Onderzoek: De Brusselse bubbel

Schouderklopjes en high-fives

Burgers wijzen beschuldigend naar ‘Brussel’ waar men ‘in een bubbel leeft’ en ‘te ver van de Europese burgers af staat’. Is Brussel inderdaad een stolp? Hoe ervaren EU-medewerkers dit zelf? Gabriella Adèr dompelde zich onder.

Medium a 201e 20beeld 20groot 20  20eu brussels 02  mg 3339
De wandelgangen van het Europees Parlement in Brussel © Kristof Vadino

‘Je hebt geluk, dit is het beste buffet van het jaar!’ Voor het Europees Parlement ontvangt een politiek assistente de genodigden. Ze loodst ons door het enorme gebouw naar een zaaltje, waar plastic vissen aan het plafond bungelen. Mijn eerste borrel in Brussel is georganiseerd door een internationale belangenorganisatie die ruim achtduizend vissers in de Europese Unie vertegenwoordigt. En het is niet het enige evenement deze avond: in alle zalen in dezelfde vleugel zijn etentjes en recepties. ‘Dat is bijna elke avond zo. We proberen ’s avonds borrels en recepties af te struinen in het EP, dan hoeven we zelf geen eten te kopen!’ zegt een Italiaanse stagiaire.

Na een kort welkomstpraatje worden schalen vol stukken vis, langoustines, mosselen, gefrituurde calamaris, vispasta’s en vissalades binnen gedragen. Onderling spreken europarlementariërs over de gevolgen van de Brexit voor de visquota in Britse wateren, de minimale grootte van Italiaanse mosselen die gevangen mogen worden en het belang van de visserijcommissie – vaak het ondergeschoven kindje. Om nog een paar Britten van de visserijcommissie te spreken, schakel ik na een uurtje de hulp in van een politiek assistente. Ze lacht, ik ben te laat. ‘Die zijn weggegaan toen het eten op was.’ De Italiaanse stagiaire staat buiten te gieren van het lachen. ‘Ik was me aan het volproppen toen die europarlementariër naast me kwam staan. Hij zei dat hij nog een etentje had vanavond, dus hij wilde geen vis aanraken omdat zijn handen anders zouden stinken.’ Ze bootst zijn afkeurende blik na, de neus in de lucht. ‘Stond ik daar, mijn mond en handen vol vis, ik schaamde me dood!’

De Europese Unie verkeert in zwaar weer. De economische crisis en de migrantencrisis volgden elkaar op, anti-EU-partijen maken een opmars en Groot-Brittannië stapt uit de Unie. Er wordt met een beschuldigende vinger gewezen naar ‘Brussel’, waar men ‘in een bubbel leeft’ en ‘te ver van de Europese burgers af staat’. Maar bestaat er zoiets als een ‘Brusselse bubbel’? En hoe ziet die eruit? Is er daadwerkelijk zo’n kloof met de Europese burgers in de lidstaten, wat mede heeft geleid tot het euroscepticisme? En hoe ervaren mensen werkzaam in en rond de Europese instellingen dit zelf? Om dit te onderzoeken ben ik verhuisd naar Brussel, waar ik me vier maanden heb ondergedompeld in de vermeende bubbel. Daarnaast interviewde ik zo’n honderd mensen binnen de instellingen – van verschillende nationaliteiten, leeftijden en met diverse functies – over hun ervaringen met de bubbel en hun visie op het euroscepticisme. Hoe denken zij dat de EU weer gered kan worden?

‘De zuigkracht van de bubbel in Brussel is enorm. Ik hoef er helemaal niet uit, want we hebben hier alles. Het is een microwereld.’ We zitten op een van de hoogste verdiepingen in het gebouw van het Europarlement aan de Rue Wiertz. De europarlementariër tegenover mij wijst naar beneden. ‘Dat zag je toch wel toen je hier naar boven kwam? We hebben een stomerij, een kapper en een sportschool in het parlement, helaas zonder zwembad. Een flinke supermarkt in de parkeergarage en een bank om geld te pinnen. We hebben zelfs drie verschillende banken. Waarom zoveel, geen idee.’

Net als veel van haar collega’s bekent ze licht beschaamd dat ze hier al bijna twee jaar werkt, maar Brussel nooit echt in gegaan is. ‘Mijn hotel is in de Rue Royal, een straat achter het parlement. Ik hoef nergens anders heen dan naar mijn hotel of dit gebouw, want iedereen komt naar mij toe. Lobbyisten, beleidsmedewerkers, experts. En verder hoef ik eigenlijk alleen met mijn collega’s en assistentes in dit gebouw te praten.’ Ze lacht. ‘Als ik naar een discussieavond twee straten verderop moet, denk ik al poeh poeh, kan dat niet hier? Erg hè?’

