TELEVISIE Roeien, wielrennen

SCHRIJF UW EIGEN JONGENSBOEK

Op een stralende zondagochtend fietste ik door het Amsterdamse Bos. Het was opmerkelijk stil. Teken van welvaart, want iedereen, zelfs de picknickende Turkse kolonie, bevond zich ver weg. Ooit was de zomer de drukste tijd, want in dit werkverschaffingsproject uit de crisistijd, in 1942 voltooid maar door Mokumers decennia nog altijd Bosplan genoemd – alsof het bij voornemen, ambtelijk stuk en tekentafel was gebleven – bracht een groot deel van de stadsbevolking zijn vakantie door. Mijn vader viste er in de Bosbaan op karper, met weinig resultaat maar veel genoegen; mijn moeder zat ernaast met koffie, boterhammen en oude Margriets die ze van een buurvrouw kreeg. Soms mocht er in die Bosbaan niet gevist vanwege roeiwedstrijden, waarmee mijn vader volledig vrede had want dat was, vond hij, met honkbal de mooiste sport ter wereld.
Honkbal speelden we met vriendjes en een tennisbal zelf in het bos. Roeien was niet voor ons weggelegd. Van kleins af zag ik die bootjes als langwerpige waterinsecten langs schieten. Bedrieglijk rank voorkomen gezien de enorme kracht die bij wedstrijdroeien op de spanen wordt losgelaten. Hoe mooi ook de skiffeurs, de twee zonder en met stuurman, de dubbel vier, ze vielen in het niet bij de keizer der boten, de acht. Was een trainende acht al lust voor het oog, een wedstrijd tussen achten was en is fenomenaal. Soms werden er EK’s of WK’s geroeid waarbij wij, Kezen de jongen, aan de vrij toegankelijke kant van de baan mee fietsten. Tot de roeiers de beslissende laatste 250 meters achter bosjes en tribune uit het oog verdwenen. Aan het volkslied hoorden we wie er gewonnen had. Zo leerde ik de hymnen van USSR en DDR kennen, vooral bij de vrouwen, die mede door staatsdoping werden aangedreven. Had iemand toen gezegd dat een Nederlandse acht olympisch kampioen zou worden, ik had even hartelijk hoongelachen als wanneer hij een olympische titel voor de volleyballers had voorspeld; of nu goud voor onze honkballers. Maar roeiers en volleyballers werden het mooi wel.
Daar was de laatste tijd fascinerende televisie over te zien. In KRO’s Profiel vertelden de lange mannen van Atlanta een onthutsend verhaal van haat, nijd, kinnesinne, pesterij en een geminachte coach – deprimerende mix die goed voor goud bleek en noopt tot herschrijven van de handboeken over vereiste teamgeest: verziek die en win. Andere Tijden Sport bracht, na mooie programma’s over eerdere EK’s voetbal, en een over de tragische Foekje Dillema die Fanny eruit dreigde te lopen maar als man werd uitgewezen, een reeks over gouden olympiërs: Ellen van Langen, de wielrenners van de tijdrit in Tokio ’64 en, jawel, de acht die in Atlanta won. Lang niet elke gouden medaille kan een documentaire dragen, maar die over coureurs en roeiers herbergen materiaal dat speelfilms rechtvaardigt. Bij de wielrenners vooral vanwege tragische levens na Tokio; bij de roeiers vanwege de spanning tussen vriendenclub plus solidariteit versus resultaat. Van harte aanbevolen op de site van Andere Tijden Sport.
Nu maar hopen op een documentaire in 2020 over de wonderbaarlijke wijze waarop de acht zich in 2008 nog net voor Peking wist te plaatsen en… schrijf uw eigen jongensboek. En (her)lees vooral Hans Maarten van den Brinks prachtige roman Over het water – over roeien en veel meer.