Anton Tsjechov, De reis naar Sachalin

Schrijfoefeningen op een bar eiland

Anton Tsjechov

De reis naar Sachalin

Uit het Russisch (1895) vertaald door Anita Roeland

Atlas, Klassieke reizen nr. 4,

405 blz., € 24,90

Vertalingen verouderen sneller dan het oorspronkelijke werk. Toch is dat op zich merkwaardige feit niet de reden geweest om De reis naar Sachalin na dertig jaar opnieuw te vertalen. Anita Roeland vertelt in haar nawoord ook eerlijk dat het eerst de bedoeling was de vertaling van 1975 «enigszins op te poetsen», maar die bleek – en dat blijkt natuurlijk altijd pas bij nader inzien – vol fouten en weglatingen te zitten. Dit is een boek waarvan je zonder extra informatie niet weet wat je leest. Tsjechov vertelt weliswaar veel over het eiland Sachalin – dat in het verre oosten van Siberië ligt, waar in 1890 al een halve eeuw gedeporteerde gevangenen vastzaten of losliepen – maar de schrijver laat nauwelijks iets los omtrent de verdere bedoelingen van zijn reis in 1890 en evenmin van zijn reisverslag, dat vijf jaar later gepubliceerd werd.

In de nieuwe uitgave vertelt de voormalige Moskou-correspondent Frank Westerman vlotjes hoe het het eiland sinds Tsjechovs bezoek vergaan is: sinds kort is er een stel oliegiganten neer gestreken om de Zee van Ochotsk leeg te pompen. De vertaalster vertelt in haar nawoord wél iets over het boek, waarvoor ze enkele bruikbare fragmenten uit brieven en aantekeningen aanhaalt.

De vraag dringt zich op om wat voor reden Tsjechov zijn schrijfwerk, dat na een periode van voornamelijk voor het geld geschreven leuke verhalen serieuzere vorm had aangenomen en erkenning begon te krijgen, afbrak om in z’n eentje op een ver en bar eiland een onderzoek naar strafgevangenen en bannelingen te verrichten. Hij hield er zelfs een volkstelling. Op tienduizend kaartjes vulde hij voor elke persoon twaalf gegevens in. Dit particuliere bevolkingsregister moet ergens in een staatsarchief bewaard zijn, curieus. Maar het doel was in eerste instantie niet eens een boek, geen roman, verhalenbundel, reportage, rapport, aanklacht of zelfs pamflet – wat dan wel? Is het misschien een vlucht geweest? Voor wat, en waarom daarheen?

Eerst iets over het begin van het boek zoals het er nu ligt, waarvan ik al zei dat het niet van tevoren gepland is geweest. Tsjechov komt op 10 juli 1890 op het eiland aan en heeft dan al een reis over land van drie maanden achter de rug. Daarover gaan de eerste vijftig pagi na’s, een verslag dat op zich al een bijzonder document is. Je leert eruit dat in Siberië iedereen brult. Terwijl mensen elders in de wereld roepen en schreeuwen, werd er in Siberië gebruld, niet alleen beren brulden, maar ook mussen en muizen. En dan de wegen in een streek waar het in mei nog sneeuwt. Tsjechov heeft gelukkig een eigen koets, wat niet verhindert dat die aan barrels gereden wordt door een trojka. Er ligt meer land onder dan boven water, en de wegen zijn lange, lelijke baggersloten. Op Sachalin blijken daarna bevolkingsgroepen (Giljaken, inlanders) te bestaan die niet eens wisten waar wegen voor dienden, en die als ganzenfamilies dwars door de taiga ploegden. De Giljaken wasten zich nooit, zodat het zelfs voor etnografen moeilijk was hun huidskleur te bepalen.

Van de taiga, voorbij de geweldige rivier de Jenisej, geeft Tsjechov schitterende beschrijvingen: de pracht zit ’m niet in de grote bomen, ook niet in de stilte, «maar in het feit dat hoogstens de trekvogels weten waar zij eindigt». Daar voldoen menselijke maatstaven niet meer. Dat er ergens een ontsnapte gevangene doodvalt is niet raadselachtiger of afschuwelijker dan de dood van een mug, aldus Tsjechov.

Tsjechov wilde geen reisverslag schrijven; dat blijkt wel uit het feit dat hij over de terugreis van twee maanden, via de Indische Oceaan en het Suezkanaal, geen regel geschreven heeft. Toch wordt er wat motieven aangaat in de aanloop al wel één ding duidelijk: hij was er op uit getrokken om zijn ogen de kost te geven en zo nauwkeurig mogelijk op te schrijven wat hij zag – wat het ook was. Want het curieuze aan het boek is dat het niet om de strafgevangenen lijkt te gaan. Dat was min of meer toeval. Tsjechov had voor zijn participerend onderzoek net zo goed een paar maanden in een Moskouse fabriekswijk of in een zuidelijke woestijn kunnen gaan zitten. De plaats van onderzoek is immers niet per se het onderwerp van onderzoek, in de etnografie al helemaal niet: wat als Tsjechov de psychosomatische gevolgen van kleinbehuisdheid had onderzocht op het duivelseiland?