Zoals je de Haagse kaasstolp hebt, zo is er ook de Brusselse bubbel, met daarbinnen weer kleinere sub-bubbels. De restaurantjes rondom het Schumanplein die rond lunchtijd vollopen, de barretjes in de hippe en duurdere wijk Saint-Gilles waar ik in de weekenden bekende gezichten tegenkom. Op een doordeweekse avond bezoek ik restaurant Saint Boniface, waar de president van het Europarlement Martin Schultz na zijn diner langs onze tafel naar buiten loopt. Bijna alle leeftijdgenoten op huisfeestjes of etentjes hier in Brussel werken voor een ngo, Europese instituties, een lobbykantoor of de Europese School. ‘My expat prison’, grapt iemand tijdens een avondje uit. Om een beetje vooruit te komen in je EU-carrière is het volgens de meeste jongeren belangrijk om je volledig over te geven aan die Brusselse bubbel. ‘Je netwerk is alles.’

Het is donderdagavond en Place du Luxembourg wordt afgezet met hekken. Jonge ambitieuze ambtenaren hangen na het werk in de vele cafeetjes rond het plein voor het Europees Parlement. De grote plastic bekers in hun hand zijn tot de rand gevuld met bier of Aperol Spritz. Naarmate de avond vordert, wordt er steeds uitbundiger gedanst; bijna op het gênante af draaien een paar jonge Zuid-Europese meisjes om de mannen heen. ‘Dit is de pick-up-place van de EU-instituties. Als je hier lang genoeg blijft, zie je vanzelf wie er met de jonge stagiaires mee naar huis gaan’, lacht de politiek assistent van een europarlementariër. Hij woont sinds een paar jaar in Brussel, werkt keihard en ontlaadt graag in het Brusselse nachtleven. Mensen zijn ver van hun huis, verblijven hier aanvankelijk tijdelijk, contacten zijn vluchtig, er heerst een sfeer van work hard, play hard, leggen verschillende jonge eurocraten uit. Het is eigenlijk een professionele Erasmus-uitwisseling voor volwassenen.

Wat opvalt tijdens mijn rondzwervingen in Brussel is dat de mensen die het hardst roepen dat ze geen deel van die bubbel uitmaken er het diepst in zitten. Zoals een ambtenaar, zelf een tiental jaren werkzaam bij de Europese Commissie, uitlegt: ‘Alles in hun leven waar sociale contacten bij komen kijken, speelt zich af in de EU-sfeer.’ Ze werken al jaren bij de Europese instituties, wonen inmiddels in Tervuren of Oudergem met een partner uit een ander Europees land, hun kinderen bezoeken een peperdure internationale school (wat bij een vast contract wordt betaald door de Europese Commissie), worden verwacht op werkgerelateerde borrels, werken hard en zijn dus veel op kantoor met andere eurocraten. Ze reageren defensief als ze ervan beticht worden in een blauwe bubbel te leven. Het zijn eigenlijk alleen de ruim vertegenwoordigde Belgen, werkzaam in de instellingen, die aan die bubbel ontsnappen. >

Natuurlijk leven niet alle medewerkers in de EU-instellingen zo. Sommigen sturen hun kinderen naar een lokale school in de buurt of spelen bij de plaatselijke voetbal- of hockeyclub.

Het probleem is dat mensen die lang werkzaam zijn in Brussel vaak geen netwerk meer hebben buiten de Europese instellingen. ‘Hoe weet ik dan wat een burger wil van de EU? Hoe weet de burger wat ik hier doe?’ vraagt iemand zich af. Vooral de jonge mensen hebben het gevoel dat hun oudere collega’s het contact met de buitenwereld verloren hebben en met een EU-bril op werken. En dat maakt dat er weinig begrip is voor de ontevreden burgers in de lidstaten, wat kan leiden tot een diepe kloof. En die kloof is er al, want iedereen in de EU-instellingen heeft min of meer dezelfde ideologie, pro-EU, is hoogopgeleid en wereldwijs. Echte debatten worden nauwelijks gevoerd, de meesten zijn het vaak wel met elkaar eens, hoewel de eurosceptische partijen in het parlement het vuur opporren.

Zo ontmoet ik in de Starbucks bij metrostation Schuman een jonge Slowaakse vrouw met een gigantische mok lait-russe. Na een stage bij de Europese Commissie werkt ze sinds kort voor een soort lobbykantoor. Ik kom haar regelmatig tegen in het parlement als ze voor overleg bij europarlementariërs langs gaat. Haar internationale carrière is vergelijkbaar met die van bijna iedereen die ik hier heb gesproken. Ze spreekt Slowaaks, Russisch, Frans, Engels en Spaans. Tijdens haar studie deed ze een Erasmus-uitwisseling in Spanje en ten slotte, nadat ze voor een Belgisch vriendje hierheen was gekomen, werd ze aangenomen op een postdoctorale opleiding in Brugge, het prestigieuze College of Europe, dat jaarlijks zo’n vierhonderd mensen uit de hele wereld klaarstoomt voor een carrière binnen de Europese instellingen. ‘Met een collegegeld van 25.000 euro is het natuurlijk wel een eliteschool, hoewel de meeste mensen een beurs toegewezen hebben gekregen. Uiteindelijk zijn het allemaal hoogopgeleide mensen met een internationale achtergrond, die geloven in de Europese Unie.’

