Schreeuw om dialectiek

Een mens kan niet alle toneelvoorstellingen zien. Dus is er een paar keer per jaar sprake van een inhaalbeweging: de recensent tankt bij en ziet alsnog wat hij heeft gemist. Soms slaat hij zich dan voor zijn kop: dat ik die voorstelling niet eerder zag, stom, stom, stom! Die ervaring had ik de afgelopen week, bij De naakte stad, drie manieren om te overleven - een productie van FACT, het Rotterdamse platform voor debuterende regisseurs. (Overigens een landelijke theaterwerkplaats die ik twee weken geleden abusievelijk vergat te vermelden in mijn kleine utopie voor het Nederlandse theater in de eenentwintigste eeuw.) Ik zag de allerlaatste voorstelling van deze productie (regie: Arie de Mol). De spijt van de recensent was groot. Hier had ik graag een handvol enthousiaste Groene-lezers naartoe willen sturen!

Het speelvlak is bij aanvang leeg. Twee gedichten van de onlangs overleden William Burroughs worden letterlijk ‘ontrold’, waarvan we er een op band horen. De naakte stad begint met een in Nederland ongespeelde tekst van Bertolt Brecht, Der Brotladen, 'De broodwinkel’. Op een vernuftige manier analyseert Brecht in dit (onvoltooid gebleven) stuk uit 1930 de systematiek van het kapitalisme.
De Duitse dichter had in die jaren net zijn anarchistische puberkleren uitgetrokken en begon aan een serie teksten waarin hij op theatrale wijze probeerde uit te leggen hoe de wereldwijde beurskrach van 1929 uitwerkte voor de gewone man en vrouw, hier de weduwe Queck ('met vijf hongerige kinderen en een achterstallige huur’) en de krantenjongen Meyer.
De aanpak van Arie de Mol en zijn acht acteurs was licht, luchtig en heerlijk cabaretesk. Ze sneden door de (hier en daar loodzware) tekst als een mes door handlauwe boter. De dichter had kennelijk recent een paar voor hem opzienbarende ontdekkingen gedaan over de kapitalistische samenleving, en de spelers presenteerden deze met in hun ogen de verbaasde blik van spelende kinderen.
Maar Brechts analyse loopt dood, draait rond in het kringetje van het onvermijdelijke noodlot van de economie in onze verschrikkelijke twintigste eeuw. De onverbiddelijke keten van het systeem kan alleen worden doorbroken door een vorm van verzet. Maar welke vorm in vredesnaam?
In De naakte stad gaat het open einde van Brechts onvoltooide leerstuk naadloos over in een theatraal debat over welke vormen van verzet wél en welke vormen niet zijn geoorloofd in een beschaving die zich geciviliseerd wenst te noemen. De existentialist Albert Camus schreef dat debat op in zijn stuk De rechtvaardigen, waarin een stel terroristen aan het begin van onze eeuw een bomaanslag beraamt op een Russische potentaat.
Dat prachtige stuk is - samen met Sartres Vuile handen - het logische vervolg op Bertolt Brechts schreeuw om dialectiek in het toneel, om een voortdurende uitwisseling van argumenten en tegenargumenten, waarbij de toeschouwer kan denken: ja, dát kan, en jawel, zó zou het ook kunnen, om aan het eind hersenknersend het theater te verlaten en nog dagen met de aangedragen materie rond te lopen.
Precies zo spelen de acht acteurs in de regie van Arie de Mol dit logische vervolg op de theatrale dialectiek van Brecht. Ze zetten een lange tafel op het speelvlak (waar de meubeltjes uit Der Brotladen op een grote hoop zijn achtergebleven), ze schenken wat water in, schuiven hun stoel aan, en spelen Camus’ onverbiddellijke tekst over de aanvaardbaarheid van terreur op een onverbiddellijke en onontkoombare manier. Met als hoogtepunt de ontroerende confrontatie tussen de meedogenloze Stepan (Gusta Geleijnse), de wankelmoedige Yanek (Michiel van Dousselaere) en de humane Dora (een prachtrol van José Kuypers).
Ik heb buiten adem gekeken naar een toneelgebeurtenis waarin wezenlijk belangwekkende zaken over onze tijd aan de orde werden gesteld. Of we naar een door Felix Rottenberg georganiseerd debat zaten te kijken. Maar dan met oneindig veel interessantere personages, die materiaal aandroegen dat stof bevatte voor dagenlange overpeinzingen.
Ik hoop dat het FACT lukt deze productie in 1998 - het 'Brechtjaar’, omdat de dichter dan honderd zou zijn geworden - te hernemen. En de jury van het Theaterfestival mag zich achter de oren krabben: Arie de Mol en zijn mensen hebben met De naakte stad werkelijk belangwekkend theater gemaakt.