Schrijnende vrijheid

Het paradijs voor de vrije ondernemer: een onstilbare honger naar consumptiegoederen en nauwelijks milieuwetgeving. Maar de bevolking voelt zich alleen veilig met een geweer naast de deur. En de Estlandse regeringspartijen houden hun hart vast voor de verkiezingen. TE TALLINN - Op de Utrechtse automarkt herken je ze meteen, de bussen die uit Estland komen. Ze zijn van westerse makelij en groter en moderner dan de exemplaren uit Litouwen, Roemenie of andere Oosteuropese landen. Maar ook door hun aantallen vallen de Esten op. Uit weinig andere landen komen zoveel autokopers iedere week naar Utrecht. In een van deze bussen, die allemaal leeg terugkeren omdat de passagiers allen in een tweedehands auto naar Estland terugkeren, rijd ik mee naar mijn huis in de Estlandse universiteitsstad Tartu.
Even voorbij Oldenzaal stuurt de buschauffeur de snelweg af. Via een klein weggetje passeert hij de grens om in Duitsland weer de Autobahn op te draaien. Hij vertelt dat hij dit doet om de douaniers te ontlopen, die wellicht problemen maken als een bus uit een raar, ver land, leeg Nederland verlaat. Tijdens de veertig uur durende reis worden we voortdurend ingehaald door de tientallen Estlandse handelaars die als asfaltcowboys in een Grote Trek naar het Wilde Oosten scheuren. Ze hebben haast omdat een toeristenvisum voor Nederland slechts drie weken geldig is en ze in die tijd nog twee maal naar Utrecht willen om meer auto’s te kopen.
Het gaat goed met Estland. Overal ziet men de tekenen van een nieuwe tijd: initiatief, dynamiek, geestdrift, grote mogelijkheden. In een poging de achterstand op het Westen in te halen lijkt het alsof de Esten alle tussenliggende fasen willen overslaan en meteen vanuit de jaren vijftig naar de jaren negentig willen springen. Zo verruilen velen hun vooroorlogse motor met zijspan voor een auto met alarm en vervangen winkels het houten telraam voor een computerkassa die streepjescodes afleest. Ook ziet men een explosie van nieuwe, kleine ondernemingen. Nergens in Europa neemt het aantal cafes, restaurants, discotheken, radiostations, schotelantennes, mobiele telefoons, reclames, auto’s, tankstations en glasbakken zo snel toe als in Estland.
Om de reusachtige achterstand in te halen wordt er veel geimporteerd. Veel Esten komen naar Nederland. Niet alleen voor auto’s maar ook om bier, mayonaise, vrachtwagens, vlees en machines te kopen. Hoe ze aan het geld komen is een raadsel. Het gemiddelde inkomen is immers maar driehonderd gulden. Ook komen er steeds meer Nederlandse bedrijven naar Estland. Shell heeft onlangs het eerste tankstation geopend, Philips is reeds twee jaar marktleider in huishoudelektronica in de Baltische landen en Unilever heeft op de Baltische markt een sterke positie.
Op de automarkt van Tartu zie ik veel van de in Nederland gekochte auto’s weer terug. Daar ontmoet ik ook Andres, een vijfendertigjarige zweminstructeur. Hij probeert voor zeventigduizend kronen, ongeveer tienduizend gulden, een vier jaar oude Volvo te verkopen. ‘Drie jaar geleden ging ik voor het eerst naar Nederland om een auto te kopen’, zegt hij. ‘Omdat ik bestuurslid ben van een Estlandse sportbond kon ik vrij gemakkelijk een visum krijgen. Van de winst kocht ik steeds duurdere auto’s. Op dit moment heb ik thuis nog een Volvo en twee Ford Scorpio’s staan. Ik verkoop veel auto’s aan Russen, omdat in Rusland de prijzen veel hoger zijn. Zelf kan ik natuurlijk ook, net als veel collega’s, naar Rusland rijden. Maar daar begin ik niet aan. Ik vind de reis door Polen naar Estland al gevaarlijk genoeg. Als ik in Nederland een auto haal en die hier in Estland verkoop, maak ik tussen de vijf en de dertig procent winst. In Rusland kun je honderd procent winst maken, maar dan moet je wel helemaal naar Novosibirsk rijden. Hoe verder je naar het oosten rijdt, hoe meer je kunt verdienen, maar hoe groter ook het risico dat struikrovers je auto afpakken en je in je blote kont in de tajga achterlaten.’
