Schrijfles

Wil de dood nog enig geduld uitoefenen, dan wordt de Franse filosoof en antropoloog Claude Lévi-Strauss tegen het einde van dit jaar honderd. Ter viering daarvan heeft uitgeverij Gallimard aangekondigd in mei met een Pléiade-editie te komen van een selectie van zijn Oeuvres. Voor een nog levende Franse schrijver betekent dat een bijna nog grotere erkenning dan zijn lidmaatschap van de Académie Française, waarin hij sinds 1973 zetel 29 bezet.

Of dat laatste in de praktijk nog veel betekent, is de vraag. Lévi-Strauss is al jaren niet meer in het openbaar gezien. Ook zijn ouderdom kwam met de spreekwoordelijke gebreken. Zijn laatste boeken dateren uit het begin van de jaren negentig. In ’94 verscheen als laatste het prachtige fotoboek Saudades do Brasil, met materiaal dat hij in de binnenlanden van Brazilië geschoten had. Sommige foto’s waren al bekend uit Tristes tropiques, het schitterend geschreven reisverslag waarmee Lévi-Strauss in 1955 op slag beroemd werd. In de dagboekachtige beschouwingen zie je de revolutionaire zienswijzen waarmee Lévi-Strauss de aartsvader van het Franse structuralisme zou worden onder je eigen ogen tot stand komen.

Mensen zijn geen autonome wezens die hun wereld in vrijheid betekenis geven, zo meende Lévi-Strauss, lijnrecht tegen het toen nog oppermachtige existentialisme in. Ze zijn van begin af aan opgenomen in een betekenisstructuur waaraan ze maar weinig kunnen toe- of afdoen. Dat was een fikse klap voor het moderne zelfbewustzijn, dat zich heer en meester van zijn eigen wereld waande. Maar voor Lévi-Strauss werd de antropologie daarmee pas wetenschappelijk: mathematisch objectief, streng en bevrijd uit de koesterende illusies van het humanisme.

Toch spreekt uit Het trieste der tropen een groot, bijna ‘humanistisch’ mededogen met de indiaanse clans waarmee Lévi-Strauss in de jaren dertig kennismaakte. Hij realiseert zich dat het leven dat zij sinds mensenheugenis leiden op het punt staat te verdwijnen en dat hij als antropoloog daaraan ironisch genoeg mede schuldig is. Ook hij legt met zijn reisbeschrijvingen een gebied open dat weliswaar al lang niet meer maagdelijk is, maar dat door zijn inlijving in de wetenschap nu ook symbolisch op het ‘wilde denken’ wordt veroverd. Nergens realiseert hij zich dat scherper dan wanneer een clanhoofd hem papier en potlood vraagt en daarop met een frons op het voorhoofd golvende lijntjes begint te tekenen. Dan begint het de antropoloog te dagen. Met die magische handeling probeert hij, in een cultuur waarin het schrift nog niet bestaat, zijn aanzien op te krikken dat door de komst van zoveel machtiger mensen van elders danig was afgenomen. Door te doen als zij denkt ook hij deel te krijgen aan de bijzondere status en kracht die zij genieten.

Dat is een eerste stap op weg naar de moderne beschaving, zo tekent Lévi-Strauss in zijn reisverslag aan en hij betreurt dat bitter. Met enig sarcasme stelt hij enkele dagen later vast dat deze kunstgreep het clanhoofd niet geholpen heeft. Zijn mensen keerden zich van hem af, begrijpend hoe voos de manipulaties van hun leider waren en misschien ook wel – zo hoopt de antropoloog – hoe desastreus die capitulatie voor het schrift zou uitpakken voor de eigen voorvaderlijke leefgewoonten.

Dat is hem jaren later op scherpe kritiek van Jacques Derrida komen te staan. Wantrouwen jegens het schrift is een kenmerkende hebbelijkheid van de Europese cultuur, die daarin van oudsher het bederf wil zien van een oertoestand van onschuld en geluk, zo schrijft hij in zijn hoofdwerk De la grammatologie. Rousseau was misschien niet de eerste maar wel de belangrijkste woordvoerder van dat geloof in de nobelheid van een ongerepte menselijke natuur. En inderdaad was Rousseau als geen ander de geestelijke held van Lévi-Strauss, die hem altijd als de ware grondlegger van de etnologie is blijven zien.

Dat maakte die laatste tot een overtuigd cultuurrelativist en verdediger van de verschillen die tussen beschavingen moeten blijven bestaan. In 1971 schokte hij er de Unesco mee, op wier uitnodiging hij het ‘jaar tegen het racisme’ opende met een scherpe aanval op het cultuurimperialisme van het Westen, zoals hij zich er ook mee van de universalistische Franse traditie had vervreemd. Beter voelde hij zich thuis bij Amerikaanse etnologie uit de school van Frans Boas, aartsvader van het cultuurrelativisme die in 1942 tijdens een ongedwongen gesprek plotseling in zijn armen gestorven was.

Op Derrida’s aanval heeft Lévi-Strauss, voorzover ik weet, nooit geantwoord. In Tristes tropiques mijmert hij melancholisch over de teloorgang van de volkeren die hij heeft leren kennen en die nu, in het jaar van zijn honderdste geboortedag, waarschijnlijk allemaal al lang verdwenen zijn.