Schrijfmachine geschiedenislessen van een hoerenkind

Graa Boomsma, Clio’s kamer. Uitgeverij Prometheus, 221 blz., f29,90
‘Alle geschiedenis kan autobiogra fisch worden als je in de huid van anderen kunt kruipen.’ Deze opmerking, opgetekend door een van de helden uit de in 1987 verschenen verhalenbundel Tiran nieke tijden, zou als motto kunnen dienen voor alle boeken die Boomsma de laatste jaren heeft gepubliceerd. Zijn romans en verhalen bevatten geschiedenislessen waar in de bekende en vooral de minder bekende feiten uit onze historie worden gememoreerd.

Boomsma mengt feit en fictie. Tussen de gebeurtenissen en de personages die men uit de geschiedenisboeken kan kennen, schuift zijn verbeelding verzonnen figuren die gedurende de tijd van het verhaal incognito de geschiedenis meebeleven. De helden zijn altijd min of meer leerlingen die zich orienteren, documenteren en het naadje van de kous willen weten over wat er zich heeft afgespeeld in de Spaanse Burgeroorlog (Tirannieke tijden) of tijdens de politionele acties (De laatste tyfoon, 1992). Steeds stuiten de helden op details die de ambiguiteit van de geschiedenis tekenen, bijvoorbeeld de uitvinding van het prikkeldraad, waaraan de roman Het hoedelint van de duivel (1991) zijn titel dankt. Elk opgediept detail blijkt een kluwen te zijn van macht, onmacht, geweld en tegengeweld. De helden geven het nooit op het kluwen te ontwarren. Ze laten zich niet van de wijs brengen door elkaar tegensprekende verhalen; juist uit die tegenspraken moet iets van de waarheid oplichten.
De kenbaarheid van de geschiedenis vormt het belangijkste thema in Boomsma’s werk. De verhalen in al zijn romans laten zich lezen als maskeraden waarin onmisken baar autobiografische fascinaties schuilgaan, al is de omweg die Boomsma in zijn nieuwste roman Clio’s kamer maakt groter dan in De laatste tyfoon, waarin een zoon in de voetsporen van zijn vader treedt en in Indonesie de sporen zoekt van wat zijn vader bijna een halve eeuw eerder heeft bewogen als argeloze soldaat die op Java heeft gevochten. Wat de zoon daar als motief van zijn verhaal prijsgeeft, geldt echter ook voor de held van Clio’s kamer: ‘Daarom schrijf ik, om hem tegemoet te komen en mijn hand in de zijne te leggen. Ik moet hem een verleden ver schaffen om mezelf een achtergrond te geven. Wat kan ik anders doen dan mij onderdompelen in de geschiedenis en daar opduiken waar hij is geweest?’
We krijgen Bram de Winters dagboek aantekeningen te lezen uit 1939. Hij heeft zich als agent aangemeld bij de Nederlandse inlichtingendienst, alwaar hij betrokken raakt in een mysterieus spel van spionage en contraspionage. In dezelfde periode krijgt hij van een hoerenmadam te horen wat zijn achtergrond is. Want wie zijn vader is heeft hij, kind van de hoer Samantha, tot dan toe nooit geweten. Terwijl hij wordt in gewijd in het spionagewerk, besteedt hij zijn vrije tijd aan het naspeuren van gegevens uit het leven van zijn overleden vader. Tussen die kale gegevens weeft zijn verbeelding een samenhangend verhaal en verschaft hij zich zo zijn eigen achtergrond. Het verhaal van de vader en de zoon zullen naadloos op el kaar aansluiten en tegen het einde van de roman in elkaar overgaan.
Zo verbeeldt de zoon zich dat zijn vader zich als kind - levend in het laatste kwart van de vorige eeuw - vergaapte aan het he melvuur en daar zijn levenslange fascinatie voor de raadselen van de natuur aan over hield. Het vuurwerk dat deze Koch, zoals Bram de Winters vader heette, aan de hemel zag, zette hem op het spoor van de uitvinder van het elektrisch licht Edison, wiens leven hij nauwgezet bestudeerde. Al zijn kunde en kennis wendde hij aan voor het ontwerpen van een geheimschriftmachine, in de hoop en verwachting dat deze uitvinding definitief de wereldvrede zou brengen. Zijn optimisme over de mogelijkheden van de techniek was typisch negentiende- eeuws. Bijna een halve eeuw later zal zijn zoon constateren dat de technische uitvinding de mogelijkheden van een wereldbrand alleen maar heeft vergroot, dat wat zijn vader eertijds aanzag voor het hemelvuur van de verlossing ook het hellevuur van de vernietiging zou kunnen worden.
Het verhaal dat Bram de Winter over het leven van zijn vader schrijft, laat zich lezen als een geschiedenisles. Niet voor niets last hij in zijn verhaal een episode in waarin zijn vader aan de lippen hangt van zijn geschiedenisleraar, die hem daar aan de vooravond van de twintigste eeuw voorhoudt dat de waarheid van de geschiedenis 'uit een ingewikkeld netwerk van elkaar tegensprekende verhalen bestaat’. 'Leer oog hebben voor de bijna verwaarloosde bijzonderheid, jongens’, had hij eraan toegevoegd en in die woorden moet Bram de Winter ook decennia later nog de aansporing hebben gevoeld tot zijn eigen historisch onderzoek.