BEGIN JAREN NEGENTIG gooide Estland het roer 180 graden om en nam drastische maatregelen om de planeconomie te herstructureren. Men hoopte de schaarste en de hyperinflatie uit te bannen door een uiterst liberaal, westers georienteerd beleid te volgen. Importbelemmeringen werden opgeheven, staatssubsidies gereduceerd, bedrijven en woningen geprivatiseerd, prijzen geliberaliseerd, buitenlandse investeerders aangetrokken en onroerend goed aan de vooroorlogse eigenaars teruggegeven.
Vergeleken met de rest van de Sovjetunie nam Estland veel drastischer maatregelen, hetgeen er toe heeft geleid dat de situatie verbazingwekkend snel verbeterde. De Amerikaanse ambassadeur sprak reeds van een Wirtschaftswunder. Het land scoort op vrijwel alle terreinen beter dan de rest van de voormalige Sovjetunie en kan zich tegenwoordig zelfs meten met Polen en Hongarije. Zo vindt bijvoorbeeld reeds 65 procent van de buitenlandse handel met de Europese Unie plaats en voorspelt de Duitse Bank dat Estland dit jaar met zes procent groei de snelstgroeiende economie van Europa zal hebben. De inflatie was in 1994 met 47 procent voor Oosteuropese begrippen relatief laag, de buitenlandse handel groeide met zeventig procent en de buitenlandse investeringen in Estland verdubbelden.
Volgens Kalev Kukk, parlementslid en economisch zaakgelastigde, is het Estlandse succes in de eerste plaats te danken aan een consistent en doortastend economisch beleid. Kukk: ‘Reeds in de zomer van 1992, ruim een jaar voordat andere Sovjetrepublieken daarmee begonnen, introduceerden wij een eigen munt. Samen met enkele parlementsleden en vier economiestudenten heb ik gewerkt aan een plan voor de introductie van de Estlandse kroon, om zo de hyperinflatie die met de roebel samenging te beperken. Iedereen verklaarde ons voor gek. Zowel het IMF als de Wereldbank waren ertegen. Volgens deze instellingen zou onze economie te afhankelijk zijn van de landen uit de roebelzone; een eigen munt zou gedoemd zijn te mislukken en zou Estland internationaal isoleren. Toch hebben we de plannen doorgezet en we kregen gelijk. Nu de kroon een succes is geworden, worden we door het IMF en de Wereldbank gefeliciteerd en beweert de bekende econoom Jeffrey Sachs ten onrechte dat hij betrokken was bij ons plan voor de monetaire hervorming.’
Dank zij de introductie van de kroon werd de inflatie beteugeld. Tot op heden is Eesti Pank, de Bank van Estland, in staat gebleken om de munt, die in een vaste verhouding van acht op een gekoppeld is aan de Duitse mark, stabiel te houden. Hierdoor is het vertrouwen van westerse bedrijven in de Estlandse economie groot. In 1992 al werd Finland de belangrijkste handelspartner en werden Zweden, Finland en Duitsland belangrijke investeerders. Andere ex-Sovjetrepublieken zien Estland sindsdien als voorbeeld.
MAAR OOK DE GEOGRAFISCHE ligging heeft bijgedragen aan het economisch succes. Estland vervult door de strategische ligging een belangrijke transitfunctie tussen West-Europa en Rusland. Maar liefst 95 procent van de overslag van de haven van Tallinn is bestemd voor of afkomstig uit Rusland. Volgens Leen Kok, de Nederlandse terminalmanager van Pakterminal, een joint venture tussen het Estlandse N-terminaal en het Nederlandse Paktank, is Estland een belangrijke schakel in het transport van grondstoffen vanuit Rusland naar het Westen. Kok: ‘In 1992 begonnen wij hier in Tallinn met de bouw van een terminal voor de overslag van olie uit Siberie en Turkmenistan. Paktank zit over de hele wereld, maar nergens hebben we in zo'n korte tijd zo'n grote omzet gerealiseerd en zoveel winst gemaakt als hier. We zijn daarom nu reeds met de derde uitbreidingsfase bezig.’