De EU-instellingen zitten vol met intelligente, hoogopgeleide kosmopolieten die vooral economisch-globalistisch denken. Maar de gemiddelde EU-burger woont in een dorp of kleine stad, vindt de snelle globalisering onzeker, wil geen interne markt en is bang zijn identiteit kwijt te raken. Wat er in de EU gebeurt interesseert ze eigenlijk niet veel. En dat is voor veel mensen in de EU-instellingen niet te begrijpen, ook omdat er vooral bij de Commissie een daddy knows best-mentaliteit heerst. ‘Ze geloven dat zij de wijsheid in pacht hebben, wat in stand wordt gehouden omdat ze zich continu in hun Europese, elitaire, witte, bevoorrechte bubbel bevinden’, oordeelt een Britse journalist. Tijdens een vrijdagmiddagborrel roddelt een ambtenaar met mij over een gezamenlijke kennis bij een andere EU-instelling. ‘Ineens gaan we dat soort mensen aannemen: de Gewone Man. Die horen hier helemaal niet’, zegt hij gekscherend.

Medium 2e 20beeld 20  20eu brussels 04 kristofvadino eu raw copy mg 1179
‘Ineens gaan we dat soort mensen aannemen: de Gewone Man. Die horen hier helemaal niet’ © Kristof Vadino
‘Als ik naar een discussieavond twee straten verderop moet, denk ik al poeh poeh, kan dat niet hier? Erg hè?’

Een groep mkb-ondernemers komt opgewonden kletsend het Europees Parlement binnen. Ze zijn die ochtend voor dag en dauw met de bus uit Nederland vertrokken om op tijd in Brussel te zijn. De inmiddels bevriende politiek assistente begeleidt de ondernemers naar een zaaltje, waar ze allemaal een persoonlijke handdruk krijgen van een europarlementariër, en een goodiebag, blauw met gele sterren. Ze krijgen te horen wat er allemaal gebeurt in Brussel en wat het belang is van de EU. Bezoekers in de zaal stellen vragen, bijna alle gerelateerd aan wat Brussel voor hen kan doen. Bedenkingen bij de EU of niet: het fotomoment bij de vlag is altijd een schot in de roos. ‘Die bezoeken zijn hartstikke belangrijk’, legt de assistent uit, ‘omdat we dan horen wat onze achterban wil en kunnen uitleggen wat wij voor hun bedrijven doen.’

De 751 europarlementariërs ontlenen hun bestaansrecht aan de burgers in hun eigen lidstaat en proberen te luisteren naar hun achterban. De meeste parlementariërs maken lange dagen in Brussel, om aan het eind van de week in eigen land zichtbaar te zijn voor de kiezer: ze prikken vuilnis op het strand, leiden bezoekers rond in het parlement, nodigen studenten uit voor snuffelstages, gaan naar politieke cafés of naar zogenoemde citizens’ dialogues.

Toch vinden sommigen het moeilijk om de burger bij de besluitvorming in Brussel te betrekken. ‘Ik heb nauwelijks contact meer met gewone mensen. Zij komen moeilijk het gebouw binnen en je moet dus echt je best doen om met hen te spreken’, zegt een europarlementariër. Voordat ze naar Brussel kwam, was ze vanwege haar functie dagelijks in gesprek met arbeiders, en dat mist ze. ‘Laatst kregen we een bericht van vrachtwagenchauffeurs, die hadden gehoord dat we in de Commissie het vluchtelingenkamp in Calais zouden bespreken. “Dan komen we even langs”, zeiden ze. Potverdorie, we hadden eraan moeten denken om hen uit te nodigen!’ Uiteindelijk kwamen er veel mensen van buiten naar die Commissie-bijeenkomst, maar het zit hier niet in het systeem: iedereen is gewend om vooral met collega’s te praten.

‘Dagelijks belanden er zeker vijftien persberichten vanuit verschillende instellingen in mijn inbox. Soms met nuttige aankondigingen, soms in onbegrijpelijke taal geformuleerde beslissingen, en soms breed uitgemeten futiliteiten. Zoals de “EU-treinpas voor achttienjarigen”. Maar mensen willen geen gratis treinkaartje, ze willen banen, veiligheid en stabiliteit!’

Een assistent van de Ukip-fractie slaat dramatisch zijn handen voor zijn gezicht. ‘Of dan initieert een europarlementariër een Europees hondenregister om verdwenen huisdieren op te sporen. Who cares?’ Een andere europarlementariër ergert zich eveneens aan deze futiliteiten. ‘De EU raakt tienduizend migrantenkinderen kwijt op haar eigen terrein, maar dat thema krijg ik amper op de plenaire agenda.’

In oktober en november wordt het straatbeeld van Brussel gedomineerd door demonstraties tegen ttip en Ceta. Terwijl op een steenworp afstand het Waalse parlement weigert in te stemmen met het Ceta-verdrag wordt pal voor het Europees Parlement een actietent opgezet. Binnen hangt een geur van nat tentdoek, warme adem en sterk ruikende etenswaren. ‘Zou het hier zo stinken omdat Ceta zo stinkt?’ grapt de assistent van een linkse europarlementariër.

