog tot 'eten, eten, eten’, maar uiteindelijk is hij het die de levengeschiedenis van Robertson uit de doeken doet. En een tragische geschiedenis is het: een tirannieke stiefvader, een broertje dat door zijn toedoen overlijdt, tragische liefdes en ga zo nog maar even door. Het zijn episodes die ongetwijfeld bedoeld zijn om het gedrag van Robertson te verklaren, maar om nou te zeggen dat ze dat overtuigend doen, nee. Wat overblijft, is een verzameling knap geschreven maar vaak net niet geestige scènes waarvan niet helemaal duidelijk is waarom we ze moeten lezen. Zelf lijkt de schrijver overigens ook wat aan Welsh-moeheid te lijden. In het dankwoord van Filth klaagt hij over alle 'bullshit, zowel positief als negatief’ die zijn werk de afgelopen jaren heeft omringd, en in een recent interview zegt hij: 'Ik heb er genoeg van. Ik denk dat het een hele tijd zal duren voor ik weer een roman schrijf. Ik ben bezig met een paar scenario’s en toneelproducties maar ik heb genoeg van boeken.’ IEMAND DIE nog wel hongerig is naar het papier is Alan Warner. Na Children of Albion Rovers verscheen Movern Callar (1996), zijn sensationele debuut over een meisje uit een havenplaatsje dat zich in Ibiza onderdompelt in de housewereld, in 1997 gevolgd door het surrealistische These Demented Lands, en onlangs verscheen alweer zijn derde roman, The Sopranos - om nog maar te zwijgen van de twee romans waar hij momenteel aan werkt, waarvan er een met een manuscript van voorlopig zo'n negenhonderd pagina’s zijn magnum opus moet worden. Ook in The Sopranos beginnen we in het van Warner bekende decor, het naamloze havenstadje dat hij modelleerde naar zijn eigen geboorteplaats Oban. Maar ook ditmaal duurt het niet al te lang voor we er weer weggaan, want het koor van de nonnenschool Onze Lieve Vrouwe van Eeuwige Troost gaat op stap naar het grote Edinburgh. Om een zangconcours te winnen, volgens zuster van dienst Condrom (door de meiden uiteraard Condom genoemd), maar daar denken zij zelf, en dan vooral de vijf leden die centraal staan, anders over. 'Maak je geen zorgen, we winnen toch nooit,’ stelt Fionnula (alias The Cooler) de anderen gerust. 'Andere koren zingen over de Liefde, al onze liederen gaan over vee en de dood.’ De plannen die zij voor de dag hebben zijn heel wat wilder: eerst winkelen, daarna de beest uithangen in de pubs, en als het meezit nog net op tijd terug zijn om thuis een bootlading mariniers hartelijk te verwelkomen in de plaatselijke kroeg, die niet voor niets The Mantrap heet. In de bus wordt op de heenweg al een goede start gemaakt met wat alcoholische versnaperingen in limonadeflessen, maar als ze ’s middags 'even’ vrij krijgen, begint het feest pas goed. In de toiletten van McDonald’s gaan de schooluniformen uit en de minirokjes (kort!) aan, en de stad kan veroverd worden. De verwikkelingen die volgen geven, als je er een paar opsomt, de indruk van een nogal zwaar aangezette klucht: een van de meisjes komt als gevolg van een ongelooflijke hoeveelheid drank in het ziekenhuis terecht, een ander wordt aangerand, een derde gearresteerd voor winkeldiefstal, en op zeker moment gaat een gigantische partij illegaal vuurwerk per ongeluk de lucht in. Een klucht is The Sopranos inderdaad, maar dan wel een superieure. Want nog afgezien van het feit dat veel van de scènes hier wél bijzonder grappig zijn, heeft Warner een aantal talenten die dit tot een bijzonder boek maken. Hij kan een poëtische beschrijving geven (en durft dat ook), hij timet goed, en hij kan in een tamelijk eenvormige groep vijf unieke personages scheppen. Echte meisjes, ook volgens vrouwelijke recensenten. Dat laatste doet hij vooral door in de perfecte dialogen zo nu en dan een glimp van het