Ronald Giphart, Gala

Schrijven doe je zo!

Ronald Giphart

Gala

Uitg. CPNB, gratis bij aankoop van minstens € 11,11 aan boeken

Boudewijn Büch, Kristien Hemmerechts, Bert Keizer, Nico ter Linden

Vier visies op de dood

Uitg. CPNB, € 6,-

De boekenweek heeft dit jaar als thema de dood. Traditiegetrouw verzorgt het CPNB twee typen boekenweekuitgaven rond het thema: het literaire geschenk en het essay. Even traditiegetrouw levert dat over het algemeen gewrongen maakwerk op. De uitverkoren auteurs, die op voorhand honderdduizenden lezers moeten gerieven, bevinden zich in een ongemakkelijke spagaat tussen publiek en eigenheid. Dit keer mocht Ronald Giphart het boekenweekgeschenk schrijven; de essay opdracht ging naar vier auteurs: Boudewijn Büch, Kristien Hemmerechts, Bert Keizer en Nico ter Linden. Met wisselend succes kweten zij zich van hun taak. De manier waaróp stemt tot nadenken over aloude literaire hangijzers.

Alles is vorm. Luister op een willekeurige bijeenkomst naar een spreker die achter een katheder uit de losse pols wat thema’s aansnijdt, mensen bedankt en nog eens erop los bespiegelt, één hand in de broekzak, de andere bezwerend geheven, en voel het grote gapen opkomen. Té veel ontspanning, te weinig dwingend verband.

«Laatst werd bij ons in de straat op één-hoog een vrouw dood in huis aangetroffen», schrijft Bert Keizer in zijn essay Koud liggen op bladzijde 31. Een dergelijk nieuwtje verteld in de rij voor de kassa in de supermarkt heeft het voordeel dat je weet wie er tegen je praat. Binnen de context van dit essay is het echter de zoveelste loze mededeling van onbekende bron. Op bladzijde 33 blijkt dat de auteur verpleeghuisarts is en «veel doden ziet in zijn werk». Echt veel beter wordt zijn tekst er niet meer op. Een snufje filosofie, een beetje biologie, ingebed in persoonlijke anekdotes en meninkjes. Heel erg is het allemaal niet, maar omdat de dwingende vorm ontbreekt, is het in de letterlijke zin des woords vervelend en blijft níets in het geheugen achter.

Ook als je het essay van (dominee) Nico ter Linden hebt gelezen, De dag zal komen, Janus, weet je bij God niet wát je hebt gelezen. Ter Linden neemt weliswaar niet zijn toevlucht tot persoonlijke anekdotiek maar tot zijn boekenkast, het effect is even dodelijk en slaapverwekkend (27 voetnoten voor een tekst van 52 pagina’s, hoe onzeker kan een schrijver zijn?). Het schrijven van een essay is iets anders dan bespiegelingen at random ten beste geven en daar kopstukken bij zoeken. Dieptepunt in Ter Lindens bijdrage, onder het kopje «Euthanasie»: «Een kleine notitie over het ingewikkelde vraagstuk van de euthanasie mag in dit opstel niet ontbreken.» Allemaal goedbedoeld en keurig, maar vooral reminiscenties oproepend aan de hardheid van de kerkbanken ooit en de lengte van de preek.

Kristien Hemmerechts lukt het om in zeer kort bestek te demonstreren hoe een ervaringsdeskundige annex schrijfster het verlangen naar de dood weet te bezweren. In Hotel Terminus beschrijft ze de gedroomde plek die het leven draaglijker zou maken: «Waar je kon gaan zitten en denken: nu sta ik nooit meer op.» Zingende botten van Boudewijn Büch is een aanstekelijk pleidooi om vooral schrijvers- en dichtersgraven te blijven bezoeken.

Het geheim van deze meer doorgewinterde beroepsschrijvers? Een persoonlijke invalshoek, geprikkeld door de opdracht, gegoten in een vorm — bij Hemmerechts een verhaal over het schrijven van een verhaal, bij Büch een verslag van verschillende queesten — gekoppeld aan een eigen stijl.

Alles is stijl. Luister op een willekeurige bijeenkomst naar een spreker die achter een katheder ordentelijk zijn lijstje met punten afwerkt, mensen bedankt en ook de dames van de catering niet vergeet, één hand geklemd om het glas water, de andere ritselend met papier, en voel het grote gapen opkomen. Te weinig verrassend, te keurig.

Van dat laatste kan Ronald Giphart niet worden beticht. Het is hem in tien jaar tijd gelukt om met zijn geheel eigen stijl veel lezers aan zich te binden en ook nog eens jan en alleman in letterenland opnieuw te laten nadenken over wat literatuur nu ook alweer is. In Gala bewijst hij andermaal zijn kunnen. Giphart schrijft ongelooflijk vaardig, vlot en geestig, en hierachter past geen maar. Zijn tweede roman Giph (1993) is een van de leukste boeken van de jaren negentig, een niveau dat hij evenaarde in zijn persoonlijke kroniek van 2001, Het leukste jaar uit de geschiedenis van de mensheid (Privédomein, 2002). Dat twee keer «leukste» zegt het al een beetje; Giphart is ook een tamelijk eendimensionale schrijver. Tot ontroering, afgrijzen, geilheid of nadenken nodigt zijn werk niet uit; wel tot doorlezen en schateren. En tot mismoedigheid. Mismoedig stemt dat hij zich laat verleiden personages en een intrige te creëren; pas dan gaat die eendimensionaliteit hem parten spelen. Wat dat betreft bewijst Gala ook andermaal zijn niet-kunnen. Giphart is op zijn sterkst als hij niet te nadrukkelijk naar een vorm zoekt, maar zich laat gaan in een gestileerd persoonlijk relaas. Dat ís zijn vorm. En die is verrassend, vermakelijk en literair genoeg.