Verschillende (lokale) politici zijn naar Brussel gekomen om op het podium in de tent hun weerstand tegen het verdrag kenbaar te maken. Hun woorden wordt kracht bijgezet met Litouwse koekjes, Italiaanse worsten, Vlaamse peren en Ierse biertjes, uitgedeeld door kleine lokale ondernemers. ‘Deze artisanale producten staan onder druk met het sluiten van een Ceta-verdrag!’

Een europarlementariër van de Italiaanse Vijf Sterren Beweging komt ook even kijken. Hij zal tegen het verdrag stemmen. ‘Maar dat heeft totaal geen nut. Het parlement stemt toch wel voor. Er wordt door de grote partijen druk gezet op de overige leden, we zijn er al zo lang mee bezig.’

Er zijn flink wat parlementariërs die dit verdrag niet willen en dagelijks tientallen mails van hun achterban krijgen met de vraag om het Ceta-akkoord af te wijzen. Maar hun collega’s willen niet afgaan en vinden dat ze als Europees Parlement een front moeten vormen. Zo ergert een liberale europarlementariër zich aan fractiegenoten die soms ineens anders stemmen, uit angst om afgestraft te worden door hun achterban. ‘Hoe vaak ik al niet hoor “dat het volk het niet wil”. Wij moeten als politici niet zo veel volgen, we moeten juist leiden.’

Het is een typisch voorbeeld van de spagaat waarin de mensen uit verschillende instellingen verkeren. Na de klap van de Brexit en de overwinning van Donald Trump – waarvan iedereen dacht dat het zo’n vaart niet zou lopen – willen ze zich eensgezind tonen. In het geval van Ceta kreeg de EU uiteindelijk haar zin, maar of het bijdraagt aan de toch al moeizame relatie met de eurosceptische burger is de vraag.

In de hal van het Berlaymontgebouw staan journalisten om een paar oudere mannen, voormalig Commissie-medewerkers, met dozen vol petities. Voor de camera vertellen de gepensioneerde ambtenaren dat de petitie bedoeld is om hun onvrede te uiten over de nieuwe baan van voormalig eurocommissaris José Manuel Barroso, nu adviseur bij de bank Goldman Sachs. Kritische EU-medewerkers hebben zich verenigd in de groep EU-Employees, maar alleen de pensionado’s durven in de openbaarheid te treden. De nog werkzame ambtenaren zijn bang hun baan te verliezen of weggetreiterd te worden als ze kritisch zijn. Een paar uur na het persmoment wordt de petitie van de EU-Employees koel in ontvangst genomen. Secretaris-generaal Alexander Italianer wil geen inhoudelijk gesprek aangaan en de mannen mogen niet zitten. Dit begrijp ik later uit de tweede hand; journalisten mochten er niet bij aanwezig zijn.

Een van de oprichters van de EU-Employees werkt bij een researchagentschap van de Commissie. In spijkerbroek en trui is hij naar het werk komen fietsen en nu legt hij uit dat hij ervan baalt dat commissarissen als Barroso, ‘gekozen door lidstaten’, de medewerkers in de EU-instellingen een slechte naam bezorgen. Hij benadrukt dat een vierde van de 152.000 handtekeningen afkomstig is van mensen binnen de Europese instellingen.

In de maanden dat ik hier rondloop is er elke week wel een affaire: een delegatie Slowaken die op kosten van de EU naar New York reist voor een groepsfoto tijdens de klimaatdeal. Deense europarlementariërs die EU-subsidies misbruiken. Een werkgroep in de Commissie die zich buigt over de uitstoot van uitlaatgassen, maar grotendeels bestaat uit mensen uit de auto-industrie zelf. Commissaris Günther Oettinger die racistische uitspraken doet en verdacht wordt van belangenverstrengeling. Een parlementariër van de Groene-fractie die tijdens een Commissie-vergadering met Oettinger opheldering wil over het schandaal wordt de mond gesnoerd door de voorzitter. ‘Laten we ons aan de agendapunten houden.’ Terwijl het de taak is van het parlement om de niet-democratisch gekozen Europese Commissie – wat al voor onvrede bij de burger zorgt – op het matje te roepen.

‘Dan initieert een europarlementariër een Europees hondenregister om huisdieren op te sporen. Who cares?’

En dan is er de eeuwenoude discussie over de hoge dagvergoedingen, de lage belastingen, de dienstauto’s, de onhandige maandelijkse verhuizing naar Straatsburg en de soms dubieuze bijbaantjes. Waakhonden als de Corporate European Observatory letten op mogelijke belangenverstrengeling en de invloed van lobbyisten binnen de EU-instellingen. Onderzoeker Olivier Hoedeman vindt de defensieve en soms zelfs agressieve reacties van topambtenaren en politici veelzeggend. Wat vooral irriteert is de verontwaardiging als er kritiek wordt geleverd. ‘Er zijn genoeg ambtenaren die wel snappen waar het probleem ligt. Maar iemand als voormalig commissaris Barroso kan dus niet zien waarom het naar de mensen búiten de bubbel moeilijk te verkopen is dat hij nu bij Goldman Sachs werkt. Mensen als hij kiezen niet voor het belang van de reputatie van de EU, maar vanuit hun old boys network.’