Misschien kun je De reis naar Sachalin inderdaad nog het best als etnografisch veldwerk zien, met dit verschil dat Tsjechov geen theorie of vraagstelling vooraf had, laat staan op een interpretatie uit was. Hij had in elk geval niet de neiging, die amateur-onderzoekers vaak hebben, om het leven op Sachalin als voorbeeld – als gecomprimeerde samenvatting of weerspiegeling in het klein – van de hele wereld te zien. Die neiging had bijvoorbeeld Solzjenitsyn wel, die zich als participerend onderzoeker soms een ware etnograaf voelde. In De Goelag archipel verwijst hij herhaaldelijk naar Tsjechov, vooral om aan te geven wat een makkie de katorga (dwangarbeid, oorspronkelijk galei slavernij) op Sachalin was in vergelijking met die in de Stalin-kampen (zoiets werd indertijd het Kolyma-effect genoemd: in het erge baas boven baas willen zijn).

Wat Tsjechov vooral in de gevangenen interesseerde, waren de effecten van dwangarbeid, die, zeker als ze de doodstraf verving, in feite maatschappelijke uitsluiting voor het leven betekende. Daarbij ging het hem meer om het verschijnsel deportatie, verbanning, opsluiting dan dat hij nu direct begaan was met het lot van de mensen. Dat hield wellicht ook verband met het feit dat hij een vreemde was en bleef, een pottenkijker. Wat zullen de autoriteiten wel gedacht hebben van deze amateur die louter voor eigen rekening rondneusde, niet eens namens de wetenschap of voor een krant of instelling.

Meer dan aan Solzjenitsyn moest ik bij dit boek aan Dostojevski’s Aantekeningen uit het dodenhuis denken, dat zich ook in Siberische kampen afspeelde, enkele decennia ervoor. Een belangrijker verschil was dat Dodenhuis een roman was. Dat wordt soms vergeten omdat men denkt dat Dostojevski rechtstreeks over eigen ervaringen schreef. Zijn hoofdpersoon was geen politieke gevangene maar een (adellijke) moordenaar. De romanvorm bood Dostojevski juist de gelegenheid afstand te houden ten opzichte van de beleefde realiteit. Een van de verklaringen waarom Tsjechov geen literaire verhalen over Sachalin schreef is, denk ik, dat notities en een dagboek juist een manier waren om wat hij op Sachalin zag naar zich toe te schrijven. Als hij over persoonlijke ervaringen schreef, dan als onderzoeker en waarnemer; precies het omgekeerde van Dostojevski, die zijn eigen ervaringen aan een romanpersonage toeschreef.

Beide boeken hebben overigens wel het een en ander gemeen, en dan bedoel ik niet eens de passages bij Tsjechov, bijvoorbeeld over lijfstraffen met de zweep of vluchtpraktijken, die soms bijna letterlijk op stukken in Dodenhuis lijken – maar misschien was de beschreven realiteit hetzelfde. Het was Tsjechov trouwens verboden in contact te komen met politieke gevangenen, die in Rusland (toen al) buiten het gewone strafrecht vielen.

Tsjechov heeft dus alleen gewone criminelen gezien en dat heeft waarschijnlijk ook zijn blik bepaald. Behalve Solzjenitsyn is er nog een andere Goelagkamp-schrijver die expliciet naar Tsjechovs boek verwijst, namelijk Varlam Sjalamov, die in zijn Verhalen uit Kolyma een hele rubriek aan de misdadigers wijdt, aan hun nefaste rol in de kampen, waar ze voor de kamp leiding het vuile werk in het kleinhouden van de politieke gevangenen opknapten. Onder het kopje Over een fout van de literatuur verwijt Sjalamov de Russische literatuur een permanente romantisering van de Misdadiger – hij had gezien hoe criminelen ook het kampleven totaal verziekten. Solzjenitsyn zondert hij daarvan niet uit; van Dostojevski en Tolstoi zegt hij dat ze over de criminelen weinig te melden hadden. Maar Tsjechov prijst hij, en Sjalamov formuleert waarschijnlijk beter dan wie ook wat Tsjechov op Sachalin te zoeken had: «Tijdens zijn reis naar Sachalin is er iets gebeurd wat zijn schrijfstijl heeft veranderd. In verscheidene na Sachalin geschreven brieven geeft Tsjechov zonder omhaal aan dat alles wat hij tot dan toe geschreven heeft hem onbenulligheden lijken, een Russische schrijver onwaardig. (…) Maar Tsjechov kon slechts handenwringend en droevig glimlachend met een zacht maar indringend gebaar wijzen op deze wereld. Hij kende die wereld via Victor Hugo. Tsjechov verbleef niet al te lang op Sachalin en tot zijn dood heeft hij niet aangedurfd dit materiaal voor zijn werk te gebruiken.»