dagelijks leven in The Port te laten zien. Een niet altijd even vrolijk leven met jonge moeders, verstikkende sociale controle, verdrongen homoseksualiteit en geen enkel uitzicht op een betere toekomst. Wat betekent zo'n zangwedstrijdje dan nog: 'Als ze proberen de school een beter imago te geven, ik bedoel! Jezuschristus, weet je wel? Er zijn er dit jaar al zevenentwintig van ons zwanger; ik weiger te geloven dat iemand zich nog een reet van de kerk aantrekt en toch lijkt het me allemaal een beetje onchristelijk, zoals Condoom uit haar dak gaat over dat winnen van ons, alsof dat iets uitmaakt voor de echte problemen op school, of in het leven.’ Het geeft de roman precies die diepgang die Filth zo mist. EN BIJ REBEL INC.? Daar lijken de druiven op het eerste gezicht zuur. Want, zoals Williamson in Rover Return schrijft: 'Welsh en Warner hebben de spanning en sensatie van de Schotse Eredivisie inmiddels ingeruild voor de van lires overlopende Serie A.’ Maar misschien is dat ook wel precies wat men wilde. Of het van de nood een deugd maken is of niet, de inzet is in deze tweede verzamelbundel in ieder geval duidelijk anders: 'De dagen dat Rebel Inc. alleen een voertuig was voor de stemmen van het stedelijke centrum van Schotland liggen ver achter ons, als ze er ooit al echt zijn geweest. (…) Internationalisme is de toekomst, en eng nationalistische preoccupaties, in literatuur, politiek of wat dan ook, worden hopelijk de dodo’s van de eenentwintigste eeuw.’ Om aan het uitsterven ervan mee te werken is de formule dan ook 'wat verbreed’. Er gaat elk jaar een nieuwe Rovers-bundel verschijnen, en naast de 'vaste waarden’ Gordon Legge, Laura Hird en James Meek is nu al plaats ingeruimd voor drie niet-Schotten: Anthony Bourdain, een New Yorkse chefkok met een hilarisch verhaal uit de culinaire wereld; de Ier Emer Martin met 'Teeth Shall Be Provided’, waarin onder meer een Japanse travestiet en Indonesische stammen een verwarrende rol spelen; en ten slotte John King met het gevangenisverhaal 'Last Rites’. Vooral het laatste verhaal is zeer verdienstelijk, maar toch zijn de absolute uitblinkers in Rovers Return ook nu weer twee Schotten. Laura Hird, van wie begin vorig jaar de bundel Nail and Other Stories verscheen, sluit af met een tegelijk geestig en beklemmend verhaal over een one night stand in de homowereld met catastrofale afloop en Gordon Legge schetst in zijn verhaal 'The Weathers and their Famous Fathers’ een hilarisch beeld van een televisiestation, waar een extreem ijdele presentator het als een grote overwinning beschouwt dat zes collega’s van andere networks een streepjesdas dragen, nadat hij hen daarin is voorgegaan ('Hij had de zes gehaald - de Grote Zes’) en een vrouw wanhopig probeert het nieuwe weermeisje te worden. Ook van Legge verscheen afgelopen zomer een uitstekende 'zelfstandige’ bundel, Near Neighbours, zijn derde boek, en daarmee bewees hij net als Hird en (nog nadrukkelijker) Warner en Welsh dat hij weliswaar ooit met de Rovers werd gepresenteerd, maar ze nu niet meer nodig heeft. Dat is de echte overwinning van het team en van de Schotse literatuur: de hype heeft zijn werk gedaan, nu kunnen de voetbalplaatjes in de la blijven. De Albion Rovers werden, zoals uiteindelijk elke literaire stroming, een anekdote. Een leuk verhaal om later meewarig aan het nageslacht te vertellen. Op de tweede pagina van Rovers Return wordt dat nu al gedaan. De zes auteurs worden voorgesteld, en in de biografie van 'Original Rover’ Gordon Legge staat als uitsmijter: 'Hij wordt zo nu en dan gesignaleerd in de internationaal vermaarde Robbie’s Bar, een pub die door de New York Times is omschreven als het stamcafé van de “New Edinburgh Beats”. Aye, right.’