Hoewel er zeker ambtenaren en politici zijn die aanpassingen willen, wordt het systeem nog altijd door de meerderheid van de Commissie en het parlement in stand gehouden.

Een paar dagen eerder spreek ik af met een Britse politiek assistent. ‘Vanaf het moment dat Cameron het referendum aankondigde, wist ik het. Een Brexit. Want ik wist dat de tegenpartij veel meer op emotie zou inspelen. En emoties winnen altijd.’ Hij zit ontspannen aan een houten tafel op een terras, niets in zijn houding verraadt de stress van de afgelopen maanden. ‘Toen ik naar bed ging tijdens de nacht van het referendum, stond de teller nog 60/40 tegen de Brexit. Om 4.00 uur stond ik weer op en kwamen de nee-stemmen binnen. Ik pakte een fles whisky en heb de uren erna verdoofd televisie gekeken. Daarna raapte ik mezelf bij elkaar en ben mijn baas gaan helpen.’

Nu probeert hij via zijn oma de Ierse nationaliteit te krijgen. Anderen hopen met een huwelijk of een langdurig verblijf in België een ander paspoort te kunnen krijgen. Maar Britse ambtenaren zonder die mogelijkheid weten zes maanden na het referendum nog steeds niet waar ze aan toe zijn. ‘De maanden erna behandelden collega’s me alsof ik net de diagnose kanker had gekregen’, vertelt een Britse medewerker. Iedereen weet dat een glansrijke carrière er hier niet meer in zit als je land buiten de EU valt.

‘Na het referendum had iemand de Britse vlag bij de postvakken weggehaald’, vertelt een jonge medewerker van Ukip. ‘En toen ik de lift in liep met een Brits vlaggetje op mijn pak gespeld, werd er “fuck you” naar me geroepen.’ Ook heeft hij het idee dat ze sindsdien getreiterd worden in het parlement. ‘Betalingen worden niet of te laat gedaan. Het contract voor een nieuwe medewerker wordt steeds afgewezen op een ongegronde futiliteit.’ Hij denkt dat men in de EU-instellingen na de shock en woede nu in de ontkenningsfase is beland. ‘Ze denken dat de Brexit uiteindelijk niet zal gebeuren. Mijn buurvrouw deed net alsof het niet gebeurd was.’

Voor de meesten binnen de EU-instellingen kwam de Brexit als een totale verrassing. ‘Ik had niet verwacht dat de leugens zouden regeren’, maakt een assistente zich kwaad. Dat Ukip de Britse burgers voorgelogen heeft en dat die het vervolgens voor zoete koek hebben geslikt, vinden de EU-ambtenaren onbegrijpelijk. De Brexit wordt voornamelijk geweten aan communicatieproblemen en gebrek aan besef bij de Britten dat zij de EU nodig hebben. Volgens een ambtenaar met jarenlange ervaring in het parlement kregen diverse europarlementariërs het advies om naar Groot-Brittannië te gaan. ‘Ze durfden niet. Schultz riep: “Ik ben een Duitser!”’ schampert hij. ‘Zowel de Commissie als het parlement heeft niets gedaan om de Britten te overtuigen.’ Iedereen dacht dat het zo’n vaart niet zou lopen. En hoewel er wat huiverig wordt uitgekeken naar de verkiezingen in Nederland, Frankrijk en Italië zijn de meeste mensen er nog steeds van overtuigd dat de EU niet zo snel uit elkaar zal vallen. ‘Deze founding fathers kunnen niet zonder de EU.’

Bijna iedereen herkent de kritiek op de EU, maar niemand weet hoe ermee om te gaan. Het lijkt alsof er geen middenweg is: je bent een EU-believer of niet. Partijen als Front National, pvv, Ukip en soms de Vijf Sterren Beweging gaan er tijdens plenaire vergaderingen hard in. De believers overcompenseren door de Europese Unie op te hemelen. Een ‘Verhofstadtje’ noemen medewerkers dit. Het euroscepticisme moet de kop in gedrukt worden en ze willen niet van hun koers afwijken. Een communicatiemedewerker in het parlement beschrijft discussies over Marine Le Pen of Nigel Farage. ‘Sommige collega’s vinden dat we hen dood moeten zwijgen. En als ik zeg dat Farage eigenlijk wel een goede retoricus is, valt het stil.’

De Europese Commissie besloot vanaf 2014 het roer om te gooien. ‘Europa moet groot zijn op grote zaken. En klein op kleine zaken.’ Er is een lijst opgesteld met tien prioriteiten waar de Commissie zich op richt. Geen geneuzel meer zoals wetgeving over slipvrije vloeren in kapsalons. De Commissie doet alles wat in haar macht ligt om de migrantencrisis te bezweren, speelde een voortrekkersrol bij de klimaatdeal, Apple moest Ierland belasting terugbetalen en er wordt actief gewerkt om jongerenwerkloosheid tegen te gaan. Daarbij moet het budget van de EU-instellingen inkrimpen. Juncker waarschuwde al bij zijn aantreden dat ‘dit de Commissie van de laatste kans is’.