Het is inderdaad heel merkwaardig voor een schrijver dat hij zijn belevenissen niet in drukwerk heeft omgezet. De beweegreden die Sjalamov noemt is van een ander kaliber dan die de vertaalster oppert: dat hij in een dal zat en een nieuwe uitdaging zocht, om het in hedendaagse peptalk te formuleren. Er is een aanleiding geweest die mij plausibeler lijkt. Wat men ook in de literatuur van hem zei, werd in grovere termen door de radikalinski’s onder de narodniki over Tsjechov gezegd, namelijk dat hij een wereldvreemde, asociale estheet was, die kunstkunst maakte – het is geen toeval wanneer dit bekend in de oren klinkt. Het zou mij niet verbazen als Tsjechov, die juist steeds meer sociale aandacht had, daardoor zeer geprikkeld werd. Hij zou ze het wel eens laten zien! Drie maanden lang heeft hij elke letter die hij over Sachalin kon vinden verslonden. Je kon toch niet zomaar onvoorbereid een kijkje gaan nemen. En ter plaatse heeft hij zijn ogen uit gekeken en het allemaal opgeschreven – dat was het.

Tsjechov is naar Sachalin gegaan om zichzelf te bewijzen. Ten eerste wilde hij laten zien dat hij de wereld heus wel aankon en dat hij wist hoe je zulke zware materie moest aanpakken. Misschien wilde hij tevens demonstreren dat het belang van een onderwerp nog niet bepaalt of wat erover geschreven wordt belangrijk is. Bovendien demonstreerde hij wat er allemaal kwam kijken voordat je erover kón schrijven. Niet het onderwerp was het materiaal – de dwangarbeid op Sachalin – maar de lectuuraantekeningen vooraf en de notities te velde. Toen hij dat materiaal had, materiaal is dan klad, heeft hij vermoedelijk beseft dat het echte schrijven nog moest beginnen en dat hij daarvoor de kracht en misschien de middelen niet had. Of misschien wist hij dat al van te voren: «Ik verlang ernaar me ergens vijf jaar achter te verschuilen en me bezig te houden met hard en serieus werk.» Dat zei hij vooraf over zijn proefwerk.

Je kunt ook zeggen dat zijn straf expeditie vooral een verandering van zijn schrijversleven tot doel had. Over publicatie deed hij daarna tamelijk laconiek: het was maar materiaal, voor hem misschien vooral demonstratie- en lesmateriaal. Het boek demonstreert in elk geval dat hier iemand bezig was zijn pen te slijpen op de beschrijving van concrete situaties – zo precies en compact moest schrijven eruitzien – meer dan dat hij met zijn pen dwangarbeiders dacht te verlossen van de boeien of de kruiwagen waaraan ze vastgeklonken zaten.

Ik zei al dat de misdadigers hem minder interesseerden dan het systeem van dwangarbeid en de mens onterende omstandigheden. Er is in het boek een voorbeeld dat dit kan illustreren. Hoofdstuk VI heet Jegors verhaal en het lijkt het levensverhaal van een voormalige dwang arbeider die ooit veroordeeld werd vanwege moord. Hij vertelt het zelf en laat zich niet door de onderzoeker van de wijs brengen; hij kletst maar raak en er is geen touw aan vast te knopen. Een staaltje sociaal-realisme, zou je kunnen denken, uit de school van Victor Hugo. In een van de beste hoofdstukken, over Doeé, de vroegere hoofdstad van de Sachalinse strafkolonie, staat er dan opeens over de levenslang gestraften: «Hun misdaden zijn bijna allemaal vreselijk oninteressant, alledaags, althans voor buitenstaanders, en met opzet heb ik Jegors verhaal genoteerd, opdat de lezer zelf kan oordelen over de kleurloosheid en de karige inhoud van de honderden verhalen, autobiografieën en anekdotes die ik te horen kreeg van arrestanten en andere mensen die bij het strafkamp betrokken zijn.» De grap is dat Tsjechov het verhaal van Jegor ook nog eens door een ander had laten optekenen, een lokale ambtenaar; dubbel authentiek dus – maar voor Tsjechov het bewijs dat er voor een echt interessant verhaal meer nodig was dan stenograferen wat het volk vertelt.

Tsjechov heeft het uiteraard niet bedoeld, maar De reis naar Sachalin zou één grote demonstratie kunnen zijn van de betrekkelijkheid van de reportage, van het schrijven over zware onderwerpen, en niet in de laatste plaats van de gelijkstelling authenticiteit-waarheid als het gaat om vertelde en opgetekende ooggetuigenverhalen. De toneelschrijver Tsjechov maakt het ons minder moeilijk.