Schrijfles: begin en eind

Eerste zinnen in de literatuur, ze kunnen me gestolen worden. Er is meestal te lang over nagedacht en dat is te zien. Ze koken over van betekenis, ze zijn te gewichtig of juist bestudeerd onnadrukkelijk.

Eigenlijk is het nooit goed, zelfs met de traditionele Natureingang ben je niet veilig, al heb ik dat lang gedacht. Eerst maar eens het landschap of het interieur beschrijven, het jaargetij en de datum vermelden, de weersgesteldheid erbij – hoe gedetailleerder het wordt, hoe sterker de verdenking weer groeit dat je met de opsomming van gegevens toch iets buitengewoon diepzinnigs bedoelt en dan is ook de portier, waar je nu eenmaal langs moest om binnen te komen, niet bij toeval gehandicapt, maar door de schrijver met opzet zodanig wreed mishandeld dat hij invalide werd. Waarom zou je na dat soort zwarigheid nog verder lezen?

Volgens Joan Didion is na het schrijven van de eerste zin het aantal opties voor het vervolg al met vijftig procent afgenomen. Na zin twee is het pleit geheel beslecht. Je kunt geen kant meer op. Dat lijkt me helemaal niet waar.

Je kunt de eerste zin per definitie, en helaas, niet overslaan. Maar je kunt ’m ook heel gewiekst als afleidingsmanoeuvre vormgeven – het begin van De uitvreter lijkt me een goed voorbeeld van deze strategie, met de verwijzing naar de (overigens ongenoemde) Frederik van Eeden en de Sarphatistraat (die er verder geen rol in speelt).

Wie de horde van de eerste zin heeft genomen, heeft zichzelf bevrijd. Je bent binnen, de portiersloge voorbij, en er strekt zich een interessant stelsel van trappen en gangen, van zalen en geheime kamers voor je uit – of een landschap vol bergen en dalen, zijpaden en autobanen. Wat je maar wilt. Er is geen voorgeschreven route. Een roman is geen rationele constructie en kan alleen perfect zijn volgens zijn eigen normen, niet naar een idee dat vooraf bestond. Hetzelfde geldt voor een gedicht, een essay, een kort verhaal.

Desondanks las ik toch maar eens James Salters onlangs in vertaling uitgekomen De kunst van fictie, een bundeling van drie colleges die antwoord beloofde te geven op vragen als ‘hoe schrijf ik een roman?’

Salter is een heel behoorlijke schrijver, van niet al te nadrukkelijke beginzinnen bijvoorbeeld, maar de aanbidding die hem in Nederland ten deel valt van de kant van jonge collega-auteurs heeft naar mijn idee ook erg met zijn leven te maken. Jachtvlieger geweest, levensgenieter in Frankrijk, drager van tweedjasjes en bewoner van een strandhuis met buurvrouwen voor overspel en nabije collega’s voor whisky-sours. Kom er maar eens om in de polder. Schrijverskitsch, en nadrukkelijk van de mannelijke soort.

Dickens en Balzac mochten het nog, het verhaal met een dikke punt afsluiten

De beloofde schrijflessen blijken vooral herinneringen aan boeken, nogal onsamenhangend, en verder hebben ze niet veel om de hakken.

Je moet de goede woorden gebruiken en niet de verkeerde.

Een roman schrijven is moeilijk.
Het begin is uitermate belangrijk.

Enzovoort. Eigenlijk neemt het gestamel van de bejaarde schrijver me ook wel weer voor hem in, maar wie er iets voor zijn eigen praktijk uit wil opsteken komt bedrogen uit. Schrijven kun je wel leren, denk ik, maar je kunt er geen les in krijgen.

Interessanter dan het probleem van de eerste zin lijkt me de kwestie van de laatste. Die laadt door zijn plek de verdenking op zich van een conclusie, een bedoeling, iets waar het allemaal van begin af aan om te doen was en waar het dus heen moest gaan. Maar closure, zoals het probleem in de literatuurwetenschap wordt aangeduid, is min of meer een taboe geworden. Dickens en Balzac mochten het nog, het verhaal met een dikke punt en een moraal afsluiten. Maar de moderne mens en de moderne kunst leven van twijfel en daar hoort geen stellige slotsom bij. Dan is het geen kunst meer, dan is het triviaal.

Volgens een anekdote die ik liever niet kapot check, knipte de redactie van The New Yorker daarom in de jaren vijftig van ieder kort verhaal dat tot de kolommen werd toegelaten standaard de laatste alinea af, zonder de betrokken auteur daarvan zelfs maar in kennis te stellen. Alles werd beter zonder conclusie.

Maar die stelling is er zelf een. Een regel, een dogma, het keurslijf van het open einde. Terwijl literaire wetten alleen achteraf en per geval worden gemaakt. En er in mijn bescheiden ervaring ergens halverwege het werk, terwijl je nog langzaam vooruit gaat, tastend, proberend, opeens een zin opduikt waar je naartoe wilt, ook al is de betekenis niet meteen duidelijk. Het is niet zozeer een conclusie als wel een eindpunt. Iets wat geen bewijs nodig heeft en geen redenering. Niet de schrijver of de criticus maar de tekst zelf, zo lijkt het, neemt dan het laatste woord.


Dit was de laatste bijdrage van H.M. van den Brink op deze plek.