De onvrede die intern heerst over de aanpak van het euroscepticisme is niet los te zien van de Europese machtsverdeling. Europarlementariërs voelen zich vaak buiten spel gezet door de niet direct gekozen Europese Commissie – die niettemin een duidelijke, politieke lijn aanhoudt, als enige een wet kan voorstellen en onderhandelt. De Commissie loopt op haar beurt steeds aan tegen de Europese Raad, met daarin de regeringsleiders van de EU-landen die steeds moeizamer instemmen met grote, belangrijke onderwerpen. Zoals de asielquota of aanpak van belastingfraude. Dit ondermijnt het vertrouwen van de burger in de EU.

‘De EU is in een vicieuze cirkel terechtgekomen.’ In een van de vele Ierse pubs rondom het Berlaymont drink ik een lager met een topambtenaar. Hij werkt al jaren voor de Commissie, maar is afkomstig uit de bankensector en heeft een harde, zakelijke mentaliteit. Hij ziet de veranderingen geïrriteerd aan. ‘De Commissie wil geen voorstellen meer doen waarvan ze weet dat die toch niet door het parlement of de raad heen komen. Of erger nog: die ze op kritiek van de Europese burger komen te staan.’ Dus hebben Juncker en vice-voorzitter Frans Timmermans 79 wetsvoorstellen ingetrokken in het kader van de prioriteitenlijst.

Tijdens de weken dat er plenair gedebatteerd en gestemd wordt, rennen de europarlementariërs met hun assistentes in hun kielzog van hot naar her. Tussen de vergaderingen met hun eigen commissies, fractiebijeenkomsten, werkgroepen, andere al dan niet politieke evenementen in het parlement en recepties door worden bij de hoofdgang op de derde verdieping voor de camera interviews afgenomen. Het liberale parlementslid Hans van Baalen slalomt licht geïrriteerd door een bezoekersgroep. Intussen klagen verschillende parlementsleden dat er geen wetsvoorstellen zijn om zich over te buigen, dus komen ze met allerlei ini’s – agenderende ideeën voor wetsvoorstellen en resoluties – die vervolgens nauwelijks door de Europese Commissie worden overgenomen omdat ze niet op de prioriteitenlijst staan. ‘Er worden soms wel honderd amendementen gemaakt op nog niet bestaande wetsvoorstellen’, klaagt een parlementslid.
De meest cynische medewerkers in het parlement beweren dat parlementariërs duimendraaien. Commissie-medewerkers van bepaalde departementen vinden dat de hoeveelheid werk best met minder mensen gedaan kan worden. ‘Het duurt nu allemaal zo lang!’ Een Commissie-medewerker legt uit hoe het lange proces van een wetsvoorstel eruitziet sinds het _‘Better Regulation’-_beleid, geïmplementeerd door Juncker om de kwaliteit van Europese regelgeving te verbeteren. ‘Maar tegen de tijd dat die regelgeving af is, is hij al weer bijna gedateerd.’ De meeste collega’s willen dan ook terug naar het vorige mandaat, waar alles sneller ging.

Terug in de Ierse pub legt de topambtenaar van de Commissie uit dat de lidstaten te veel macht hebben. Hij doelt niet alleen op de moeilijke taak om met 28 landen tot een consensus te komen. ‘De Europese Commissie moet lidstaten een sanctie opleggen als zij de regels vanuit Brussel niet of niet juist implementeren. Maar er worden veel minder sancties opgelegd.’ Volgens hem zijn collega’s hoog in de boom tegenwoordig gevoeliger voor de druk van de Permanente Vertegenwoordiging – een soort ambassade – van een lidstaat. Ze krijgen dan een telefoontje. ‘“Ik hoor dat je in de race bent voor een promotie… ik hoop dat je begrijpt dat je dan wel moet stoppen met het doordrukken van zus en zo…” Dat noemen ze zelf een advies.’ Hij herinnert zich die keer dat er iets niet helemaal klopte met de naleving van een verdrag. ‘Toen ik het wilde uitzoeken, werd ik gewaarschuwd door iemand van de Permanente Vertegenwoordiging van het desbetreffende land. Hij wilde er niets over horen.’

Ook ergert hij zich aan zijn collega’s die zelfcensuur plegen. ‘Die bedenken dan een excuus om een sanctie niet op te leggen. Omdat die lidstaat het zogenaamd al zo moeilijk heeft, of het niet het juiste moment is.’ Een paar dagen later bellen we nog eens en wijst hij op geruchten over het uitstellen van een behandeling van een klacht, ingediend door het bedrijf Uber. Frankrijk zou hen aan banden proberen te leggen, ten gunste van de officiële taxichauffeurs. Terwijl Uber de Europese regelgeving naleeft en Frankrijk dus incorrect handelt. ‘De Commissie is er om dat te controleren’, zegt hij onverbiddelijk.