De aansporing komt hem ook van pas in zijn spionageactiviteiten, waarover zijn directe meerdere Plasman al had opgemerkt dat deze een scherp oog vereisten voor 'het ogenschijnlijk onbetekenende detail’. Zo wordt Bram de Winter niet alleen een agent in dienst van de inlichtingendienst, maar ook het model voor het historisch onderzoek dat het geheimschrift van de geschiedenis probeert te kraken.
Het wordt zijn tweede natuur om in netwerk van grote en kleine verhalen’ die hem omringen een verborgen boodschap te zoeken. Deze paranoide blik maakt dat in alles een dubbele bodem wordt gezien, een teken van een grote geheime samenzwering - een woord dat hem ook van meet af aan heeft aangesproken. Maar aan dat vermoeden van geheime bondgenootschappen, kleeft iets sektarisch, dat het zicht op (de onverschilligheid van) de geschiedenis kan benemen. 'Je moet altijd op je hoede zijn maar niet overal iets achter zoeken, anders word je gek’, had Plasman al gewaarschuwd. Toch probeert Bram de Winter al de feiten en de verhalen met elkaar te laten rijmen.
In feite doet hij niets anders dan de schrijver die de bekende en minder beken de feiten optuigt als een kerstboom. De schrijver is zich van die illusie net zo bewust als zijn held, die ergens in de roman op merkt: 'Willen we niet allemaal een verhaal vertellen dat onszelf achtergrond, zin en samenhang geeft? De leugen van de fictie maskeert een diepe waarheid: het verlangen naar harmonie tussen het onbereikbare toen en het onbegrijpelijke nu.’ En op een andere plaats laat hij zich ontvallen: 'Verzin ik niet teveel? Het verbeelde leven schenkt veel meer vreugde en voldoening dan het herdachte leven.’
De vraag is of ook de lezer vreugde en voldoening put uit de rijmdwang waarmee de verhalen van Bram de Winter over zijn vader Hugo Koch en de feiten uit de geschiedenisboeken tot een sluitend verhaal worden gemaakt. Boomsma beschikt onmiskenbaar over het vermogen en de lenigheid om een grote hoeveelheid details in een listig netwerk met elkaar te verbinden, zo geraffineerd soms dat de verbindingen pas bij tweede lezing echt gaan opvallen. Op heel wat plaat sen deelde ik het plezier dat de auteur moet hebben gehad in het opschrijven van zijn verhaal.
Toch heb ik ook bedenkingen, met name over de nadrukkelijkheid waarmee bepaalde compositorische elementen voor het voet licht worden gebracht. Allereerst heeft de schrijver wat opzichtig gekozen voor de autodidactische achtergrond van zijn hoofd personage om de grote hoeveelheid encyclopedische informatie die in de roman wordt overgedragen, te motiveren. Keer op keer wordt dat motief ook genoemd: 'Enigma is Oudgrieks voor mysterie. Ik moest het op zoeken. Met mulo kom je niet zover.’ En op een andere plaats: 'Wat was een computer, hoe moest ik me zijn Universele Machine voor stellen? Mijn avondmulo schoot hopeloos te kort in dit spionnencircus.’ Een twintigtal pagina’s later: 'Ken je Cybele (…) de moeder van Zeus? Hoe kon ik hem in godsnaam uitleggen wat avondmulo inhoudt?’ Deze herhaald op duikende motivering verschaft in mijn ogen niet het alibi om al die weetjes in het verhaal te stoppen, soms werd de toon mij al te schoolmeesterachtig. Daar komt bij dat de auteur zich in ruime mate bedient van kennis die we uit de geschiedenisboeken al kunnen hebben, waardoor het verhaal in sommige wendingen een voorspellend, al thans niet echt verrassend karakter krijgt.
Een andere bedenking richt zich tegen het allegorische karakter dat de roman hier en daar aanneemt, waardoor een zekere zwaarte ontstaat. Zo wordt het abstracte begrip van De Geschiedenis wel erg na drukkelijk verbeeld in de concrete voorstelling van de hoer Samantha, De Winters moeder, die Clio als werknaam had. Op Clio’s kamer wordt Bram de Winter geconcipieerd. Wie eenmaal oog heeft voor de al legorische kanten van de roman, begint alles te lezen als de illustratie van een idee. Het beproefde romanprocede van het gevonden manuscript waarmee de roman eindigt, vond ik een wat al te gemakkelijke uitweg, al weet de auteur daar weer een detail aan te brengen (in de naam van de vinder van het manuscript) dat een prachtige vorm van ironie in zich bergt. Vanwege de ironie van heel wat andere details in de roman, vanwege de genuanceerde en zorgvuldige, met aandacht geschreven omgang met de (verbeelde en feitelijke) geschiedenis, heeft deze roman toch mijn sympathie.