Kok is ook zeer te spreken over de welwillende en flexibele houding van de Estlandse overheid. ‘Wetten, normen, veiligheids- en milieueisen ten aanzien van opslag en overslag ontbraken. In samenwerking met de Estlandse overheid werd daarom naar Nederlands voorbeeld een totaal nieuwe wetgeving opgezet. Waar het in Nederland jaren duurt om een detail van een wet te veranderen, hebben we hier in enkele weken een totaal nieuwe haven- en opslagwet opgesteld.’
Naast olie werd er de afgelopen jaren ook veel schroot naar het Westen geexporteerd. Hoewel Estland geen gram koper in de grond heeft, was het in 1992 ‘s werelds derde koperexporteur. Vaak kwam dit koper uit gesloopt legermateriaal uit de hele voormalige Sovjetunie en werd het illegaal door ex-KGB'ers naar West-Europa doorverkocht. Deze KGB'ers verdienden er binnen korte tijd miljoenen dollars aan. De 'metaalgekte’ sloeg daarna ook over op de Estlandse bevolking. Trein- en telefoonverkeer was soms onmogelijk omdat bovenleidingen van spoorlijnen en telefoonleidingen werden gestolen. Ook verdwenen er bronzen standbeelden en vielen er doden doordat men tijdens zoektochten naar metaal op granaten en nucleair afval stuitte.
Door de nabijheid heeft Estland ook veel hulp gekregen uit Zweden en Finland en verdient het goed aan Scandinavische toeristen. Dagelijks maken honderden inwoners van Helsinki de oversteek over de Finse Golf - een tocht van slechts tachtig kilometer - naar Estlands hoofdstad Tallinn. Die stad heeft met haar oude Hanzecentrum meer te bieden dan hun eigen woonplaats. Maar het is vooral het grote prijsverschil dat veel Finnen naar Tallinn lokt. Ze komen al lang niet meer alleen voor de voor hen spotgoedkope alcohol of levensmiddelen, maar steeds vaker ook voor diensten en vermaak, varierend van een bezoek aan een kapper of bordeel tot het meedoen aan een berenjacht.
Voor de Tweede Wereldoorlog waren Finland en Estland qua welvaart en cultuur met elkaar vergelijkbaar, maar daarna raakte Estland steeds verder achterop. Aan het eind van de jaren tachtig bestond waarschijnlijk nergens ter wereld zo'n groot verschil tussen twee naburige steden als tussen Tallinn en Helsinki.
DE ECONOMISCHE SUCCESSEN hebben echter niet alle wonden die het socialistische systeem sloeg, kunnen genezen. Volgens psychologe Maaja Vadi, werkzaam aan de universiteit van Tartu, zijn veel mensen stuurloos. ‘Ze weten niet meer waarin ze moeten geloven. Het sovjetsysteem heeft de Esten een identiteit opgedrongen, een ziel zonder geweten, zonder respect voor elkaar en voor de natuur. Bijna een derde van ons volk werd vermoord of gedeporteerd of vluchtte. Veel mensen voelen nog dagelijks de angst. Angst was de motor van het systeem. Door de dreiging van geweld bleven de mensen immers gehoorzaam en aan het werk. Maar met het wegvallen van de terreur is de angst niet verdwenen. Velen raakten van zichzelf vervreemd. Gestoord gedrag, geweld, alcoholisme, criminaliteit, moord en zelfmoord zijn een groot probleem in onze samenleving.’