‘Er kwam een functie vrij, maar toen ik hier informatie over wilde inwinnen, wisten collega’s zogenaamd van niets’

En dat is dus precies de catch-22 waar europarlementariërs en commissieleiders in Brussel in terechtgekomen zijn. De problemen zijn groot, maar leiders durven geen beslissingen te nemen, wat het euroscepticisme weer voedt. Ze vinden enerzijds dat het belang van de Europese Unie voorop moet staan, omdat het op langere termijn in het belang is van de Europese burger. Anderzijds zijn ze zich ervan bewust dat een beslissing goedgekeurd moet worden door de lidstaten. Of dat, in het geval van europarlementariërs, zij ook de voorkeur van hun kiezer in het vizier moeten houden. En die willen nu eenmaal niet zo veel in het huidige klimaat. Dus is er de continue afweging: duwen we onze zin door of houden we ons koest? Er wordt nu geneigd naar het laatste, waardoor europarlementariërs zich bezighouden met hun politieke hobby’s. En daar zitten dus ook ini’s over paardenzorg tussen.

Tussen de hoge, grijze gebouwen van de EU-instellingen aan de Belliardstraat, waar auto’s in één richting de stad uit scheuren, is een kleine oase van rust. In de felgekleurde Pauzzz-bar wachten een paar mannen tot ze in een massagestoel kunnen ontstressen. Een enkeling is van plan om een dutje te doen in het speciale slaaphokje, afgeschermd met Japanse doeken. ‘Zo’n negentig procent van onze klanten werkt in de EU-instellingen’, zegt de eigenaar. ‘Allemaal hebben ze dezelfde klachten: stress op het werk, te lang achter een bureau zitten, spanningen met collega’s.’ Op donderdagen komen er zo’n 35 mensen. Voornamelijk mannen, maar ook vrouwen.

EU-medewerkers vinden de sfeer harder en stressvol geworden. Antidepressiva en alcohol zijn al jaren vertrouwde bondgenoten. Individualisme, eenzaamheid en competitie lijken verergerd met de uitbreiding van de lidstaten, de opmars van eurosceptici en de bezuinigingen. Vaste contracten zijn geen vanzelfsprekendheid meer – jaarlijks solliciteren duizenden mensen op slechts een honderdtal plekken – en vrijgekomen functies worden niet of met tijdelijke contracten opgevuld.

Een jonge Litouwse vrouw met een duizelingwekkend cv en vloeiend vier talen sprekend, zit op haar vijfde tijdelijke contract. ‘Hierna krijg ik mijn laatste contract en dan moet ik weg.’ Vooral de competitie binnen de Commissie noemt ze zwaar. ‘Iedereen aast op een vaste baan. Ik hoorde dat er een functie vrij kwam, maar toen ik hier informatie over wilde inwinnen, wisten collega’s zogenaamd van niets.’

Een stagiair geeft een voorbeeld van collega’s die ‘vergaten’ een belangrijke boodschap van hem door te geven aan een europarlementariër. Een andere, piepjonge Italiaanse assistent in een te ouwelijk pak vertelt hoe hij in zijn laatste maand als stagiaire elke dag sollicitatiebrieven eruit heeft gestuurd om tijdelijk ergens in het parlement te kunnen werken. Of hij vrienden heeft in het parlement? ‘Er is hier één iemand die ik vertrouw’, antwoordt hij twijfelend. ‘Iedereen gaat voor zichzelf.’

Een ambtenaar die afwisselend in de Commissie en het parlement heeft gewerkt, maakt zich al jarenlang hard voor de rechten van ambtenaren. ‘De anti-EU-sentimenten en de bestrijding ervan dragen bij aan de negatieve sfeer. Medewerkers voelen zich niet gewaardeerd of nutteloos.’

‘Te koop door de schuld van Brussel.’ Een armoedig vissersbootje in de haven van Napels, met de Italiaanse leus erop gekalkt, verschijnt op het computerscherm. ‘Deze foto stuurde een vriend van me door.’ Een topambtenaar van de researchafdeling van de Commissie kan er gelukkig om lachen. ‘Het is te gemakkelijk van de Italianen, die zich nooit echt hebben geïnteresseerd voor wat zich hier afspeelt omdat het “te ver weg was”, om nu de schuld van de crisis op Brussel af te schuiven. Wie neemt de beslissingen? Het Europees Parlement, verkozen door de Europese burgers. Samen met regeringsleiders van de lidstaten, eveneens verkozen door de burgers in hun eigen land.’

Maar regeringsleiders moeten ook het lef hebben om achter die keuze te staan en dit te uiten. ‘De premiers feliciteren elkaar na een moeilijke beslissing, geven elkaar schouderklopjes, doen een high-five. Dat hebben wíj maar even goed opgelost’, legt een lobbyist uit. ‘Maar als premier Rutte de grens over gaat van België naar Nederland, dan hebben zíj, daar in Brussel, die vreselijke maatregel opgelegd.’ De Hazeldonk-shuffle noemt hij dit. Een fout die zowel bij de politici als bij de media in de lidstaten ligt. Een Nederlandse journalist herkent het en ergert zich eraan. Hij schrijft daarom vaak: ‘Premier Rutte en zijn collega’s in Brussel besloten…’, om de rol van de lidstaten zelf bij de besluitvorming in Brussel te benadrukken.

