Martha Gellhorn als oorlogsverslaggeefster

Schreeuw om goedheid

Martha Gellhorn schreef niet alleen persoonlijke brieven, ze deed ook verslag van grote internationale conflicten. Daarbij ging het haar niet om de gevechtshandelingen, maar over de waanzin en het leed van oorlog.

Medium gellhorn hemingway 1941

Als in een krant of nieuwsuitzending verslag wordt gedaan van Nederlandse militairen die in de Afghaanse provincie Uruzgan bezig zijn een dorp te veroveren of een bergpas onder controle te krijgen, compleet met kaartjes en verdedigingslinies en hoeveelheden tanks en pantserwagens, denk ik altijd even aan de Amerikaanse oorlogsverslaggeefster Martha Gellhorn en mompel: ‘Who cares about hill 101.’

Of dit citaat van Gellhorn na zestien jaar nog precies klopt, weet ik niet; vooral over het nummer van die heuvel twijfel ik, maar juist dat doet niets af aan haar boodschap: een oorlog versla je niet door over het innemen van deze of gene heuvel te vertellen, maar door over de chaos, het leed en de waanzin te verhalen. Ik hoorde het de toen 83-jarige Gellhorn in mei 1992 zeggen in het vpro-programma Van Dis in de IJsbreker. Het was me uit het hart gegrepen.

Dat was ruim een jaar na de Golfoorlog. Maar toen Gellhorn het zei, kwam het beeld naar boven van journalisten die applaudisseerden toen generaal Norman Schwarzkopf jr. tijdens een rechtstreeks uitgezonden persconferentie met vanuit een vliegtuig genomen beelden liet zien hoe goed en precies een Iraaks gebouw was gebombardeerd. Alsof er een schone oorlog bestaat. Alsof daar op de grond niet een heel ander verhaal te vertellen was.

Die verhalen had Martha Gellhorn geschreven, van 1936 tot 1985. Ze was in Spanje ten tijde van de burgeroorlog, in China toen de Japanners daar in 1941 oorlog voerden, in Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog, in Israël ten tijde van de Zesdaagse Oorlog, in Vietnam en in Midden-Amerika.

In haar inleiding bij de eerste uitgave (1959) van haar bundel oorlogsartikelen The Face of War schrijft ze dat de mensen in haar artikelen gewone mensen zijn, die ze willekeurig heeft gekozen. Maar met deze toevoeging: ‘Wat hun overkomen is, is ontelbare anderen overkomen.’

In mei 1945 ziet Gellhorn in Dachau een glimp van wat een hel een concentratiekamp moet zijn geweest. ‘Achter het prikkeldraad en de elektrische omheining zaten skeletten in de zon en onderzochten zichzelf op luizen. Ze hebben geen leeftijd en geen gezichten; ze lijken allemaal op elkaar en op niets dat je ooit zult zien als je geluk hebt.’

Zeven maanden daarvoor was ze in Nijmegen, een ‘klein Nederlands stadje dat als gevolg van een ononderbroken bombardement van een maand of langer er nu uitziet als een plaats die jaren geleden verlaten werd als gevolg van een aardbeving of een vloedgolf’.

Ze vindt van zichzelf dat ze schrijft als iemand die schreeuwt

Dat verslag, uit oktober 1944, eindigt met een bezoek aan de kelders van een ziekenhuis, waar Gellhorn een vierjarig meisje ziet liggen. Het kind heeft twee gebroken armen en is geopereerd om de bomscherven uit haar zij en haar hoofd te halen. ‘Zij zou nooit in staat zijn te begrijpen wat er was gebeurd of wat voor soort wereld het is dat een meisje van vier kan verwonden dat in de tuin bij haar huis aan het spelen was, zoals natuurlijk kleine meisjes zouden moeten kunnen spelen in alle tuinen op de wereld.’

Toen Gellhorn haar journalistieke carrière begon, geloofde ze in de goedheid van de mens en in vooruitgang. Ze dacht dat de journalistiek daaraan een positieve bijdrage zou kunnen leveren. De werkelijkheid zette haar met twee benen op de grond. In november 1944 schrijft ze aan haar vriend Allen Grover naar aanleiding van haar bezoek aan het Nijmeegse ziekenhuis: ‘Ik kan niets meer verdragen… Nee, niets meer niets meer.’

Ze laat Grover weten ook niet meer te geloven dat haar verslagen enig effect zullen hebben: ‘Omdat ik maar al te goed weet hoe het zit met dat mooie beschermlaagje om het mensenhart en het mensenverstand, een laagje beton om het weten buiten te houden.’ Ze vindt van zichzelf dat ze schrijft als iemand die schreeuwt: ‘Ik weet niet eens waartegen ik schreeuw, behalve dan de barbaarsheid van het beest dat mens heet. Ik schreeuw om goedheid. Laat er goedheid zijn.’

Als Gellhorn eind jaren vijftig haar oorlogsverhalen bundelt, verwoordt ze de wanhoop die ze in het najaar van 1944 voelde in het voorwoord afstandelijker. ‘Er waren negen jaar, een zware depressie, twee oorlogen die in nederlagen eindigden en een overgave zonder oorlog voor nodig om mijn geloof in de heilzame macht van de pers te doen verdwijnen. Geleidelijk kwam ik tot het besef dat mensen gemakkelijker leugens slikken dan de waarheid, alsof leugens een vertrouwde smaak hebben en naar meer doen verlangen: een gewoonte.’

Nog weer een paar oorlogservaringen later definieert Gellhorn oorlog als een aangeboren ziekte van de mens en regeringen als de dragers van die ziekte. Maar wel met deze kanttekening. ‘Nergens is iets bekend van horden burgers die uit zichzelf rond de zetel der regering drommen om daar om een oorlog te schreeuwen.’

Het weerhoudt haar er niet van tot op hoge leeftijd oorlogen te blijven verslaan. Dat deed ze zoals ze gewend was. Want voor Gellhorn was oorlog één enkel verhaal. Een meisje van vier dat slechts wil spelen, is er ook in het Afghaanse dorpje Chora bij gevechten tussen Nederlandse militairen en de Taliban. En in Bagdad. In Beiroet. In Zuid-Soedan.

Dát verhaal moet verteld blijven worden, vond Gellhorn, niet het verslag over technische gevechtshandelingen. Ze wist dat journalistiek de wereld niet kan verbeteren, maar een verslag over de waanzin en het leed van een oorlog ‘is een vorm van eerbaar gedrag’.


Beeld: 1941 (John F. Kennedy Presidential Library and Museum)