Bovendien lijkt de angst voor de autoriteiten nu te zijn omgeslagen in angst voor criminelen. Hoe diep dit gevoel in het alledaagse leven is geworteld, besef ik als ik op bezoek ga bij de schrijfster Eva Park. Park en haar man en twee dochters wonen prachtig, in een boerderijtje aan de rand van een bos. Maar hun erf wordt bewaakt door twee grote, bloeddorstige honden. ‘In ruil voor verzorging en gezelschap mochten wij enkele jaren geleden intrekken bij de alleenstaande zieke vrouw die hier woonde’, vertelt de schrijfster. ‘Toen zij stierf, kochten wij de bouwval van de erfgenamen. We hebben daarna alles met eigen handen opgeknapt. Maar onze vrijheid heeft wel een prijs. Altijd moet een van ons achterblijven om het huis tegen inbrekers te bewaken. We hebben hier geen telefoon en zijn dus helemaal op onszelf aangewezen. Daarom staat naast de voordeur altijd een groot jachtgeweer, geladen, klaar. Ook mijn dochters van zes en tien jaar weten het geweer te hanteren.’
AANSTAANDE ZONDAG worden in Estland parlementsverkiezingen gehouden. Voorspeld wordt dat er een politieke machtsverschuiving zal plaatsvinden. Volgens een opinieonderzoek zijn de oppositiepartijen van de voormalige communisten Arnold Ruutel, Tiit Vahi en Edgar Savisaar het populairst. Pas op de vierde plaats vindt men de eerste regeringspartij, die van voormalig premier Mart Laar. Laar werd in oktober vorig jaar vervangen omdat men het vertrouwen in hem had verloren, onder andere doordat bij de introductie van de kroon een grote partij roebels op duistere wijze uit roulatie was genomen en mogelijk aan Tsjetsjenie was verkocht.
De populariteit van de oppositiepartijen is te danken aan het feit dat grote groepen Estlanders niet kunnen meekomen in de nieuwe concurrentiestrijd. Bij de vorige verkiezingen, in 1992, dachten veel kiezers nog dat de gebraden duiven ze met de komst van democratie en kapitalisme in de mond zouden vliegen. Inmiddels weten ze wel beter.
Werklozen moeten zien rond te komen van 25 gulden per maand, gepensioneerden krijgen gemiddeld maar 85 gulden. Boeren worden weggeconcurreerd van de eigen markten door gesubsidieerde landbouwprodukten uit West-Europa en Finland. Meer vrijheid heeft dus niet geleid tot meer tevredenheid. Vooral de ouderen kunnen weinig geduld meer opbrengen en keren daarom teleurgesteld de hervormingsgezinde politici de rug toe.
Volgens Kalev Kukk zal de terugkeer van linksgeorienteerde politici een catastrofe voor het land betekenen. Maar Rein Toomla, docent politicologie aan de universiteit van Tartu, verwacht dat het beleid van de afgelopen jaren niet al te zeer zal veranderen. De huidige oppositiepartijen realiseren zich volgens hem dat Estland het veel beter doet dan veel andere voormalige Sovjetrepublieken, dat dit is toe te schrijven aan de toename van marktprikkels en dat het proces van integratie in westerse economische en veiligheidsstructuren noodzakelijk en onomkeerbaar is. Hij schrijft de populariteit van Arnold Ruutel, die in de top van de communistische partij zat, vooral toe aan het feit dat deze ten tijde van de Sovjetunie veel gedaan heeft voor de onafhankelijkheid van Estland.
Volgens Toomla verlangen velen terug naar het verleden. ‘Het is niet de reele armoede die mensen ontevreden maakt, maar de ervaren armoede. In het verleden werd ons altijd verteld dat de Sovjetunie het rijkste en beste land ter wereld was. Binnen de Sovjetunie was Estland de meest ontwikkelde republiek. Wij zouden dus op de best mogelijke plek van de aarde wonen. Niemand nam die propaganda serieus, maar toch geloofden velen er stiekem een beetje in. Na 1991 raakten veel Esten in een onafhankelijkheidsshock. Ineens zagen we de welvaart in de omringende westerse landen. Toen pas beseften we hoezeer we achterop waren geraakt en hoezeer we al die jaren belogen waren.’