Op de dagelijkse persconferentie van de Europese Commissie vraagt een jonge Griekse collega door over een deal tussen Griekenland en de EU over budgethervormingen. In plaats van een antwoord ontvangt de journalist een sneer van de desbetreffende woordvoerder. Ook een andere man, die iets wil weten over de aankomende top, krijgt een venijnige ‘ik heb mijn glazen bol niet bij me’ te horen. En zo gaat het al die maanden door.

Samen met de prioriteitenlijst en een meer politieke Commissie is ook een nieuwe communicatielijn opgesteld om krachtiger over te komen. Junckers kabinetschef Martin Selmayr, die volgens geruchten de werkelijke heerser van de Commissie is, stelde hiervoor mensen aan die dicht bij hem en Juncker staan. ‘Hiervoor had elke commissaris zijn eigen persvoorlichter, die natuurlijk zijn eigen idee wilde verkopen aan de pers. Nu kunnen we met één mening naar buiten komen over wat de gehele Europese Commissie vindt’, verklaart de plaatsvervangend hoofdwoordvoerder Mina Andreeva.

De gedachte erachter is mooi, maar de uitvoering pakt desastreus uit. In de praktijk leidt het tot een vloedgolf van ‘kijk-eens-hoe-goed-we-het-doen’-mails van woordvoerders die zich vervolgens zo strikt aan de vooraf geformuleerde richtlijnen moeten houden dat ze geïrriteerd raken als je doorvraagt. Om transparantie te veinzen, wordt de dagelijkse persbriefing al een aantal jaar gefilmd en direct uitgezonden. Maar dat leidt ertoe dat woordvoerders nog minder durven of willen zeggen: ‘No comment’ of ‘we speculeren niet’. Het imago van de Commissie wordt dusdanig krampachtig en vijandig verdedigd dat de relatie met journalisten verslechtert en het overdreven veel moeite kost aan de juiste informatie te komen. ‘Dan moeten journalisten persberichten beter lezen, daar staat alles in. Of navraag doen bij een persvoorlichter, al mag die niet geciteerd worden’, vindt Andreeva.

De europarlementariërs – behalve die van de Nederlandse pvv – zijn daarentegen wél benaderbaar, nemen de tijd en zijn goed geïnformeerd. Zij vinden dat er opvallend weinig journalisten in Brussel zijn en dat die voornamelijk de grote lijnen en mislukkingen volgen. ‘Dan wordt er geschreven dat “Brussel” er niet in is geslaagd.’ Maar wie kijkt naar de perszalen van de EU-instellingen ziet hoe schrikbarend weinig journalisten er door de nationale media gestuurd worden. Zij hebben simpelweg geen tijd om zich met elk detail van de lange, gecompliceerde of soms onbenullige wetgeving bezig te houden.

Hoe moet het dan wel? Hoewel zelfs communicatiemedewerkers hun schouders ophalen en zuchten dat ze er geen antwoord op hebben, lijkt scholing een speerpunt voor velen. Jongeren moeten les krijgen over hoe de EU-instellingen in elkaar zitten en welke invloed zijzelf als burger hebben. En hoewel men aanvankelijk enthousiast was over Frans Timmermans in de Commissie wordt een echte leider in de EU-instellingen nog altijd gemist. Er is hoop dat daar op 17 januari – de dag waarop een nieuwe voorzitter voor het parlement wordt gekozen – verandering in zal komen. Ook lijkt er iets te borrelen: steeds vaker zijn er informele bijeenkomsten over hervormingen, wordt er geroepen dat het systeem veranderd moet worden en doen geruchten de ronde over een verdragswijziging.

Het is eind december en in een hippe wijnbar vlak bij het parlement waait een frisse wind. Een recent opgerichte netwerkclub organiseert een kerstborrel. Gesprekken worden al snel persoonlijk. Ze gaan over extreme onzekerheid, tot het zoeken van geluk, van het invriezen van eitjes tot het kopen van een loft in Molenbeek. Halverwege de avond stelt de jonge oprichter van het netwerk iets opmerkelijks voor. ‘Wij zijn hier bijna allemaal pro-EU. Maar ik wil dat jullie kennismaken met de persoon naast je, die jullie nog niet kennen. Doe alsof hij of zij voor de Brexit heeft gestemd. Op Trump. Of op een andere eurosceptische partij. Wat zou jij die persoon vragen?’

Een goed voornemen voor het nieuwe jaar om deze vraag vaker te stellen aan mensen buiten de bubbel. En dan ook iets met het antwoord te doen. De EU staat namelijk op het spel.


Dit artikel is tot stand gekomen door Fonds 1877 en met de Lira Startsubsidie voor jonge journalisten van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten; fondsbjp.nl